Songs of experience

 
image
 
Mark Lanegan
Field songs
2001

 

2012. De meest introverte song op Mark Lanegans hitplaat ‘Blues funeral’ heet ‘Deep dark vanishing train’. Lanegan ziet de trein verdwijnen, staat in de regen op het perron, handen op de rug. Boven alleen wat gitaargepingel en spookgeluiden uit doosjes zingt hij: ‘Lost on a violent sea / Day on endless day / I have finally freed myself / But it’s been hard to break away’.

De opener van ‘Bubblegum’ uit 2004 is ook zoiets creepy onopgesmukts: ‘When your number isn’t up’ gebruikt de metafoor van de nachtwaker die lege ruimtes controleert. Zelfs de beats klinken hier afwezig en afstandelijk. Lanegan ruikt bloed dat warm wordt. Er kruipt iets langs zijn ruggengraat naar boven, zingt hij ook. Zijn strottenhoofd is sowieso geen wilgenfluitje, en wat er in dit geval uit komt: ‘I stay close to this frozen border / so close I can hit it with a stone’. Doet aan de frozen borderline van Nico denken, aan de dood, aan een minimum aan gevoelens, aan iemand die niet meteen geneigd is om constant door het leven te What’s up-pen, aan realisme, werken, doorgaan, volgende song keihard laten rocken, en dat laatste kan Lanegan natuurlijk als de besten, evengoed naast Polly Harvey en Greg Dulli, als bij QOTSA en lang geleden bij Screaming Trees. Allemaal waar, maar vooral Lanegans blik naar binnen is mijn ding, dus is in de eerste plaats het onder de radar gebleven ‘Field songs’ van 2001 mijn ding.

Opener ‘One way street’ is een half mirakel. ‘The stars and the moon / aren’t where they’re supposed to be / but a strange electric light / it falls so close to me’ zingt Lanegan met een aan Chris Rea (jawel) verwante stem, terwijl vooral bassisten Mike Johnson (in de jaren 90 invaller bij Dinosaur Jr.) en Ben Shepherd (onlangs opnieuw aan Soundgarden begonnen) hier akoestische, elektrische en basgitaren mooier doen rondslenteren dan Boards Of Canada hun elektronica. En dan hebben we het geeneens over de piano, de meeuwengeluiden en de fluisterstemmen achter het behang gehad.
 

 
‘No easy action’ zou je gothic kunnen noemen waarin nergens iemand zijn naam in zwart en goud in de lucht schrijft. ‘When all is done and turned to dust / And insects nest inside my bones’ is niet meer dan een droog ‘Gij zijt van stof en tot stof zult gij wederkeren’. De song lijkt zich na een tijd te schamen voor zijn uptempo bijna-gezelligheid, en brokkelt uiteen in gepeins dat in ‘Miracle’ overgaat, een schor als een poolvos gezongen (en in een ijshotel opgetekende) blues. Het stuk met ‘I need someone for my plaything / So lonesome in my playground’ verraadt een intact gebleven verlangen naar een eenzaam poolvoswijfje.
 

 
‘Pill hill serenade’ is een traditionele trage, waarin Lanegans stem naar een hoger register klimt: verrassend dat dat nog lukte, na al die als toast voor de heilige geest uitgebrachte whisky’s en de ontelbare sigaretten zonder filter tussen getatoeëerde vingers.

‘Don’t forget me’ wordt een soort Screaming Trees unplugged, en doet ook denken aan de bluessong van Leadbelly die Lanegan ooit samen met Kurt Cobain heeft gecovered.

‘Kimiko’s dream house’ is vintage Lanegan aan de gemoedelijk-weemoedige kant: ‘To make matters worse, the trains are on time / We’re lost at the station, still lost in our minds’ is geen coverinterview in Poëziekrant waard, maar werkt hier prima. ’t Is een song die hij ooit samen met Jeffrey Lee Pierce schreef, hetgeen nog meer doet vermoeden dat het droomhuis van Kimiko eerder een drugs- dan een sekshuis is.

Ondertussen zijn we aan een reeks minder gemoedelijke hoogtepunten begonnen. Aan het eind van ‘Resurrection song’ hoor ik meeuwen en geweerschoten en herinneringen aan zwaar weer; denk ‘Sitting on the dock of the bay’, maar dan na een tsnumani.
 

