Stadsruïnes

 
image

 
image
 
Joy Division
Closer
1980

 

Joy Divisiontussendoortjes en -achterafjes als ‘Atmosphere’, ‘Autosuggestion’, ‘Dead souls’ en ‘Love will tear us apart’, het zijn allemaal uitstekende songs uw aandacht waard. Zelfs de prille Joy Division is interessant: ‘Novelty’ zit nog vol Sex Pistols (de groep werd aan de toog na het eerste Pistolsconcert in Manchester opgericht), ‘Something must break’ wijst al vooruit naar een Bauhausplaat van niet veel later.

Maar, maar en nog eens maar: zoals er drie Jimi Hendrixplaten zijn en de rest op z’n best wordt bijeengesprokkeld om iets onder de kerstboom te leggen, zo zijn er twee Joy Divisionplaten. Ze heten ‘Unknown pleasures’ en ‘Closer’. Ze staan alle twee in Honderd. ‘Unknown pleasures’ staat op 18, ‘Closer’ op 4.

De songs van ‘Closer’ komen recht uit Schemerland. Ze knippen als kattenogen aan op het moment dat ook de lichtjes in de huisjes worden aangestoken. Ze blazen soms warm en koud. Ze hebben na een tijd op de fiets nog last van bevroren handen en voeten terwijl de rest van het lichaam al aan het zweten is.

Daar is een technische verklaring voor. Sommige danserige synthgeluiden, de drums die een veelheid van ritmes in geduwd worden, de bas die zeker niet minder dan op het debuut ‘Unknown pleasures’ vooraan wil staan en de soms heel afwezige en dan weer harder uithalende gitaar, ze komen meestal veel minder uit de verte en uit de donkerte dan de baritonstem van Ian Curtis, een man die op ‘Closer’ een indrukwekkend curriculum van ontgoochelingen heeft opgebouwd.

Soms schuren die werelden over elkaar als verschuivende aardlagen. In de twee afsluiters vloeien Curtis en groep samen, maar dan aan de Curtiskant van ongevoeligheid voor het laatste beetje optimisme. Curtis horen zingen is je afvragen: ‘Hoeveel Danteske hellekringen heeft die man achter de rug?’ En dat terwijl hij geeneens ‘op het midden van zijn levensweg was aangeland’, zoals Dante Alighieri toen hij aan zijn Inferno begon. Curtis bevond zich wel ‘in een zeer donker woud’ en was ook in zekere zin ‘van het rechte pad afgeweken’.

’t Is in ’s mans teksten niet echt een kwestie van de wagen des doods door de stad weten rijden en het gebeente horen rammelen. De horror zit veel inwendiger. Het boek ‘The atrocity exhibition’ van J.G. Ballard is perfecte inspiratie, en een goeie titel voor de opener van ‘Closer’. Een directeur van een psychiatrische inrichting doet in het Ballardverhaal verslag van zijn eigen mentale instorting. Of doet iemand anders verslag in zijn plaats? Iemand schreef erover: ‘Is dit louter het falen van de in mentale stoornissen gespecialiseerde dokter of eerder dat van de collectieve wereld, die vanaf 1970 permanent aan sensatiebeluste media is blootgesteld?’ Komen veel aan bod: Marilyn Monroe, de Zapruderfilm van de moord op president Kennedy, oorlogsreportages uit Vietnam en de bom op Hiroshima, allemaal beelden waardoor het hoofdpersonage is geobsedeerd, en die worden beschreven als sleutels tot een nachtmerrie waarin we allemaal een rol spelen. Wereldoorlog III is ondertussen een ‘conceptuele act’ geworden, want ‘de beelden zouden weleens een heel andere rol kunnen spelen dan we denken’. En dan zijn we nog maar aan het begin. Ik heb het boek niet uitgelezen, ik heb de film uit 2000 in de DVD-speler gestoken, maar die film volgt het boek zo nauwkeurig in z’n gedeconstrueerde verhaallijnen dat ik opnieuw niet veel kreeg samengepuzzeld. Waar het me om gaat: uitgerekend dat boek stond in de tienerkamer van Ian Curtis.
 
image
 
image
 
Curtis’ tekst is overigens een nog letterlijker Tentoonstelling Van Verschrikkingen: ‘Asylums with doors open wide / Where people had paid to see inside / For entertainment they watch his body twist / Behind his eyes he says, ‘I still exist.’
 

