120 – 116

 

image
 
Minutemen
‘Double nickles on the dime’
1984

 
Double nickles is truckersslang voor 55 mijl per uur, de maximumsnelheid die in 1984 in Californië pas was ingevoerd. The dime is Interstate 10. Op de hoesfoto rijdt de groep met de van op de dime, en de snelheidsmeter toont precies 55 mijl per uur ter hoogte van de afslag naar home town San Pedro. Deze mensen vonden het belangrijker om hun eigen, wilde muziek te maken dan om verkeersreglementen te overtreden.

 
image
 

Minutemen betekent niet dat dit trio songs van een minuut speelde. Spreek integendeel uit: [mainjoet], klein. In de betekenis van: geen stadiongroep. Minutemen werd later fIREHOSE. Nu ik erover nadenk, Minutemen en fIREHOSE zijn punkers die eruit zien als truckers.
 

 

Minutemen stopte toen zanger/gitarist D. Boon overleed in een auto-ongeval.
 

 

fIREHOSE begon toen Ed Crawford na lang aandringen bassist Mike Watt en drummer George Hurley zo ver kreeg om de draad weer op te pikken. Ze geloofden opnieuw in hard werk, in goedkope ticketprijzen, in zelf het afgetrapte VW-busje besturen, in de abstractie en de bondigheid van Wire en in de machtige songs van Creedence Clearwater Revival, in de jazzhaiku’s die ze als vanzelf bleven schrijven, in punk als ze niet te orthodox was en er een Afrikaans gitaartje in mocht, en in funk en jazz als je erop kon pogoën.
 
 
image
 
 

image
 
Boudewijn de Groot
‘Waar ik woon en wie ik ben’
1975

 

Er staat één plaat van Boudewijn de Groot écht in Honderd. Mijn twee favoriete de Grootsongs staan daar niet op. Ze komen uit ‘Waar ik woon en wie ik ben’, plaat die de Groot maakt zonder tekstschrijver Lennaert Nijgh: moet iets geweest zijn als Sonic Youth wier prepared gitaren werden gestolen.

1. De song ‘Waar ik woon’ is een man die de voordeur van het huisje in het straatje achter zich dicht slaat, heimwee heeft naar een vergezicht en asfalt zand voelt worden. Als hij zich ver van huis waant, wijzen mensen hem de Piramide van Austerliz aan (die staat in Utrecht), ligt het Venetië van het Noorden vlakbij (kan Brugge zijn, maar ook Amsterdam), verwart hij de Sahara met een zandverstuiving en loopt hij rond in de heuvels van Klein-Zwitserland (ik heb in Nederland ooit een onnozele duinenrij met die naam gezien). In een café zingt hij mee met ‘Yesterday’, ‘Je t’aime moi non plus’ en ‘Die Gitarren und das Meer’. ‘Waar ik woon’ sluit af met de geur van erwtensoep.
 

 

2. Er is ook ‘Moeder’, dat begint met vijf seconden gamelanpercussie. De zanger denkt aan het land van herkomst, Nederlands-Indië, waar hij zijn moeder in een jappenkamp achterliet. Op de schoorsteenmantel een portret van haar, als verstilde danseres. Javaanse danseressen drukken zich vooral met hun handen uit. Je moet dat eens meemaken in Jogjakarta, terwijl dat gehamer op rare kookpotjes als warme, onophoudelijke regen over je heen komt.

Het verre carillon dat Boudewijn de Groot hoort vanuit het herenhuis doet hem aan gamelan denken: ‘Nederlands Indië / Mijn moeder / ik mis ze soms / maar ik weet er weinig van’. Van een afstand. Er middenin. Persoonlijk leed. Professionaliteit. Klasse!
 

 

 
 

image
 
 

image
 
Saturday Night Fish Fry: New Orleans Funk And Soul
Muziek van Eddie Bo, Irma Thomas, Lee Dorsey, Huey Piano Smith, Dr. John, …

 
image
 
Het heet hier Honderd, maar De Nukkige Negenennegentig was ooit een werktitel. Een Sus-en-Wisalliteratie moest en zou het zijn, en nukkig, dacht ik, past alliteratief even goed bij 99 als hardnekkig bij 100. Met dat verschil: de betekenis klopte.

Synoniemen.net zegt bijvoorbeeld: nukkig (bn): bokkig, capricieus, chagrijnig, eigenzinnig, grillig, kribbig, kronkelend, nurks, onvoorspelbaar, sikkeneurig, snibbig, vinnig, wispelturig, wrevelig.

Als ik die adjectieven keurig in alfabetische volgorde zie staan, word ik al blij. Dus! Nukkige negenennegentig! Klaar! Aan de slag!

Maar.

Af en toe komen een paar ongenode vrolijke gasten binnen, langs de achterdeur dan nog, om het nukkige feestje met een smile van hier tot ginder te gate-crashen.