 

In ‘Field song’ kapt een harde gitaar zich door een afvalberg weemoed. ‘Low’ is inderdaad bodeminspectie (‘If you’ve ever seen something go down / To keep in mind all of your days’), ‘Blues for D’ een instrumental die doet denken aan een lentezonnetje dat uitblijft en ‘She done too much’ bijna even kort als de zin ‘Not a thing in this world to do / except being lonely’.

Afsluiter ‘Fix’ illustreert een laatste keer hoe diep deze plaat in de grofkorrelige Amerikaanse grond is geplant, die van blues, country én folk, maar ook hoe diep Lanegan gewoontes heeft aangekweekt die zijn gezondheid schaden. Drugsplaat? Beetje of een beetje veel, naargelang wat u vooral wil horen.

‘Field songs’ brengt voor mij altijd de AB-club van 3 en 4 december 2001 in herinnering. The White Stripes speelden eerst hun songs of innocence, Mark Lanegan stond de avond erna stokstijf stil aan zijn microfoon terwijl hij zijn songs of experience voorstelde. Zijn loutere aanwezigheid deed bevriezen. Ik wist toen niet dat Lanegan in 1999 de coverplaat ‘I’ll take care of you’ had gemaakt, een veldonderzoek dat de geest van ‘Field songs’ heeft opgeroepen. Ook de song ‘Hotel’ uit 1998, waarmee de Spotifylijst onderaan begint, is familie.
 

 

Iets compleet anders. In het mini-universum van Honderd zijn we ondertussen de Top 30 binnengewandeld. Paul Verbruggen, presentator van de BRT Top 30 van 1970 tot 1980, zei ooit: ‘Of het noodzakelijk is dat de platen in een volgorde gepresenteerd worden? Voor mij hoeft het niet. Voor anderen wel! Er zijn inderdaad meer luisteraars voor een hitparade dan voor een programma met precies dezelfde platen zonder cijfervolgorde! Het competitie-element van een hitparade blijkt de stimulans te zijn.’

Ik laat mijn gedachten gaan over het competitie-element in dit project. Om Winnie de Poeh te citeren: ‘Ik probeer te denken… Maar nu ben ik het weer kwijt.’

 

 

Zorg dat je olifantenpijpen draagt

 
image
 
Nick Drake
(Bryter layter 1970)
Pink moon 1972

 

Kitsch!

Musicals zijn kitsch. Weekendfilms ook. En Jeff Koonskunst. Rococo niet vergeten. Grote, betraande manga-ogen. De oooh’s bij het zien van pas geboren poesjes. Homo’s in gesprek over ABBA. Koningshuizen.

Ik zou kunnen zeggen: ik haat kitsch. Maar wat is de youtubevideo hieronder anders dan pure, onversneden kitsch?
 

 

‘Northern sky’ dus. Voorlaatste song vanop ‘Bryter layter’, Nick Drakes tweede van drie platen.

Vandaag duurt het even voor ik mijn notities van twee jaar geleden bij ‘Bryter layter’ begrijp: ‘Londen. Irritante, soms haast ondraaglijke altsax.’

De tekst van opener ‘Hazey Jane II’ verklaart meteen Londen. Nick Drake (geboren in Rangoon, Birma in 1948 – gestorven in Tanworth-in-Arden in 1974) is naar de grote stad verhuisd na een jaar of twee op de universiteitscampus van het overzichtelijke Cambridge, waar zijn maten net als hij te veel joints roken, en in de muziekclub naar Edward Elgar en Fairport Convention luisteren.

Drakes debuut ‘Five leaves left’ is commercieel geflopt, en hij is nu Cambridge drop out en fulltime muzikant.

Primaire waarneming van Londen: haar bevolkingsdichtheid: ‘And what will happen in the morning when the world it gets so crowded that you can’t look out the window in the morning’. Zin 2 is een goeie, zelfrelativerende grap die terugkoppelt naar landelijker gebieden. Enfin, dat denk ik toch: ‘And what will happen in the evening in the forest with the weasel with the teeth that bite so sharp when you’re not looking in the evening’. ‘Hazey Jane II’ is naar Drakenormen uptempo, bijna-vrolijk.
 