 
De uitwaaierende Can-ritmes van Stephen Morris hebben in ‘Atrocity exhibition’ meteen meer ruimte nodig dan op het debuut ‘Unknown pleasures’, de bas van Peter Hook is solider, de gitaar van Bernard Sumner maakt op die grotere schaal grotere vlekken, de vertraag- en weerkaatseffecten van producer Martin Hannett kruipen veel meer in de muziek dan op het debuut.

Tegelijk is de tweede plaat natuurlijk niet zó verschillend van de eerste. ‘Isolation’ is de dansante partner van ‘She’s lost control’: de synths zijn ogenschijnlijk eenvoudig, de beat die 1’44” ver invalt is nog simpeler, maar noem mij één jaren 80-single van eender welke Grauzone, Gang Of Four of Orchestral Manoeuvres In The Dark die in de buurt komt. Hoe het isolement in de tekst verbeeld wordt? Via ‘Surrendered to self-preservation / From others who care for themselves’. Mogelijk ook via ironie: de tekstschrijver geeft zichzelf aan het eind een prijs.
 

 
Ondertussen dendert de plaat door. ‘Closer’ is zeer zompig in de bas (‘Passover’, ‘A means to an end’), wordt een wriemelende, dichtbevolkte wereldstad van bassen, drums en gitaren (‘Colony’) en loopt vooruit op het hardere geluid van groepen als The Wipers en Hüsker Dü van een paar jaar later (‘Twenty four hours’). De song met ‘Heart and soul / One will burn’ is een meesterwerkje dat op subliéme wijze alle ritmische kanten uit hinkt en struikelt.
 

 
En dan is er het deprimerende einde. ‘The eternal’ is een rouwstoet in tekst én klank. Producer Martin Hannett moet hier geroepen hebben: ‘Nóg een pot chrysanten.’ In de tekst gaan geliefden weg en liggen bloemen in de regen. Van achter een hek kijkt de hoofdpersoon – kennelijk versuft door het vreselijke lijden dat hij onderging – naar mensen die als wolken voorbij trekken. Troostelozer dan hier wordt het niet: klinkt alsof heel de groep eerst een week lang verplicht werd non-stop naar ‘Born to be alive’ van Patrick Hernandez te luisteren.

Afsluiter ‘Decades’ is de mooiste Echternachprocessie uit de popmuziek: ‘Watched from the wings as the scenes were replaying / We saw ourselves now as we never had seen’ klinkt als een inzicht dat te laat komt, maar vooral als een laatste zicht op Schemerland van hoog in de lucht. Van hier af wordt het echt donker.
 

 
Kijk, ik wil het best hebben over de prachtige versregels vol uitgestuurde S.O.S.-jes die beginnen met ‘Existence well what does it matter?’ of ‘I never realised the lengths I’d have to go’. Natúúrlijk heeft de tweede Joy Division een graftombe op de hoes. Natúúrlijk heet hij ‘Closer’, en dat kan ‘dichterbij’ betekenen, maar ook ‘afsluiter’. Omdat de zanger zich ophing aan z’n droogrek kennen we ‘Closer’ vooral als ‘afsluiter’, en het eightiesdecennium als één dat begon met een eindsalvo.

De man die de foto voor de hoes had gekozen dacht pas ná de zelfmoord van de jonge marmeren gigant: ‘Fuck!’ Peter Hook was de eerste die eerlijk zei: ‘Wij hebben nooit naar de teksten geluisterd.’ Deze mensen hadden gewoon een tweede plaat gemaakt, en die was uitstekend, en iedereen stond stijf van de ambitie, en Curtis hing zich op, precies op de avond voor de groep naar Amerika zou vliegen. Iemand daarover: ‘We were only 24 hours from Tulsa’.

image

Beste zelfmoordprofetie-of-toch-niet-tekst: ‘The past is now part of my future / The present is well out of hand’.

