‘Spotlight on James Brown now’

 

image
 
James Brown
‘Live At The Apollo’
1962

 
 
 
Fantastische song, die met ‘Do you like good music? / That sweet soul music’ van Arthur Conley. Dateert van 1967, Otis Reddings laatste en beste jaar. Conley zet eerst de spots op Lou Rawls, Sam and Dave en Wilson Pickett, en daarna op Otis Redding: ‘Singing fa fa fa fa fa fa fa fa / Fa fa fa fa fa fa fa fa’. Laatste strofe, die hij in 1967 vaak zong in het voorprogramma van Redding op de Stax/Volt Revue-avonden: ‘Spotlight on James Brown now / He’s the king of them all, yeah’.
 

 

James Brown is de koning, laat dat duidelijk zijn. Hij is bijvoorbeeld eerst. Al vanaf 1956 kan Brown indrukwekkend singletje na indrukwekkend singletje inkaderen. Van ‘I got you (I feel good)’, ‘Try me’, ‘Papa’s got a brand new bag’ en ‘It’s a man’s man’s man’s world’ – we zouden er 10 andere kunnen opsommen – weet je nooit wat je eerst moet denken: ‘Ugh!’ of ‘Hit me!’. Die schijven zijn een serieuze aangelegenheid en een kwestie van angstzweet controleren, liefst on the good foot, tevergeefs proberend ‘Get up offa that thing’ even snel te zeggen als de godfather.

Hét scharniermoment uit Browns carrière moet ‘Live at the Apollo’ uit 1962 zijn: kale funk, rauwe blues, zeer impressionant allemaal. De instrumenten klinken verknipt zoals jazz, de trompet heeft bijvoorbeeld naar Miles Davis geluisterd, daar ben ik zeker van. Alle kopers zijn zeer scherp.

Brown zelf heerst werkelijk over de 1500 mensen die naar Harlem zijn afgezakt. Zoals bij liveopnames van The Beatles denk je al eens: waren er eigenlijk jongens in de zaal? Komt daarbij: niemand in de industrie wilde van een liveplaat weten, dus moest Brown zelf de Apollo en de smokings en de opnameapparatuur huren.

De eerste dagen wordt er nog niks opgenomen en staat er avond na avond een vrouw vooraan ‘Sing it to me, motherfucker’ te roepen. De vrouw wordt op de opnamedag als een soort ceremoniemeester gebruikt om de fans nog meer op te peppen, maar tegelijk wordt er geen microfoon bij haar in de buurt opgesteld; bien joué.

Als ‘Live at the Apollo’ uitkomt, wordt het in z’n geheel op de radio gedraaid, met commercials tussen de A- en de B-kant, en het verkoopt enorm goed. Brown kan het zwarte chitlin’ circuit voorgoed vaarwel zeggen: de stadions lonken, evenals de recepties met de president erbij, de optredens in Vietnam (voor de troepen) en in Kinshasa (een paar dagen voor de legendarische kamp Ali-Foreman).

Essentiële livebom uit 1962: het 10 minuten durende ‘Lost Someone’, een fantastisch op en neer van emoties. In de schreeuwdialoog tussen publiek en artiest zet iedereen overal perfect z’n leestekens.

De context van ‘Lost someone’? 24 oktober 1962. The Beatles wonen in Hamburg, The Apollo Theater bevindt zich op 253 West 125th Street en de song zit tussen een introductie en een medley in.

‘Don’t just say ‘Aaw’, say ‘Aaaaaaww’!

 

 

Samenzwerende getallen

 
image

Johann Sebastian Bach
Goldbergvariaties
Glenn Gould
1955 & 1981

 
 

Popmuziek is er sinds mijn melktanden, en die stonden er dik 40 jaar geleden allemaal chirpy chirpy cheep cheep-keurig in, klaar om ze om te ruilen voor sterkere exemplaren – ‘Regatta da blanc’ van The Police is een uitstekend voorbeeld. Occasioneel Radio Klaraluisteraar ben ik een dikke 10 jaar. Er staan klassieke platen in Honderd. We vallen meer dan eens door een gat in de tijd.

Klassieke muziek was, in de periode voor ik meerderjarig was, een afwezige. Hoewel: de ‘Bolero’ zat ergens in een ultra-softpornofilm.
 

 

De muziek van Beethoven kreeg een onheilspellend aura aangemeten in Stanley Kubricks ‘A clockwork orange’. De crimineel Alex gebruikt Ludwig Van vooral om te fantaseren over a bit of the old ultraviolence.
 

 

Er was Wagners ‘Walkürenritt’, dat in ‘Apocalypse Now’ van Francis Ford Coppola in verband wordt gebracht met verregaande waanzin en barbaarsheid. Uit speakers onderaan de helikopters die een Vietnambombardement uitvoeren knalt ‘Tata da daaaa da / Tata da daaaa da / Tata da daaaaaaa’. Ondertussen ontwaart luitenant-kolonel William Kilgore een perfecte branding om te surfen.
 

