Het godenkwartet

image

John Coltrane
A love supreme
1965

‘A love supreme’ zet het adjectief op de verkeerde plaats en is een dankgebed aan God dat John Coltrane ruim twee jaar voor zijn dood maakt met drummer Elvin Jones, bassist Jimmy Garrison en pianist McCoy Tyner, klinkende namen die op de radio kunnen worden gefluisterd alsof er een nachtelijke biljartwedstrijd aan de gang is.

Dat godenkwartet is op haar hoogtepunt en neemt alles in vier uur tijd op. We zijn 9 december 1964. Locatie: de Van Gelder Studio. Englewood Cliffs. Bergen County. New Jersey. Men moet niet ver lopen voor een zicht op de machtige Hudsonrivier.

’t Is eind 64 al een paar jaar geleden dat Coltrane een poos uit de groep van Miles Davis is gezet, genoeg heeft van de drugs die tot dat tijdelijke ontslag hebben geleid, en zich vrijwillig van god afhankelijk maakt en daardoor zijn geheel eigen vrijheid en onafhankelijkheid vindt. In theorie ben ik in die mate ongelovig dat ik dat van die vrijheid-binnen-geloof onzin vind, maar ik zit in dit muzikale gebed al zonder tegenargument na amper 15 seconden – tijdspanne waarin Coltrane gewoon warm blaast boven een gong (?), een cimbaal (?) en een spaarzame piano, om daarna een minuut te zwijgen terwijl zijn groep een fenomenale groove legt.

De vier basiskampnoten in de bas – die in de nineties gesampled werden in Pattersons ‘Freedom now’ dat een Mo’Waxverzamelaar opende – worden boventoeterd in een wereld die je moeilijk nog een resem variaties kan noemen; een aarzelend openingsgebed is het ondertussen ook niet meer.

Na twee minuten zitten we in een tros noten en akkoorden waarvan Miles Davis beweert dat Coltrane ze aan hem te danken heeft: ‘I gave him all these little things, like – play this for me, Trane. And it’d sound like blablablablublurp…. If you play without stopping, you sound like Coltrane.’ Het is waar dat Coltrane dikwijls speelt zonder te stoppen. Maar als blablablablublurp klinkt het alles behalve.

Na vier minuten toetert hij nogal doordringend hoopjes schrille noise en inwendig onbehagen op het tapijt. Hij vindt onmiddellijk de kalmte terug en blaast de vier dragende beginnoten 36 (!) keer in alle mogelijke soorten, maten en gewichten. Daarna zegt hij de woorden a-love-su-preme gewoon op, hij mompelt ze een keer, reciteert ze iets harder, smeekt ze af. Deel 1 van deze bizarre meditatie loopt uit in de bas. ‘Acknowledgement’ zit erop. De wereld heeft al een paar keer op z’n kop gestaan. We zijn een kleine acht minuten ver.

Van de stomender middendelen ‘Resolution’ en ‘Pursuance’ kon ik vroeger niet geloven dat de groep er in één avond van vier uur en een paar takes (en een verwaarloosbare overdub) mee klaar was. Mijn favorieten kwamen toen uit een vroegere periode en andere bezettingen: het warmbloedige ‘Blue train’ en het nog betere ‘Giant steps’, waarin ‘Naima’ het welgekomen rustpunt is.

Vandaag zijn de andere platen met dit kwartet favorieten geworden: ‘After the rain’, ‘India’ en ‘My favorite things’ (waarvan de langste versie altijd de beste is) zitten al in de Indiase sfeer die Coltrane verkende en die in ‘A love supreme’ subtieler aanwezig is: Elvin Jones krijgt hier bijvoorbeeld de opdracht met vier Shiva-armen minder te drummen.

Het op en neer van de liveplaat ‘Afro blue impressions’ en vooral de daarop overal precies uitgekiende solospotjes voor bassist, pianist én drummer (die eigenlijk de kooltjes gewoon heet maken om ze op het juiste moment aan Coltrane door te geven) maken het verhaal van de korte opnametijd aanneembaarder. Tel daarbij dat het kwartet waanzinnig veel optrad en dat afsluiter ‘The drum thing’ van de ‘Crescent’-plaat van een paar maanden eerder zelfs exact eindigt waar ‘A love supreme’ begint, in de vier basnoten die ‘Acknowledgement’ overeind houden. Deze groep is met andere woorden perfect voorbereid om zich eens goed te laten gaan.