 

Die ‘ondraaglijke’ sax dan. Mocht tijdreizen ooit iets saais worden en dus een discipline zijn waarin het meeste nuttige wereldoplapwerk al is gedaan – ik bedoel: Hitler en Stalin zijn omgebracht er er is zelfs naar het Tanworth-in-Arden van 24 november 1974 afgereisd om Nick Drakes noodlottige antidepressiva te jatten – dan pas mag u checken of er al naar 1970 en naar de Londense Sound Techniques-studio is geflitst om een handdoek te proppen in de irritante altsax van ‘Poor boy’. Zó dringend is het dus niet.

Aan de minkant van Drakes tweede plaat zitten ook een constant aanwezige piano, de quasi overal opgelegde jazzgezelligheid en drie instrumentalen die zich meer tot fingerpicking hadden mogen beperken.

Aan de pluskant torenen er zeven wereldsongs bovenuit, die in hun geheel genomen de zeven meest hoopvolle en positief denkende zijn uit de korte carrière van deze schuchtere, koppige, onnavolgbare bard. Na wat oefenen lukt het perfect de twee enige instrumenten van echt onschatbare waarde eruit te filteren: de gitaar van Nick Drake en de stem van Nick Drake.
 

 
Drakes afsluiter ‘Pink moon’ en de wondermooie demo’s die postuum zijn uitgebracht zijn veel meer herfstachtig verval, en veel minder lente-achtig herstel dan ‘Bryter layter’, en voelen comfortabeler aan in een verhaal waarvan je weet: komt geen happy end aan. ‘Bryter layter’ is eigenlijk ’s mans hardste plaat, ook omdat je dat optimisme hoort in de poging van de overijverige producer… tja, om er een succes van te maken, zeker. Wisten ze toen veel dat er alleen postuum roem te vergaren was.

Mijn favoriete tekstfragment van ‘Bryter layter’: ‘Things I say / may seem stranger than sunday / changing to monday’.

Het isolement bondig verbeeld: ‘Stay indoors / Beneath the floors / Talk with neighbours only’.

Moment dat illustreert hoe deze man buiten de reguliere tijd lijkt te leven: ‘Do you feel like a remnant / Of something that’s past? / Do you find things are moving / Just a little too fast?’

Mag ik ook een humoristisch Grieks koor aanstippen dat boven het klagerige ‘Poor boy’ zingt: ‘A poor boy, so sorry for himself’. Of iets over de Londense modepolitie: ‘See your trousers don’t taper’, zorg dat je broekspijpen niet taps toelopen. Met andere woorden: draag olifantenpijpen zoals iedereen toen in Londen. Scoop: Nick Drake was een zichzelf relativerende, de samenleving ironisch in de tang nemende grapjas!

De plaat heet trouwens ‘Bryter layter’ omdat weermannen op tv het zo uitspraken.

 
image
 

Twee jaar na ‘Bryter layter’ komt ‘Pink moon’. Het is de plaat die de eindsprint inzet. ‘Pink moon’ wordt soms half gemurmeld. ‘Pink moon’ kan zichzelf verdedigen. Het is vooral ‘Pink moon’ dat op 29 staat. Wie in verband met ‘Pink moon’ van niks weet, … nee, dat kan en mag gewoon niet.

Een voorbeeld? Iets illustratiefs? Een lokkertje? Vooruit dan! Even onvatbaar als Drakes op deze plaat ronduit verbluffende gitaargetokkel is de tekst van ‘Know’: ‘You know that I love you / you know I don’t care / you know that I see you / you know I’m not there’.

‘Pink moon’ is het absolute tegendeel van kitsch.

 

 

Zéér, zéér donkergrijs

 
image
 
Dmtri Sjostakovitsj
7e symfonie
1941

 

Ik zou kunnen zeggen: ‘Ik vind de 7e symfonie van Dmtri Sjostakovitsj geweldig tot uitstekend, maar weten waar ze over gaat, dat zal nooit lukken’. Punt. Opstel af. Nog iets aanklikken op de redactie.be. De vuilniszak buiten zetten. Slaapwel.

