D-Es-C-H

 
image
 
Dmitri Sjostakovitsj
Strijkkwartet n° 8
1960

 
 
 

Wat heb ik ter hoogte van nummer 28 en de zeer succesvolle Leningradsymfonie uit 1941 geleerd? Dat Dmitri Shostakovich een kop heeft die aan vijf bladzijden straf doet denken en dat je zijn familienaam ook als Sjostakovitsj mag schrijven, bijvoorbeeld.

Wat moet ik hiér eerst vertellen? Dat wereldoorlog II voor de Russische componist heeft geduurd van 1936 tot 1953. 1936 omdat vanaf dan elk nachtelijk moment dat van de klop op de deur kan zijn – voor een paar miljoen Sovjets de weg naar de Goelageindhalte. 1953 omdat in dat jaar de paranoïde dictator Jozef Stalin, aanrichter van al die ellende, sterft.

Maar terug naar het begin van de jaren 40. Sjostakovitsj is populair. Hitlers Blitzkrieg stoot op serieus Russisch weerwerk. Er wordt van de componist een 8e symfonie verwacht. In 1943 komt die er.

De fenomenale motorritmes van het Allegro non troppo uit die 8e, da’s wat mij 10 jaar geleden naar Sjostakovitsj heeft getrokken.
 

 
Er zit nóg veel wrangs in de zeer knappe 8e – droge trommelslagen bijvoorbeeld die je doen denken: zo klinken kogels echt, of een fenomenale hoornsolo na oorlogsgedreun – maar ik tel nul heroïsche momenten, de grondtoon is somber en contemplatief. Het Sovjetbewind kon er in 1943, jaar waarin de kansen voor de Ruskis begonnen te keren, en de wanhoop eindelijk omsloeg in koppige vastberadenheid, vanuit propaganda-oogpunt volstrekt niks mee, en voerde ze af. Als het regime op dat moment van haar superster zegt: ‘Zijn 8e is een overpeinzing, geen inspirerende aanmoediging’, heeft het regime gelijk. Het is tenslotte 1943, en de oorlog is nog lang niet gedaan.

En dan plots wel. Stalin is overwinnaar geworden. Hij denkt: mijn bloedeigen Beethoven zit aan pompeuze overwinningssymfonie nummer 9 te werken: heroïek, tanks, hamer, sikkel, ‘tot nut van ’t algemeen’ dat rijmt op ‘één voor allen en allen voor één’.

The great dictator ziet zichzelf al in de loge zitten op de grote internationale première. Uiteraard zal hij boven het gewoel staan. Links vliegen al vanaf minuut één de strijkstokken de lucht in, rechts wiegen blazers als de Georgische graanvelden uit zijn jeugd.

Stalin oefent wat hij tegen zijn buurman zal zeggen: ‘Zó’n groot koor had nu ook niet gehoeven’. Hij droomt weg en ziet aan het eind van de rit de paukenist zweten, en voelt de finale in slow motion als papiersnippers over zich heen komen, waarna de staande ovatie natuurlijk voor hem en voor hem alleen is.

Maar vooralsnog is dit de avant-première in meer besloten kring. Vreemd dat er geen opdracht in het programmaboekje staat. Er is ook geen koor. De muziek klinkt strijkkwartetklein. Als er al een solo-instrument tussen zit, is het een klein blazertje. De symfonie klokt af op 27 minuten, en is vooral gezellig. ’t Is eigenlijk een wuft tafereeltje. Een rococobriesje. Jan Klaassen is piccolospeler geworden in het leger van de gekke prins Stalin, en marcheert gezwind door speelgoedland.

De muziek van Sjostakovitsj’ 9e zal ik wellicht nooit goed vinden. Het is wel de grootste mij bekende uppercut die een kunstenaar ooit aan een dictator heeft verkocht.

Natuurlijk is Sjostakovitsj er zwaar voor gestraft, tot aan Stalins dood in 1953. Het is vooral een mirakel dat hij de dictator heeft overleefd. Om het in de stijl van de artiest droog, nuchter, cynisch en gelaten te zeggen, misschien omdat Stalin een heel klein beetje respect begon te krijgen voor zijn tegenstander.

Hoé de componist werd gestraft? Via de beproefde methode van naambekladding. Eerst mag Sjostakovitsj nog lesgeven, daarna niet meer. Hij moet, om te overleven, een loflied schrijven op Stalins herbebossingspolitiek. Als op een congres in de States een artikel in de Pravda ter sprake komt waarin Stravinsky en Schönberg ‘lakeien van het imperialistische kapitalisme’ worden genoemd, zegt Sjostakovitsj (van wie geweten is dat hij Stravinsky op handen draagt): ‘Ik ben het met de in de Pravda weergegeven mening volkomen eens’. Eerst zijn alleen zijn populaire 5e en 7e symfonie nog toegelaten werk, maar ook daarop storten zich beoordelingscommissies: een waar schervengericht zijn ze, compleet met collega’s die bereid gevonden worden om de man zelfs in die vrij patriottisch klinkende werken af te doen als formalist, ideologisch ondermijner, bourgeois en decadent kunstenaar die niet in de volksaard past.