 

Een veel ingrijpender cinema-ervaring – en een textbook case van too much too young – was ‘Jaws’.

image

Ik zat op m’n 11e echt niet uit te vissen in hoeverre componist John Williams de twee alternerende noten van zijn hoofdthema van Stravinsky (‘Le sacre’) of van Dvořák (‘De nieuwe wereld’) had afgekeken.

http://www.whosampled.com/sample/107696/John-Williams-Main-Title-(Theme-From-Jaws)-Anton%C3%ADn-Dvořák-Symphony-No.-9,-From-the-New-World,-4th-Movement-(Allegro-Con-Fuoco)/

Het antwoord is dus: van allebei een beetje gestolen.

In Debussy’s ‘La mer’ (waarmee ik tien jaar geleden pas kennismaakte) hoor ik tot vandaag een grote witte haai gele tonnen vol lucht naar het diepe trekken. Het zou ook fantoomklank kunnen zijn.
 

 

De man die de eerste klassieke muziek maakte die ik echt als klassieke muziek herkende heet Glenn Gould. Zijn piano-uitvoeringen van 1955 en 1981 van de Goldbergvariaties van Bach (die in de 18e eeuw voor clavecimbel zijn geschreven) zijn ook de eerste klassieke muziek die ik in huis wilde hebben.

Naar verluidt werden de Goldbergvariaties gecomponeerd voor een graaf die, als hij niet kon slapen, de clavecinist Gottlieb Goldberg opdroeg de openende aria en een aantal variaties te spelen. Naar verluidt kunnen we in verband met deze anekdote niet correct antwoorden op de vraag ‘Waar of niet waar?’.

De twee Naar verluidts in de vorige alinea mag u trouwens vervangen door ‘Volgens Wikipedia’. U mag bij de Goldbergvariaties ook BWV (Bach-Werke-Verzeichnis) 988 zetten: gewoon een ordeningssysteem, een afspraak, niks belangrijks. ’t Gaat me veel minder om Bach dan om Gould, een opname-perfectionist (zeg maar: fetisjist) die tegelijk al van in de aria hoorbaar mee neuriet; in sommige variaties doet hij daarna iets dat in de buurt komt van badkamerzingen.

Over de immer boven het klavier gekromde, vanop een oude stoel zonder zitting opvallend laag over zijn instrument scherende Gould is een documentaire gemaakt die ‘Thirty Two Short Films About Glenn Gould’ heet. In korte fragmenten – variaties, zo u wil – wordt een portret getekend van deze geniale excentriekeling die niet graag over muziek praatte (maar wel over interplanetair ruimtereizen), die aan een soort smetvrees leed (bij 30 graden liep hij nog met een lange overjas en handschoenen rond) en die na een tijd niet meer wilde optreden (omdat het te luid klonk of omdat iemand in het publiek achter een pilaar niet goed kon zien).

Het schrijnendste verhaal is dat over zijn idool Arnold Schönberg die geobsedeerd was door numerologie in het algemeen en door het ongeluksgetal 13 in het bijzonder.

Toen Schönberg 65 werd, was hij bang dat hij ging sterven omdat 65 deelbaar is door 13. Een bevriend astroloog vertelde hem eerst dat hij zou blijven leven tot de cijfers een volgende keer tegen hem samenspanden. De componist dacht dat hij 78 zou worden en was gerustgesteld. Tot de astroloog hem twee jaar later liet weten dat niet alleen getallen deelbaar door 13 gevaarlijk zijn, maar ook die waarvan de cijfers opgeteld 13 vormen. Toen hij 67 werd raakte de man in paniek. Hij stierf drie maand later, op een 13e juli.
 
image
 
Vanaf de dag dat Glenn Gould 49 (4+9) jaar oud werd, sprak de dode Schönberg elke dag tot hem. Gould was niet in staat toevalligheden te aanvaarden en maakte duidelijk ook te veel overuren van bewondering voor zijn idool. Gould zou trouwens niet op z’n 49e, maar wel op z’n 50e sterven.

Op deze razend populaire muziek zijn boeken geschreven, gebouwen ontworpen en appeltaarten gebakken. Mijn favoriet Glenn Gouldmoment speelt zich af op een familiefeest midden jaren 80. Ik zeg tegen x dat ik veel naar Glenn Gould luister. ‘Een Bachverkrachter’, vindt hij. Aan het eind van het feest komt x opgewonden met de wagen voorgereden, de ramen open, op een cassette loeihard de Bach van koren, orgels, toeters, bellen en bazuinen. ‘Dát is Bach’, zegt x, en hij rijdt weg, uiteráárd met gierende banden.