Maar ik ben klaarwakker. Ik maak eerst een résumé van nummer 109, plek waar we Sjostakovitsj’ 5e symfonie tegenkwamen:

Sjostakovitsj’ springerige 4e orkestwerk werd een paar dagen voor de première door de componist wijselijk in de lade opgeborgen, want in de Pravda was op voorspraak van de dictator Jozef Stalin over een populaire opera van hem geschreven: ‘Dit is spelen met duistere dingen, dat kan heel slecht aflopen.’

Zijn 5e grote klepper uit 1937 krijgt de ondertitel ‘Het Creatieve Antwoord van een Sovjetartiest op Terechte Kritiek’ en wordt een groot succes.

De 6e symfonie uit 1939 wordt door Stalins stromannen dan weer gekraakt: ‘De massa zal niet worden meegesleurd door deze kleinburgerlijke verkramping om volgens de methodes van de geforceerde vernieuwing originaliteit voor te wenden’.

In de jaren voor Hitler de Sovjet-Unie binnenvalt leven alle Ruskis onder het juk van de grote dictator. Iedereen is bang. Niemand durft nog te zeggen wat hij of zij denkt. Zelfs aan vrouw of broer vertel je beter niks. Aan man en zus evenmin.

We zullen nooit weten hoeveel miljoen politieke gevangenen door Stalin vermoord zijn. We zullen nooit helemaal zeker weten of het de waarheid en niets dan de waarheid is dat een 9-jarig meisje voor 10 jaar de Goelag in moest omdat ze een westers liedje had gezongen. Je moet altijd nuanceren: het zou kunnen dat het meisje net 10 was geworden, of voor 15 jaar werd weggestuurd, of na een half jaar al stierf van ontbering.

We weten dat de componist Dmtri Sjostakovitsj een tijdlang ’s avonds buiten rookte en zich in de gang bij de voordeur te slapen legde om z’n kinderen het moment te besparen waarop de Geheime Politie hem zou komen halen. Can I dig it? No, I can’t!

Getuigen spreken over een periode waarin je je verdriet met niemand kon delen. Al wie niet positief stond tegenover de Stalinwaanzin kon worden weggevoerd. Tiens, klonk Sjostakovitsj’ 5e (gemaakt in dé terreurjaren ’36-’37) niet zeer optimistisch en zeer opgewekt? ‘Onder dwang opgewekt’, zou de componist er later over zeggen. Zóu zeggen, werd gefluisterd, want het staat in het in 1979 – 4 jaar ná Sjostakovitsj’ dood – verschenen ‘Getuigenis’ van de musicoloog Solomon Volkov. ‘Getuigenis’ is een samenraapsel van ‘controversiële’, ‘op z’n minst aangedikte’ vraaggesprekken met de componist. Die controverse is vandaag enigszins voorbij: volgens de meeste mensen die het toen meemaakten zit in het boek veel meer dan louter een kern van waarheid.

Plus: we hebben nog steeds oren. Het korte beginthema van de vijfde is catchy, maar donker. Ja, er zit een walsje in de symfonie, er wórdt gemarcheerd, maar het largo is louter pijn en ontreddering en het hoogtepunt van een bij momenten zéér creatief, vol parodieën zittend fuck you van een Sovjetartiest richting alles behalve gerechtvaardigde kritiek. Naar het schijnt wist de componist bij de première pas tijdens de lange staande ovatie dat hij in leven zou blijven. Hij wist zich dus gered door een applausmeter.

Maar! Kijk, ik ben me enigszins gaan verdiepen in deze geschiedenis. Stalin een klootzak? Buiten categorie. Maar als Sjostakovitsj in 1936 buiten bang staat te roken blijkt dat achteraf gezien onnodig. De negatieve Pravda-recensie was voor de componist niet meer dan een waarschuwing. Stalin vond Sjostakovitsj’ filmmuziek (zeemzoeterige propaganda, ik kan er geen twee minuten naar luisteren) fantastisch. Al wie in 1936 alsnog moeilijk werk maakte in de trant van Sjostakovitsj’ 4e of in dat jaar kritiek had op het regime heeft het jaar 1938 niet overleefd, dat is waar. Maar met Sjostakovitsj had het regime duidelijk plannen.