Tussen 1945 en 1953 componeert Sjostakovitsj weinig treffends. Vooral in de verplichte categorie filmmuziek is hij productief: suikerzoete, alles-gaat-prima-in-de-beste-der-wereldenpropaganda. Akkoord, er zijn een paar goeie strijkkwartetten. Er is ook ’24 preludes en fuga’s’, wonderlijke klanken die in de ruimte oplossen, een Das Wohltemperierte Klavier voor een wereld die gewend is geraakt aan muziek bij stomme films en tramgeluiden. Glenn Gould zonder geneurie mag ook. Sjostakovitsj’ verzet zit in die jaren in kleine dingen.

In 1948 wordt de componist samen met onder andere Prokofjev en Chatsjatoerjan officieel verketterd omdat ze ‘om de vorm’ schrijven en niet ten dienste van het communistische ideaal. De Sovjet-Unie wordt in dat jaar ook geteisterd door zéér, zéér ernstige antisemitische directieven van de partijtop. Sjostakovitsj bewerkt uitgerekend in dat jaar joodse volksliederen, een werk dat hij moet wegstoppen in de lade en dat pas in 1955 voor het eerst zal worden opgevoerd.

Dus: de man is eerder een overgevoelige ziel dan de Sophie Scholl van het anti-Stalinisme. Tja. Als hij dát soort verzet had uitgeprobeerd, was zijn laatste uur al in 1936 geslagen. Sjostakovitsj overleeft. Hij zetelt zelf in die akelige beoordelingscommissies. Hij weet dat hij soms een beetje de toeter van de dictator moet zijn, en daarna weer kans maakt in ongenade te vallen.

Hij moet zich, al kettingrokend en zijn neus optrekkend om zijn bril op te houden, hebben afgevraagd wat er ging komen in 1953, toen Stalin stierf, maar niet te lang, want symfonie nummer 10, die in dat kanteljaar zelf zó snel wordt gecomponeerd dat ze op z’n minst al in z’n hoofd moet hebben gezeten, is opnieuw een kopstoot. Hoe hij laat horen dat zijn ruggengraat niet is gebroken: door de dictatuur in z’n hardheid en ellende te toonzetten, en aan het eind van deel 3 eerst schuchter, maar in het afsluitende vierde deel zeer nadrukkelijk zijn handtekening te zetten. Letterlijk, dan. Het in de eindsprint triomfantelijk doorklinkende DSCH-motief bestaat uit de noten D-Es-C-B die in het Duits als D-Es-C-H geschreven worden (D. Sch. is ook de Duitse spelling van zijn initialen).

Deze man zegt in zijn 10e symfonie twee dingen: 1. De tiran is dood 2. ‘I am somebody’. In de finale van de 10e zit de eerste D-Es-C-H verstopt op 2’20”, net voor de pauken. De blazers spelen er één op 2’56”, op 3’15” en op 3’41”. Daarna volgen er nog een paar, en aan het eind zit een half leger van die rakkers.
 

 
Een paar jaar later volgt het voor Mstislav Rostropovitsj geschreven, fenomenale eerste celloconcert uit 1959. Opnieuw dat DSCH-monogram, dit keer meteen van bij de start:
 

 
Ook het 7e strijkkwartet uit 1960 is knap: twee nerveuze buitendelen en een diep nadenkend middenstuk dat bij momenten klinkt als minimal music avant la lettre.
 

 
’t Zijn meesterwerken die doen vermoeden dat het met Sjostakovitsj goed gaat en dat ook de dooi onder partijleider Nikita Chroesjtsjov hem artistieke vrijheid schenkt. Dat lijkt alleen zo. Ook Chroesjtsjov verplicht Sovjetkunstenaars het Sociaal Realisme te omarmen. Ai!

Een andere zware klap: in 1960 wordt hij verplicht lid te worden van de communistische partij, volgens een van zijn kinderen een van de zwartste momenten in zijn leven. Een wereld van congressen lonkt daardoor, dat wel, maar in de Pravda verschijnen bijvoorbeeld plots door hem gesigneerde stukken die hij nooit heeft geschreven.

Zijn tweede huwelijk loopt ook op de klippen, en hij mist zijn zes jaar eerder overleden eerste vrouw, een belangrijker muze. Zijn hand schiet al eens in een kramp, het heeft met een ziekte te maken die later erger zal worden, maar dat weet hij nog niet.

Hij bezoekt Dresden, waar een film gedraaid wordt die hij van muziek moet voorzien. Als u over het door de geallieerden gebombardeerde Dresden ooit kernwoorden moet verzamelen om zoveel mogelijk seconden over te houden, zeg dan snel na mekaar ‘luguber afschrikkingsexperiment’, ‘brisantbommen’ ‘tapijtbombardementen’, ‘vuurstorm’, Bomber Harris en Kurt Vonneguts meesterlijke roman ‘Slachthuis vijf’. In dat Dresden komt Sjostakovitsj het 8e strijkkwartet aanwaaien, dat hij in drie dagen schrijft.