Odes aan Joy Division? Massa’s. De invloed op wat na hen komt is immens, en zit overal in de kleinste kieren en gaten: in de graphic novel ‘The crow’, in de baslijnen van R.E.M., in motto’s voorin poëziebundels, …

New Ordersingles (‘Blue monday’, ‘Everything’s gone green’, het geweldige ‘Crystal’), The Cure op ‘Pornography’, flarden Interpol… ze blijven al bij al beleefde receptiebabbels vergeleken met het Joy Divisionorigineel, dat meer op een gesprek met een goeie vriend lijkt, ter hoogte van pint 4 en sigaret 3, en nog een paar uur te gaan voor de laatste trein.

Dit groepje uit de nieuwe lichting, dat soms meer als The Sound en Siouxsie and the Banshees klinkt dan als Joy Division, raakt wel een snaar. De intro is er bijvoorbeeld al boenk op:
 

 
Een raar moment is ‘The overload’, de afsluiter van Talking Heads’ ‘Remain in light’. ‘Gemaakt zonder Joy Division gehoord te hebben, afgaande op de recensies in de Britse pers’, liet de groep noteren. Ofwel compleet gelogen, ofwel is de Britse pers geniaal, want ‘The overload’ klinkt helemaal als Joy Divisions
‘I remember nothing’ uit de debuutplaat. Nu ik erover nadenk: als er niet is gelogen, is dat geen bewijs dat de Britse pers geniaal is. Het kan bovendien zijn dat er gelogen is door Talking Heads en dat de Britse pers toch geniaal is. Waarschijnlijk zijn er nog mogelijkheden.

Een heel mooie ode aan Joy Division is van het in hedendaagse klassieke muziek gespecialiseerde ECM-label, en komt van de verpakkingsafdeling. Het gaat over het Mc Donald’s-doosje (de hoes) en zelfs niet meer over de groenten en de sauzen bij de hamburger (de producer), en dus helemaal niet meer over de essentie, namelijk wat er in het vlees en het broodje wordt gedraaid (de kwaliteit van de songs).

Soit, mag ik alsnog de mensen van ECM proficiat wensen voor de grijstinten en de esthetiek die niet zomaar aan hoezen van Joy Division doen denken? ECM gebruikt in z’n logo iets dat lijkt het lettertype van ‘Unknown pleasures’, en
onderlijnt op dezelfde manier. Eens iets anders.

image

De zelfmoordmotieven van Ian Curtis zullen we uiteraard nooit kennen. Er was het drama van een man die niet kon kiezen tussen girl next door (Curtis’ vrouw met wie hij al op z’n 18e trouwde) en iemand van de jeunesse dorée (Curtis’ Belgische vriendin). De zanger werd door zijn platenfirma aan Amerika ook beloofd als een Jim Morrisonachtige sjamaan. Dat terwijl de man zich van het ene epileptische insult naar het andere sleepte, waardoor hij mogelijk niet altijd evenveel zin had in Morrisons break on through to the other side. Voor zover ik het verhaal een beetje gevolgd heb, had Curtis niet echt plannen om een grote rockcarrière uit te bouwen.

Begin 14e eeuw schrijft Dante over ‘iemand die plotseling neervalt maar niet weet waardoor’: ‘Wordt hij door een duivelse kracht op de grond gegooid of is het een lichamelijke aandoening die mensen overvalt?’ Maar laat ik het een beetje logisch houden: de allerbeste ode aan Curtis kan moeilijk uit de 14e eeuw komen. Ik kies dus voor fellow Mancunian en bizarre grappenmaker Mark E. Smith van The Fall, die twee jaar na Curtis’ dood in de eindejaarsvraagjes van een Brits muziekblad gepolst wordt naar zijn favoriete stand up comedians, en antwoordt: ‘Ian Curtis-imitatoren’.

Twee films zijn er. Anton Corbijns ‘Control’ focust in die mate op het liefdesdrama dat ik aan het eind begon over de handigheid van een droogrek dat je kan optrekken. ‘Moeten we in investeren’, zei mijn vrouw, waarna het toch nog gezellig werd.