Een hoop 20e eeuwse componisten schreven werk dat veel moeilijker is te vatten dan het werk van Sjostakovitsj – Béla Bartók is een uitstekend voorbeeld – maar ik ken geen componist over wiens leven en werk afhankelijk van de bron zo verschillend werd geschreven: ‘toegewijde functionaris’, ‘dissident’ – ‘lafbek’, ‘held’ – ‘overtuigd communist’, ‘liberaal’ – ‘toeter van de dictator’, ‘stem van het verzet’ – ‘opportunist’, ‘aan de kant van de verdrukten’ – ‘formalist’, ‘kopie van Mahler’ – ‘te moeilijk’, ‘te makkelijk’, …

Tegenstrijdigheid na tegenstrijdigheid bleef in getuigenissen opduiken; de strijd ging lang door. De 7e symfonie is het grootste, bekendste, belangrijkste Sjostakovitsjwerk geworden. Het is een prachtige berg in het klassieke muzieklandschap, maar ook het beste vertrekpunt om een portret te schetsen van de verkeerd begrepen kunstenaar en van zijn af- en aangevecht met een zeer machtige dictator.

Geen betere ‘Terug Naar Start’ dan de plek waar we gebleven waren: bij de zwijgende, in zichzelf gekeerde, voor iedereen die op straat rondliep doodsbange Sovjetburgers. In 1941 vallen de klotenazi’s hun land binnen. Alle ogen zijn vanaf 8 september 1941 gericht op Leningrad. We weten met zekerheid dat in Leningrad tijdens het 871(!) dagen durende beleg omzeggens 1 miljoen mensen zijn gestorven. Mensen aten hun huisdieren op, dat zal ook wel waar zijn. Er was sprake van kannibalisme. Tja. De ellende was alvast immens.
 
image

image

En let nu op! Sjostakovitsj, die al schetsen van het eerste, zeer lange deel van de 7e symfonie af heeft – en dus niet, zoals de mythe wil, héél zijn symfonie in het belegerde Leningrad heeft geschreven – zit in de periode voor de nazi-aanval even hard vast in werk en leven als de mensen rondom hem. Maar het beleg verandert alles. De vijand komt nu van buiten af, en vreet niemands binnenste meer aan. Mensen praten opnieuw tegen elkaar, al is het maar om te vragen waar de lijken mogen worden achtergelaten.

De componist, die letterlijk(!) zijn vrij goed verdiende brood deelt met de mensen, biedt zich aan bij het leger, maar wordt tijdens een E-P-X-B-T-M-oogtest (men heeft ginds een ander alfabet) al vanaf de tweede regel geweigerd. Hij zal met een conservatoriumbrigade loopgraven aanleggen, en wordt door de propagandamachine ook als brandweerman uitgestald. Het kan hem niet meer schelen dat dat gebeurt, het patriottisme is opnieuw in hem gevaren, en hij begrijpt dat hij van nut kan zijn als topcomponist.

Een groot deel van de 7e symfonie ís in Leningrad geschreven, in de eerste maand van het beleg. In een mum van tijd heeft Sjostakovitsj deel 1 geüpgraded; hij heeft de ontreddering onder Stalin gemorpht met de bommen van Hitler. Over het 2e en 3e deel doet de man nog een paar weken, periode waarin hij overdag zijn burgerdienst doet en plichtbewust poseert voor de propagandacamera’s.

De meeste Sovjetkunstenaars worden door het regime bewust aan het front gehouden, maar het gezin Sjostakovitsj wordt uiteindelijk eind september 1941 in Koejbysjev in de Oeral in veiligheid gebracht. De partijkaders moeten gehoord hebben dat er een klepper aankwam. Sjostakovitsj is nu een Sovjet-VIP. In de Oeral wordt de 7e voltooid en een eerste keer opgevoerd in maart 1942.

Ook in het nog steeds belegerde, compleet uitgehongerde Leningrad wordt een concert georganiseerd. De leden van het Leningrad Philharmonisch Orkest zijn naar Novosibirsk geëvacueerd en kunnen onmogelijk terug. De 14 overlevende leden van het plaatselijke radio-orkest worden aangevuld met soldaten en officieren die een instrument kunnen bespelen. Ze komen met hun wapens rechtstreeks uit de vuurlinies, gelokt door de belofte van dubbel rantsoen tijdens de repetities van dit meer dan een uur durende stuk.