Een canon van D-Es-C-H-handtekeningen klimt vanuit de cello naar boven en fragmenteert. Dit is niet meer de van zelfvertrouwen glimmende componist van de 10e symfonie. Deze man vraagt zich af: wie is die D-Es-C-H of D.Sch. eigenlijk? Hij doet het voor de spiegel, met een open scheermes in de hand.

Wat hoor ik als die somberte in het opgejaagd tempo van de allegretti overgaat? Ook prachtig bijna-samenspel met af en toe echte solomomenten voor cello en eerste viool, en één keer de spots op de altviool. Meedogenloze accenten. In deel 2: dat ik een metalplaat op 2 heb gezet. In deel 3: Joodse folk met een grote J. Overal: muzikale citaten die snel en strak in de mix gegooid worden. ’t Is vooral eigen werk dat Sjostakovitsj inlast. En hij citeert werken die hem veel applaus opleverden, zoals de 1e en 5e symfonie en de Lady Macbeth-opera.

’t Zou kunnen zijn dat hij denkt: waarom mocht ik niet gewoon topcomponist zijn? ’t Zou, in het citeren van eigen werk, om een pastiche kunnen gaan. ’t Zou verdriet over zijn dode ex-vrouw kunnen zijn, zelfhaat vanwege die partijlidkaart, melancholie na het zien van de vernielingen van het bombardement van Dresden, terugdenkend aan Stalin- én Hitlerellende.

In een brief aan een vriend schrijft hij: ‘Niemand gaat een eerbetoon aan mij maken, daarom doe ik het zelf.’ Mensen hebben daar een zelfmoordbrief in gelezen. Misschien! Al van droge humor gehoord? Van één ding ben ik zeker: het 8e is een autobiografisch kwartet.

Deel 3 loopt in een drone van de eerste viool over naar deel 4, waarin de andere instrumenten brutaal een hakbijl planten. Je kan er een KGB-klop op de deur in horen, de Hitleraanval op Leningrad, een brisantbom op Dresden, …

Hét terugkerende conflict tussen componist en regime is altijd geweest dat muziek die open was voor interpretatie verdacht was. Het regime vroeg steevast een ideeënschets, een tekst, een opdracht voor in het programmaboekje.

Neem nu het overbekende bolero-achtige begin van de 7e (oorlogs)symfonie. Zelfs daar zijn beoordelingscommissies zich jaren later kritisch over gaan buigen. Sjostakovitsj heeft zelf nooit de bezwerende beginmars aan de fascistische belegering van Leningrad toebedeeld. Het regime wel. Net daarom vonden ze de tragische vertwijfeling van de rest van het werk maar niks: ze hadden liever Russische heroïek gehoord. Hun kritiek: ‘Krachten die tegenover die fascistische apenmars worden gesteld, zijn er niet. Sjostakovitsj had melodieën van de USSR-volkeren moeten samensmelten om weerwerk te bieden. Nu blinkt het werk vooral uit door de onheilspellende gestalte van het fascisme te verbeelden.’ Terwijl de vraag is: Waarom had Sjostakovitsj gemoeten? En wat?

Ik hoor in de 7e symfonie van 1941 een volk dat al kapot is van Stalins waanzin en Hitler die het alleen nog veel erger komt maken. En ik hoor in het 8e strijkkwartet persoonlijker verdriet, een man die uitgeput is door de harde gevangenschap, tired of the same old blues. Waarom dan een energiek, soms vrolijk tussenstuk? Ik moet iets zeggen dat ik al eens gezegd heb: zijn grote talent is: de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen.

Aan het eind belandt het 8e kwartet trouwens opnieuw op de bodem, en gaat het diminuendo over in een soort ‘Gloomy Sunday’. U mag van mij natuurlijk aan het eind ook gewoon zachter gespeelde strijkers horen. En er nu een biertje bij nemen. Want hier is hij dan, in zijn geheel, mijn nummer 2:
 

 
Hoe het komt dat dit persoonlijke en alles behalve sociaal-realistische strijkkwartet in die jaren kon verschijnen en succesvol worden? Omdat het regime er ‘Voor de slachtoffers van fascisme en oorlog’ boven zette. In volle koude oorlog – de muur rond Berlijn komt eraan, de oude vijand Duitsland is lid van de NATO en hun minister voor defensie Franz-Josef Strauss niet meteen een vredesduif – wordt de componist opnieuw voor de kar van de Sovjetpropaganda gespannen, als om te zeggen: ‘Wij zijn de goeien’. Dat Sjostakovitsj als componist embedded was, is een verhaaltje dat in het westen jarenlang door iedereen is geloofd, en dat is niemands fout.

Sjostakovitsj komt in de jaren die volgen ietwat tegemoet aan het regime, maar op de maten van zijn 13e (joodse) symfonie slaan die fuckin’ apparatsjikpoppen opnieuw wild aan het dansen. Ik heb er geen foto’s van gevonden, maar als er vandaag nog circuleren hoop ik dat ze er volstrekt belachelijk op staan.

Dmtri Sjostakovitsj verdient een paar minuten applaus, waarbij uiteraard mag worden rechtgestaan. Ik geef de man ondertussen zijn welverdiende zilveren medaille. En hij heeft nog een kort bisnummer zitten.