De documentaire van Grant Gee (die ook ‘Meeting People Is Easy’ maakte over Radiohead) is veel beter. Aan het begin zegt Tony Wilson, de man die Joy Division tekende op zijn Factory Records: ‘Manchester in de mid-seventies voelde als een stuk geschiedenis dat was uitgespuwd. Het was een van dé plekken geweest waar de industriële revolutie was uitgevonden, en dus ook de uitwassen ervan. A grimy, dirty old town.’

Ik ga van Wilson geen heilige maken: de man is een haai uit de muziekindustrie zoals zovele anderen. Plus: het verband dat hij trekt tussen de big bang van Joy Division en zijn Factorylabel enerzijds en de ravescene rond Happy Mondays en de Haciendaclub van bijna 10 jaar later zou je evengoed kunnen torpederen via het verhaal van het door de stad en door Factory uitgespuwde The Stone Roses. Als u ooit één documentaire wil zien waarin de wereld van gewoon schrijnend vervaagt in In de gloria-schrijnend, en u nooit zal weten waar de grens ligt, moet u dat verhaal eens bekijken. Zeer kort samengevat: The Stone Roses werden opgelicht door een kapper. Maar The Roses waren wel dé inspiratie voor dé biggies van Manchester, Oasis, lieden die van Joy Division niet veel moeten weten, en van de boeken van Oscar Wilde die de zanger van The Smiths las nog minder.

Dus: aan de hand van popmuziek geschiedenis willen schrijven, het is en blijft een kwestie van standing on shakey ground. En toch! De documentaire van Grant Gee begint met beelden van de industriële verpaupering in Manchester, en dus van kinderen die in het gruis spelen. Bernard Sumner zegt: ‘Ik denk niet dat ik een boom heb gezien voor ik 9 was.’

Een moderner vergezicht staat voor de heropstanding van de stad. Op het scherm verschijnt: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world, and at the same time that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’

Ik laat niks meer etteren, dus ik zoek het op. De man van de quote blijkt Marshall Berman te zijn, een in 2013 gestorven New Yorkse stadsantropoloog met een zicht op de frontlinie van The South Bronx. Een film over hem toont de uitgebrande huizen van de Bronx in jaren 70. Het ooit zeer leefbare stadsdeel was in twee gesneden door de aanleg van een stadsautostrade en metrowerken. Huiseigenaars verwaarloosden hun eigendom, de middenklasse vluchtte naar de buitenwijken. Bermans stelling: ‘De gebouwen branden aan de ene kant van de straat, de kids proberen iets te maken aan de andere kant. Net uit dát halfvernielde stadsdeel komt een boodschap voor de rest van New York in de vorm van graffiti. Op die grijze, totaal vervallen metrostellen schilderen mensen exuberante letters, namen, motto’s en reliëfs. Vandaag zijn er al die films van toen. Alles is grijs. De huizenblokken zijn uitgebrand. En dan rijdt er een trein over een brug, en die ziet eruit als een regenboog. Dat is aangrijpend. De volgende incarnatie wordt rap. Het begint bij een jongen met kleine speakers en een drumtrack in de subway. Nu is het de belangrijkste vorm van wereldmuziek. Het is goed om te onthouden dat het allemaal van daar komt. Het is een parabel voor een wijk die een ruïne was geworden, maar die opnieuw opveerde.’
 

 
Ik vlucht van de parabels over de seventiesruïnes van Manchester en New York naar de realiteit van mijn lijst, want uitgerekend dié geboorte van hiphop – die inderdaad eerst via kleur kwam, en dan via klank – is in de tweede helft van de jaren 70 echt beleefd in de South Bronx, door twee neefjes die als zeer jonge knaapjes helemaal van de andere kant van de grote appel naar de block parties afreisden. Eenmaal groot en tougher than the rest maakten ze een plaat die zich naar nummer 3 elleboogt.

Besluit: de wedstrijd om de derde plaats tussen Manchester en New York was zeer spannend. New York heeft uiteindelijk brons gehaald.

image

image