De dag van het concert, dat ook op de radio wordt uitgezonden, banen geïnteresseerden zich, op gevaar voor eigen leven, te voet van de andere kant van de stad een weg naar de zaal. De dag zelf is er nog hevig gebombardeerd, maar er wordt met de nazi’s een staakt-het-vuren bedisseld zolang het concert duurt. Het is een verbijsterende ervaring voor publiek (en muzikanten), die een kroniek van hun eigen leven horen (of van de partituur aflezen). Het lange eerste deel is voor een groot stuk een soort Bolero verkneed met een militaire mars, maar ik kan elke heteroseksuele man garanderen: aan de tieten en de vlechtjes van Bo Derek in de film ‘Ten’ zal u niet veel moeten denken. Dit is de symfonie als oorlogsverslaggeving, van een ooggetuige en een medeslachtoffer. De 7e wordt in een Russische krant ‘het eerste werkelijk monumentale werk van de Sovjetkunst’ genoemd.

Een Duitse generaal die via de radio had meegeluisterd zou achteraf gezegd hebben: ‘Ik wist die avond dat we de stad nooit zouden innemen.’ Die anekdote kan evengoed uit de weekendfilmversie van de feiten komen.

Wacht, het is nog niet gedaan. Een door de ring van Duitse bezetters heen gesmokkelde microfilm van de partituur komt via Teheran en Caïro in het geallieerde westen terecht en wordt tot in Brazilië als oorlogssymfonie uitgevoerd. In haar bezwerende onweerstaanbaarheid wordt het eerste half uur symbool van strijd en overwinning. Na de bevrijding wordt het verjazzt door de remixers van toen, en zelfs als ballet gedanst. In Amerika worden vanaf 1942 al 62 optredens georganiseerd, het concert in New York wordt op de radio uitgezonden en bereikt 20 miljoen mensen. Sjostakovitsj is, mede door een bizarre brandweermantekening op de cover van Time Magazine, heel het grootse, tragische Russische volk gaan vertegenwoordigen. De cover ziet er zo uit:

image

Bij onderstaande zwartwitfoto staat: ‘Fireman Shostakovich: Amid bombs burning in Leningrad, he heard the chords of victory’.

image

En toch was het voor een groot deel slechts medianieuwsgierigheid naar die onbekende geallieerde die meevocht tegen Hitler. Over de ellende van Stalinland was in het westen weinig geweten, en wie er wel iets van wist speelde gewoon mee stratego op de geopolitieke kaart. En dat is allemaal hard en verschrikkelijk, maar ook normaal, want de vijand heette tenslotte Hitler, en niemand kon toen weten dat die ging verliezen.

Wikipedia: ‘De interpretatie en de ontstaansgeschiedenis van het werk worden nog steeds bestudeerd, bekritiseerd en gemanipuleerd.’

Omdat de 7e symfonie tijdens Wereldoorlog II moed gaf aan alle geallieerden en na de bevrijding overal werd opgevoerd (en inclusief foto’s van huilende mensen en staande ovaties aan de bevolking werd opgediend), dacht men lang: Sjostakovitsj was embedded in het propagandaleger van Stalin.

Omdat met het verschijnen van ‘Getuigenis’ van Solomon Volkov in 1979 een ander licht scheen op de componist, gingen sommigen in hem een verzetsheld zien, en overal sporen van anti-Stalinisme in zijn werk zoeken. Alweer niet correct!

Als ik naar het oeuvre van Sjostakovitsj luister, een berg waarmee ik jaar na jaar meer en meer vertrouwd ben geraakt, denk ik: de zoon van de componist zei iets heel zinnigs: ‘Mijn vader antwoordde altijd iets om ervan af te zijn. Hij wilde gewoon verder met componeren.’

De Schönbergs en de Hindemiths dezer wereld vonden de symfonie trouwens te belachelijk voor woorden. Rachmaninovs reactie zou zijn geweest: ‘Iemand nog een kopje thee?’. Béla Bartók, die voor de nazi’s is moeten vluchten vanuit Hongarije en zonder enige hoop op groot succes in New York overleeft, hoort 3 jaar voor zijn dood de 7e van Sjostakovitsj op de radio voorbijkomen, en wordt kwaad. Hij maakt het voor hem veel te simplistische marsthema belachelijk in zijn Concert Voor Orkest. Misschien stond Bartók veel verder in het gesprek dat hij muzikaal voerde met de avantgardisten. Het is waar dat Sjostakovitsj veel makkelijker muziek maakte. Maar misschien was Bartók ook jaloers op de superster Sjostakovitsj, die als een soort U2 over de radiogolven surfte terwijl hijzelf een pak minder populair was dan Joy Division.