Voorbeelden?

Favoriete New Orleanstracks van lang geleden. Lee Dorsey’s ‘Sitting here la la / Waiting for my Ya Ya’ bijvoorbeeld. Of ‘Iko Iko’ van The Dixie Cups: percussie met kleine stokjes, en daarboven drie vrouwenstemmen: ‘My grandma and your grandma were sittin’ by the fire / My grandma told your grandma: I’m gonna set your flag on fire.’ De verschillende kleuren waar de vrouwen het in ‘Iko Iko’ over hebben, zijn die van de Mardi Gras-indianenpakken van hún chief van hún wijk. Moeilijkste stuk uit het refrein: ‘Jack-a-mo fee-nai ne’.
 

 

Daar hoort een hele moeilijke uitleg bij, één over talen en volksverhuizingen.
 

 

De middelmatige popkwisser in mij wist tot voor kort alleen dat The Belle Stars ‘Iko iko’ hebben gecovered in de jaren 80, en ontdekt nu dat er veel covers zijn; helaas ook veel zeer slechte.

Ik herinner me ook een afwas uit 2003 en een one hit wonder uit datzelfde jaar. Andere kleuren. Andere vlaggen. Andere stad. Moeilijkste stuk tekst: ‘Uh oooh, Uh oooh!’

 

 
 

image
 

image
 
Charles Ives
‘Central Park in the dark’
1906

 

Voor de wat rare, visionaire, minder dan 10 minuten durende (en een sample van een hit uit 1899 bevattende) compositie van Charles Ives moet u naar hier.

 
 
image

 

image
 
Billy Bragg
‘Life’s a riot with spy versus spy’
1983

 

Toen Billy Bragg in 1983 de wereld bestormde met de mini-lp ‘Life’s a riot with spy versus spy’ beschikte hij over een beperkt arsenaal wapens: zijn gitaar die een elektrisch broertje was van de Woodie Guthriemachine die fascisten doodde, een voorliefde voor de debuutplaat van The Clash (in het bijzonder de song ‘Garageland’ die hij toen coverde), een paar Dr. Martensschoenen, een gewoon kapsel (in die jaren een rariteit), zijn lef in het algemeen en zijn lef in het bijzonder om de belangrijkste radio-dj van toen, John Peel, te beloven een kip-Biryani van bij de Indiër naar de radiostudio te brengen als hij zijn plaat zou draaien.

Dat laatste lukte: Bragg wérd gedraaid, iedereen kon horen dat hij geen Nieuw Engeland wilde, maar wel een Nieuw Lief, en John Peel is die avond niet met honger in de auto gestapt.

 

 
 

 

115 – 111

 
image
 
Johann Sebastian Bach
Ich habe genug
1727

 

In een song over Vietnamsoldaten zong Lou Reed ooit ‘Christmas in february’, en dat is dé driewoordenrecensie die ik zoek. Vergezocht is die vergelijking alles behalve, want deze cantate is geschreven ter gelegenheid van Maria-Lichtmis, dat 40 dagen na Kerstmis valt. Bovenaan kon u al zien dat het jaar 1727 is en dat Johann met twee n-nen wordt geschreven. De stad heet Leipzig. Soms zet ik de cantate na zevenenhalve minuut af, soms draai ik de hele mini-lp. Stel: u weet van niks. Klik vooral dán op ‘Play’.
 

 
 

 

image

image
 
The Meters
‘The Meters’
1969

 

Wie naar een cd op zoek is die de fundamenten van de (micro)funk blootlegt, kan op veel slechter plaatsen beginnen graven dan op de uitstekende New Orleansklepper ‘The Meters’ van The Meters. Op de hoes meetinstrumenten, op de plaat een samenraapsel van heerlijke Orleansgrooves die ook in de singles van Eddie Bo en Betty Harris en Lee Dorsey en Vele Anderen zitten. ‘The Meters’ komt uit de categorie ‘Hoera, geen tekst!’
 
image

 

 
 
 
image
 
 
 
image
 
Sonic Youth
‘Daydream nation’
1988

 

Sonic Youths magistrale doorbraakplaat ‘Daydream nation’ is van 1988. De plaat verlegt steentjes in de rivier van de gitaarrock, maar is niet de ernstige aangelegenheid die er dikwijls van is gemaakt.

De groep zit bijvoorbeeld al grappend te bedenken wat er kan gebeuren als je J. Mascis van Dinosaur Jr. president maakt (ik denk tv-momenten nóg eigenaardiger dan die met Ronald Reagan).

Gitarist Lee Ranaldo perfectioneert zijn LSD meets science fiction-lyrics. Bassiste Kim Gordon hijgt en fluistert een paar songs vol, ze weet ondertussen precies waar ze ‘Fuck you’ moet zeggen; hier is dat na ‘Does this sound simple?’. Drummer Steve Shelley is altijd uitstekend.

