Songs of experience

 
image
 
Mark Lanegan
Field songs
2001

 

2012. De meest introverte song op Mark Lanegans hitplaat ‘Blues funeral’ heet ‘Deep dark vanishing train’. Lanegan ziet de trein verdwijnen, staat in de regen op het perron, handen op de rug. Boven alleen wat gitaargepingel en spookgeluiden uit doosjes zingt hij: ‘Lost on a violent sea / Day on endless day / I have finally freed myself / But it’s been hard to break away’.

De opener van ‘Bubblegum’ uit 2004 is ook zoiets creepy onopgesmukts: ‘When your number isn’t up’ gebruikt de metafoor van de nachtwaker die lege ruimtes controleert. Zelfs de beats klinken hier afwezig en afstandelijk. Lanegan ruikt bloed dat warm wordt. Er kruipt iets langs zijn ruggengraat naar boven, zingt hij ook. Zijn strottenhoofd is sowieso geen wilgenfluitje, en wat er in dit geval uit komt: ‘I stay close to this frozen border / so close I can hit it with a stone’. Doet aan de frozen borderline van Nico denken, aan de dood, aan een minimum aan gevoelens, aan iemand die niet meteen geneigd is om constant door het leven te What’s up-pen, aan realisme, werken, doorgaan, volgende song keihard laten rocken, en dat laatste kan Lanegan natuurlijk als de besten, evengoed naast Polly Harvey en Greg Dulli, als bij QOTSA en lang geleden bij Screaming Trees. Allemaal waar, maar vooral Lanegans blik naar binnen is mijn ding, dus is in de eerste plaats het onder de radar gebleven ‘Field songs’ van 2001 mijn ding.

Opener ‘One way street’ is een half mirakel. ‘The stars and the moon / aren’t where they’re supposed to be / but a strange electric light / it falls so close to me’ zingt Lanegan met een aan Chris Rea (jawel) verwante stem, terwijl vooral bassisten Mike Johnson (in de jaren 90 invaller bij Dinosaur Jr.) en Ben Shepherd (onlangs opnieuw aan Soundgarden begonnen) hier akoestische, elektrische en basgitaren mooier doen rondslenteren dan Boards Of Canada hun elektronica. En dan hebben we het geeneens over de piano, de meeuwengeluiden en de fluisterstemmen achter het behang gehad.
 

 
‘No easy action’ zou je gothic kunnen noemen waarin nergens iemand zijn naam in zwart en goud in de lucht schrijft. ‘When all is done and turned to dust / And insects nest inside my bones’ is niet meer dan een droog ‘Gij zijt van stof en tot stof zult gij wederkeren’. De song lijkt zich na een tijd te schamen voor zijn uptempo bijna-gezelligheid, en brokkelt uiteen in gepeins dat in ‘Miracle’ overgaat, een schor als een poolvos gezongen (en in een ijshotel opgetekende) blues. Het stuk met ‘I need someone for my plaything / So lonesome in my playground’ verraadt een intact gebleven verlangen naar een eenzaam poolvoswijfje.
 

 
‘Pill hill serenade’ is een traditionele trage, waarin Lanegans stem naar een hoger register klimt: verrassend dat dat nog lukte, na al die als toast voor de heilige geest uitgebrachte whisky’s en de ontelbare sigaretten zonder filter tussen getatoeëerde vingers.

‘Don’t forget me’ wordt een soort Screaming Trees unplugged, en doet ook denken aan de bluessong van Leadbelly die Lanegan ooit samen met Kurt Cobain heeft gecovered.

‘Kimiko’s dream house’ is vintage Lanegan aan de gemoedelijk-weemoedige kant: ‘To make matters worse, the trains are on time / We’re lost at the station, still lost in our minds’ is geen coverinterview in Poëziekrant waard, maar werkt hier prima. ’t Is een song die hij ooit samen met Jeffrey Lee Pierce schreef, hetgeen nog meer doet vermoeden dat het droomhuis van Kimiko eerder een drugs- dan een sekshuis is.

Ondertussen zijn we aan een reeks minder gemoedelijke hoogtepunten begonnen. Aan het eind van ‘Resurrection song’ hoor ik meeuwen en geweerschoten en herinneringen aan zwaar weer; denk ‘Sitting on the dock of the bay’, maar dan na een tsnumani.
 

 

In ‘Field song’ kapt een harde gitaar zich door een afvalberg weemoed. ‘Low’ is inderdaad bodeminspectie (‘If you’ve ever seen something go down / To keep in mind all of your days’), ‘Blues for D’ een instrumental die doet denken aan een lentezonnetje dat uitblijft en ‘She done too much’ bijna even kort als de zin ‘Not a thing in this world to do / except being lonely’.

Afsluiter ‘Fix’ illustreert een laatste keer hoe diep deze plaat in de grofkorrelige Amerikaanse grond is geplant, die van blues, country én folk, maar ook hoe diep Lanegan gewoontes heeft aangekweekt die zijn gezondheid schaden. Drugsplaat? Beetje of een beetje veel, naargelang wat u vooral wil horen.

‘Field songs’ brengt voor mij altijd de AB-club van 3 en 4 december 2001 in herinnering. The White Stripes speelden eerst hun songs of innocence, Mark Lanegan stond de avond erna stokstijf stil aan zijn microfoon terwijl hij zijn songs of experience voorstelde. Zijn loutere aanwezigheid deed bevriezen. Ik wist toen niet dat Lanegan in 1999 de coverplaat ‘I’ll take care of you’ had gemaakt, een veldonderzoek dat de geest van ‘Field songs’ heeft opgeroepen. Ook de song ‘Hotel’ uit 1998, waarmee de Spotifylijst onderaan begint, is familie.
 

 

Iets compleet anders. In het mini-universum van Honderd zijn we ondertussen de Top 30 binnengewandeld. Paul Verbruggen, presentator van de BRT Top 30 van 1970 tot 1980, zei ooit: ‘Of het noodzakelijk is dat de platen in een volgorde gepresenteerd worden? Voor mij hoeft het niet. Voor anderen wel! Er zijn inderdaad meer luisteraars voor een hitparade dan voor een programma met precies dezelfde platen zonder cijfervolgorde! Het competitie-element van een hitparade blijkt de stimulans te zijn.’

Ik laat mijn gedachten gaan over het competitie-element in dit project. Om Winnie de Poeh te citeren: ‘Ik probeer te denken… Maar nu ben ik het weer kwijt.’