Hieronder de opnamen van 1981. Op Goulds rider stond: ‘Binnentemperatuur van 30 °C’

 

 

‘I never felt better in my life’

 
image
 
The Fall
‘Hex enduction hour’
1982

 
 
Op de hoes van een overbekende singlescompilatie van Elvis Presley’s vroege jaren staan heel veel Elvissen in een kostuum van goudlamé. Titel: ‘50,000,000 Elvis Fans Can’t Be Wrong’. De iconische hoes is onmiddellijk herkenbaar en dus van meetaf aan versleten materiaal voor wie het wil parodiëren. En toch! Toen in 2004 een singlescompilatie de titel ‘50,000 Fall Fans Can’t Be Wrong’ kreeg, heb ik hard gelachen, mede omdat Mark E. Smith even vaak op de hoes staat als Elvis, maar wel in ruitjestrui. Maatje small, dat spreekt voor zich.
 
image
 

‘The difference between you and us is that we have brains / Cos we are Northern white crap that talks back’ zingt Mark E. Smith in de late jaren 70. Het noorden obsedeert hem. Home town Manchester is sowieso Noord-Engeland: met de trendy zuiderlingen van Londen wil hij niks te maken hebben. Hij is eigenlijk geboren in Salford, en da’s Manchester-Noord, waar natuurlijk veel minder zeikerds wonen dan in Zuid-Manchester. Hij is daarna in Preswich gaan wonen, en da’s nóg noordelijker Manchester. Een van de bekendste songs van The Fall: ‘Hit the North’.

Rock zonder regeltjes al eens horen pinten pakken met kunst zonder janetterij? Kunstschoolnihilisme zien aanpappen met working class-slang? Het gebeurt bij The Fall constant en overal. Wát E. Smith zingt is belangrijker dan ik vroeger dacht, maar ’t blijft vooral draaien om hoé hij ’t doet: sneren, oreren, zagen, knippen, (niet altijd) plakken, herhalen, overdonderen, alles behalve aangenaam en toch onderhoudend zijn, een gehandicapte nadoen, soms door een megafoon lijken te zingen terwijl er geen megafoon in de buurt is.

De fenomenale opener van een van mijn Fallfavorieten ‘Hex enduction hour’ heet ‘The classical’: ’t is een song waarin het vooruitgaat, waarin twee mensen drummen en die volgende flarden tekst bevat: ‘Where are the obligatory niggas?’, ‘Hey there, Fuckface!’, ‘It’s a lot of stomach gas’, ‘Where it is I can’t remember / But now I can remember / Now I can remember / Hafta hafta / Message for ya’, ‘This is the home of the vain’ en ‘Too much romantic, here!’. Het een paar keer herhaalde ‘I never felt better in my life’ speelt heel even voor refrein; in elegante en mooi gestructureerde overgangen tussen strofes en refreinen grossieren The Fall niet echt.

In een break zitten alleen bas en koeienbel en dus krijgt Smith tijd om een langere zin te maken: ‘You won’t find anything more ridiculous than this new profile razor unit, made with the highest British attention to the wrong detail’. Ik kan er niet veel over zeggen, een professor Engelse literatuur kan er niet veel over zeggen en de 20 Fallfans op de voorste rij kunnen er niet veel over zeggen. En toch vind ik het uitstekend, en de 20 fans ook. Hier en daar leeft zelfs een professor die weet dat dit groepje sinds 1978 met dergelijk spul de muzikale underground heeft doen ontvlammen.
 

 

Niet de kleinste groepen zijn van The Fall gaan stelen: Pavement bijvoorbeeld ter hoogte van ‘Conduit for sale’, dat omzeggens een cover is van ‘New face in hell’. LCD Soundsystem onder meer als ze zeggen dat ze North American scum zijn. Franz Ferdinand draagt soms een Falljas, Girls Against Boys stal hun hele garderobe. Sonic Youth deed ooit drie Fallsongs in een John Peelsessie; de vierde was een song van The Kinks die The Fall had gecovered. These New Puritans gebruiken ordinair carbonpapier.

Mocht de groep ooit een pretentieuze conceptplaat hebben gemaakt, ze had ‘Monotony and the infinite repetition’ kunnen heten (en ze zou daardoor al lang niet meer pretentieus zijn, natuurlijk), maar ik moet nu aan hun (schaarse, maar fantastische) melancholische songs denken (‘Bill is dead’, ‘Frightened’, ‘M-5’, ‘Paint work’, ‘Winter’ en – tja – ‘Early Days of Channel Führer’); aan hun covers van ‘Victoria’ van The Kinks, ‘I can hear the grass grow’ van The Move en ‘Mr. Pharmacist’ van The Other Half; aan de zogenaamde postpunkgroepen die ik vroeger beter vond dan The Fall: P.I.L., Wire en Pere Ubu (is het Ubu’s zanger die fat Captain Beefheart imitator wordt genoemd in ‘Deer park’?); aan Mark E. Smith-lookalikes ook: van ver lijkt Smith op Bekende Vlaming Rik Torfs en op Octo Tentakel uit de Spongebobavonturen, maar van dichterbij, en vanuit een andere hoek, begint de man ook iets van de oude Johnny Cash te hebben.

De nu volgende playlist is naar Fallnormen aan de zachte kant. Ik ook.