Thurston Moores bijdragen zijn zoals steeds de beste. ‘It’s an anthem in a vacuum on a hyperstation / Daydreaming days in a daydream nation’, zingt Moore in afsluiter ‘New York Trilogy’. Hij benoemt de downtownstraten waarin hij ’s nachts slaapwandelt – Broome street, Green street, de Bowery: een vrij nauwkeurig zicht op de Lower East Side en Little Italy by night.

Hij heeft weer eens een versterker aan diggelen gespeeld, er is ingebroken in zijn appartement, kerels in basketbaltenue hebben hem om 3 uur ’s ochtends in mekaar geslagen (de kans dat nachtbasketballers minder in basket geïnteresseerd zijn dan dagbasketballers is inderdaad groot), en hij heeft zich ziek gemeld op het werk.

Zijn ambitie: een ‘volkslied’ schrijven in een ‘vacuüm’ vanuit een ‘hyperstation’ – ik denk 8 jaar Reagan wegdromen vanuit het progressieve eiland New York dat ook een ultra-uitkijkpost is. Licht depressief en dromerig rondlopen en dan op je smoel krijgen kan ook.

 

 
 
 
image
 
 
image
 
Igor Sravinsky
‘Le Sacre du Printemps’
1911-1913

 

Over Igor Stravinsky’s ‘Le Sacre du Printemps (Tableaux de la Russie païenne en deux parties)’ – zo u wil: ‘De Lentewijding (Beelden van het heidense Rusland in twee delen)’ – herinner ik me:
– dat Siouxsie and the Banshees er een stuk van gebruikten om een live-plaat in te leiden
– dat ik het in Brussel hoorde spelen door een groot orkest met veel blazers, maar vooral: dat de mensen van het Tanztheater Wuppertal toen in een zandbak stonden en zaten en lagen te dansen. Aan het eind zagen de dansers er zo uit:

image

– dat de legendarische schandaalpremière in het Parijse Théâtre des Champs-Elysées het startpunt is van de film ‘Coco Chanel & Igor Stravinsky’
– dat ik in een tweedehandszaak een paar cd’s heb verruild voor een Sacre-exemplaar van Deutsche Grammophon met The Cleveland Orchestra onder leiding van Pierre Boulez
– dat die cd veel heeft opgelegen.

Maar nu is er op Youtube Smalin, over wiens Music Animation Machine ik hier al berichtte. Laat ik me beperken tot wat ik echt begrijp. De houtblazers zijn sterren, de kopers rechthoeken, de strijkinstrumenten ruiten. Ellipsen verbeelden de fluiten, cymbalen en tamtams. Pauken en andere grote trommels krijgen een aura rond een rechthoek. Het duurt niet lang voor we in een wereldstad belanden, en in een upgrade van ‘Space invaders’.
 

 

 
 
image
 
 
image
 
Bob Dylan
‘Oh mercy’
1989

 
De kunstenaar Bob Dylan breekt in de jaren 80 amper uit zichzelf. Het lijken 10 lange jaren van louter stagnatie.

Dylan zelf over die periode: ‘Altijd productief maar nooit precies, had ik mijn muzikale weg door te veel afleiding laten overwoekeren tot een jungle van wijnranken en klimplanten.’ Of nog: ‘De ramen zaten al jaren dichtgetimmerd, met spinrag overdekt, en ik maar doen alsof mijn neus bloedde.’ Ook treffend: ‘Waar ik ook kom, ik ben een troubadour van de sixties, een folkrockfossiel… Ik was wat ze noemen op m’n retour.’

Het zijn een paar zinnen uit de eerste bladzijden van hoofdstuk 4 van ‘Chronicles’, Dylans autobiografie in (lange) fragmenten. De man zit in de aanloop naar het verhaal van de opnamen van ‘Oh mercy’, een plaat uit 1989.

Dylan vindt een nieuwe techniek: ‘dynamische principes waarmee ik mijn optredens kon transformeren’. In het Zwitserse Locarno valt hij op een podium voor 30.000 mensen een ogenblik lang in een zwart gat, maar hij maakt zijn ‘eigen bezwering om de duivel uit te drijven’. Zijn hand ‘raakt onchristelijk gewond in een idiote samenloop van omstandigheden’. Hij schrijft een paar songs, maar de wil om eraan te werken ontbreekt.

De sfeer is die van totale ontreddering, weliswaar in het decor van zijn landgoed dat ’s avonds, als een vos of een coyote de paarden en honden onrustig maken, uitgeeft op een donker geuldal overwoekerd met struiken. De lichten van zijn grote huis blinken als het interieur van een casino, noteert hij ergens.

Bono komt langs met een kratje Guinness en praat hem producer Daniel Lanois aan. Dylan trekt in zijn eentje naar New Orleans; hij laat zelfs zijn gitaar thuis achter.