Niet onbelangrijk: Bartók heeft de versie van het concert in New York gehoord, van een symfonieorkest onder leiding van Arturo Toscanini, een man die Sjostakovitsj een bandopname van de opvoering stuurde. Reactie van de componist: ‘Alles is er verkeerd aan. De geest, het karakter, het tempo. Het is slordig hap-snapwerk.’

Dit op zich vrij futiele muzikantenconflict doet mij aan de siamese gevechtsvissen denken uit de prachtige film ‘Rumble fish’. De vissen zijn zelfs in staat hun eigen spiegelbeeld aan te vallen. Ik herinner me ook dat een paar van die vissen aan het eind van de film in een rivier worden losgelaten en mekaar daar niet bekampen. Als je Bartók en Sjostakovitsj had vrij gelaten was dit nooit gebeurd. Maar ja, het was 1943, iedereen zat gevangen aan zijn kant van het glas. Ik ga ophouden met hier de halve zoolpsycholoog uit te hangen in verband met twee lang geleden gestorven reuzen van artiesten.

Eén ding nog: met de supersterstatus van Sjostakovitsj is het – tegen de tijd dat Bartóks Concerto wordt opgevoerd – alweer afgelopen, want de kat Stalin heeft de muis Sjostakovitsj in het vizier, en de muis geeft zich niet snel gewonnen. Maar daarover hoger in ‘Honderd’ meer.

Ik heb het amper over de muziek gehad, die ik nochtans tientallen keren heb beluisterd, in de metro, in de living, lezend en meedenkend, verbijsterd luisterend, hier en daar vergeefs een traantje onderdrukkend.

Ik zou u kunnen vertellen waar de fagot na een bombardement op zoek gaat naar een overlevende, waar ik spijt heb dat ik een samplestuk ken dat de Duitse rapper Peter Fox heeft gebruikt (omdat dat hiphopnummer dat ik dan hoor mij uit concentratie brengt), waar hoge torens van hoop en moed worden opgehapt door de oorlog, waar omgekeerd een treurmars naar hoop wordt gekatapulteerd, waar een gouden medaille wordt uitgereikt in de wedstrijd Ontredderd Volk, waar een stuk van een stuk terecht ‘Moderato risoluto’ heet (dat ik zeer vrij zou willen vertalen met vastberaden, maar in de lage registers), waarom goed 7 minuten ver in deel 3 een energiek, ja zelfs vrolijk tussenstuk zit (Sjostakovitsj’ grote talent is: op sublieme manier de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen), waar ik in onderstaande youtubeverfilming van een concert in Catalonië heb kunnen nagaan welke instrumenten de oorlog en welke de hoop van de mensen verbeelden… Maar weet u, ik kan naar die verfilming van zo’n concert maar één keer kijken, en ik wil voorlopig nooit een opvoering van deze 7e zien in een zaal met allemaal weldoorvoede muzikanten die ik natuurlijk nog niet wil beginnen te bekritiseren omdat ze enthousiast zijn, op de speelse details letten, en alles tot in de puntjes hebben gerepeteerd. Alleen, op die manier hoor ik te weinig.

Ik zet het beeld liever uit, duffel mezelf virtueel in en reis af naar het gelukkig volstrékt virtuele, belegerde Leningrad van 1941. De halve eeuwigheid van bewondering voor deze rotgetalenteerde componist komt daarna vanzelf. Want waar dit stuk volgens mij vooral over gaat? Over een man die de overlevende lafbek én de eerlijke held in zichzelf kende en die bovendien besefte dat het toeval was dat hij nog leefde, en die – ondanks alles – bleef componeren in grijstinten die er van hem in deze oorlogsjaren zeer, zeer donkergrijs mochten uitzien, maar nergens zwart mochten worden.

Als ‘me nietig voelen naast een kunstwerk’ het criterium van ‘Honderd’ was geweest, dan zou deze 7e symfonie, aangevuld met het largo van de vijfde, met stip naar de top-5 stijgen.