1964 is het jaar van ‘Hello Dolly’ van Louis Armstrong, soundtrackmuziek vol nostalgie naar de dansvloerjaren van de jazz. Het is het jaar van Albert Aylers ‘Spiritual unity’, ook een klasbak vol saxgetoeter, maar droger en hoekiger: de sfeer is een beetje die van een fanfare. ‘A love supreme’ is bij momenten Aylerextreem, maar tegelijk rijst overal een helderheid en een naturel op die verklaren waarom het een hit is kunnen worden. Aan het eind van ‘Pursuance’ blaast Coltrane meer ingewanden uit dan John Zorn bij Painkiller, maar daarna brengt de bassist echte rust over een plaat die eigenlijk bijna overal op relatief kalme manier aanwezig is. Het is een komen en gaan van inspanning en beloning, crisis en loutering, voornemen en volharding, indrukwekkend gesoleer en een nog indrukwekkender som der delen.

Het slotdeel ‘Psalm’ is – echt waar – als neergeschreven gebed te volgen, lettergreep per lettergreep: de woorden Thank you god zijn als vaak terugkerende triool herkenbaar, elation, elegance en exaltation klinken het indrukwekkendst op tenorsax boven de keteltrommen van Jones. Met dit ‘Psalm’ erbij is ‘A love supreme’ alle jazz bij mekaar: muziek die uit de geopende deuren komt gestroomd van het kerkje dat nog moet gebouwd worden.
image

Odes? Guru van Gang Starr (en van de Jazzmatazzplaten) rapte zich in ‘A jazz thing’ – with a little help from Branford Marsalis – doorheen de geschiedenis van een zeer belangrijk muziekgenre, dat ook kreeg af te rekenen met bikkelharde kritiek, stijl ‘Nice!’, ‘Grrrreat!’ en ‘It isn’t dead. It just smells funny’. Guru wijdt in ‘A jazz thing’ een halve strofe aan ‘John Coltrane, a man supreme / he was the cream / he was the wise one / the impression of Afro Blue / and of the promise / that was not kept / he was a giant step’.

De mooiste ode aan ‘A love supreme’ zelf is van Morgan Freeman, die al een carrière lang probeert te kijken als de karakterkop op de hoes.
image

Mini-aha-erlebnis: een festivalconcert van het Coltrane Quartet op Youtube in de zomer van 1965, moment waarop het niet lang meer zal duren voor Coltrane de groep ontbindt en iets anders gaat doen. Coltrane speelt hier sopraansax, een instrument dat ‘s mans versie van ‘My favorite things’ ook op plaat een beetje luchtiger doet klinken dan wat hij doorgaans uit een tenor tovert.

De intensiteit is onwaarschijnlijk. Het publiek is in vrij grote drommen komen opdagen. De eindgeneriek vertelt dat het een opname van de RTBF is. De plek blijkt Comblain-La-Tour, ergens in het Land van Luik.

Wikipedia zegt: ‘Wereldberoemd vanwege een open air jazz festival dat er gehouden werd tussen 1959 en 1966. Befaamde artiesten die er optraden: Cannonball Adderley, Chet Baker, Ray Charles, John Coltrane en Nina Simone. Het wordt de moeder aller Europese festivals genoemd en vormde ook hét voorbeeld voor het Vlaamse Jazz Bilzen.’

Ik heb, vertrekkend vanuit de vraag ‘Hoe komt het dat ik daar niks van weet?’, een kort gesprek met mijn Vlaamse navel.

Onderstaande foto is uit 1964. De mensen stonden blijkbaar op Ray Charles te wachten.

image

Hieronder het godenkwartet echt, levend, zwetend, zwoegend, hete damp afgevend, in de zomer van 1965, niet ver van de onvolprezen Ourthe. De tune: ‘My favorite things’, uit The Sound Of Music geleend – de hoge sopraansax ideaal voor de truc met de slang en de mand.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s