Als hij na opname van de eerste song van ‘Oh mercy’ de studio verlaat, funkt Lanois alles ongevraagd op: ‘Alles leek in te storten en we waren niet eens begonnen’.

In de eerste song die ‘deed wat-ie moest doen en niet alleen maar wat beloofde’ wil Lanois er koste wat het kost een cajunorkest bij. Dylan hoort Lanois’ toegevoegde lagen wel die de songs een soort karakter en doel geven, maar zijn buik gromt: naarmate songs die al van in het begin onaf lijken in de verkeerde richting evolueren, worden ze voor hem steeds onaffer.

Als Lanois het technisch niet goed vindt, geeft Dylan hem gelijk, maar houdt hij tegelijk vast aan ‘het gevoel van ontzag’ dat over de demo’s hangt.

Soms blijft een tekst vol mistige betekenissen zitten en wordt het niet het liedje dat zichzelf transformeert. Soms vindt hij geen definitieve melodie, alleen globale akkoorden. Soms loopt Dylan weg van het gedoe, om in New Orleans rond te dolen op kerkhoven, en tegelijk te beseffen dat het beste dat hem kán overkomen de ‘muziekdokter’ Daniel Lanois is, ‘die het intieme harmonische gevoel van een lied naar voren haalt’, een man die tegelijk van pure frustratie een metalen dobro aan diggelen zal slaan, en dat zonder iemand van de opnameploeg van Einstürzende Neubauten te verwittigen.

 

A bigger room

 
image
 
image
 
The White Stripes
‘White blood cells’
2001

 
 
Jack Whites favoriete song is stokoud: ‘Grinnin’ in your face’ van Son House bevat alleen handclaps en zang: ‘You know your mother will talk about you / Your own sisters and your brothers too… Don’t you mind people grinnin’ in your face’.
 

 

De White Stripessong die volgens mij het best Whites carrière samenvat heet ‘Little room’ en duurt net geen minuut. In de tweede helft zingt White iets dat lijkt op Dada daa dadadaaah da…. Nana na nananaaah ya… Nana iiii nana naiee… dita yona anna dita andaah… Instrumenten zijn in ‘Little room’ bijna even schaars als in de Son Houseklassieker: Meg White imiteert een metronoom, Jack White doet alleen zijn eigen stotterpunkblues. Eerste van twee coupletten: ‘Well you’re in your little room / And you’re working on something good / But if it’s really good / You’re gonna need a bigger room’.

In 2001 maakte ik de in rood, wit en een mespuntje zwart gestoken Jack en Meg White mee in de AB-club. In die tijd dacht ik dat ze broer en zus waren; hún verwarringsstrategie. Hun kamer was nog vrij klein. In de jaren daarvoor was ze in de garagerocksien van Detroit nog veel kleiner geweest: ‘White blood cells’ was al hun derde plaat.

In de AB allemaal mensen die dachten: ’t is van Led Zeppelin geleden dat rock nog als zo’n rauwe blues klonk. Een paar jaar later doken massa’s voetballiefhebbers op die nog nooit van The White Stripes gehoord hadden, en die dachten: ’t is van ‘Olé! Olé! Olé! Oléee!’ geleden dat het stadion nog zo daverde.

Via het onwaarschijnlijke ‘Seven nation army’ waren The White Stripes inderdaad in a bigger room beland, maar de verplichte kleuren bleven rood, wit en zwart; liveopnamen op Youtube tonen hoe hard The White Stripes in alle details met die kleurbeperking bezig waren.

Jack White heeft ooit een lucratieve deal met een firma afgewezen omdat die hun label in een ándere kleur op de hoes wilden: ‘Als ze over zoiets niet toegeven, zullen ze ons nergens willen begrijpen’.

Toegeven is niet Whites sterkste punt, inbinden ook niet. Met ProTools kan en wil hij niet werken, zegt hij: ‘Mijn collega’s doen het, waarschijnlijk hoort geen hond het verschil, maar ik moet gewoon op mijn manier van a naar b. En als dat op een oude gitaar is die moeilijker te bespelen is, of zonder alles keurig bij te schaven, is dat maar zo.’

Het tweede couplet van ‘Little room’ gaat als volgt: ‘And when you’re in the bigger room / You might not know what to do / You might have to think of / How you got started / Sitting in your little room’. White is steenrijk, en wat doet hij? Hij koopt een gigantisch pand. Basisidee: vinyl bij persen en verkopen. Komen erbij: een platenlabel, een opnamestudio, een zaal voor optredens, een ruimte waar ter plekke vinyl geperst wordt van het liveoptreden dat je hebt meegemaakt. Dat alles – ruimte waarin je staat en plaat die je koopt – in een beperkt kleurenpalet.
 

 
image