The fuckin’ dungeons of rap

 
image
 
Nas
Illmatic
1994

 

Het eerste grote hiphopinterview in een groot medium stond in de New York Times van 21 juli 1971. Acht jaar voor ‘Rapper’s delight’ ging de krant in gesprek met TAKI 183. Een rapper? Nee, een graffitispuiter. Correctie: TAKI gebruikte stiften met onafwasbare inkt. De toen 17-jarige Amerikaanse Griek, die in het echte leven Demetrius heette (en zijn roepnaam Demetraki tot TAKI had afgekort), liet in heel New York zijn elementaire tags achter. Bij de schoonmaakploegen van de New York City Subway zullen ze trouwens niet gelachen hebben: het artikel veroorzaakte behoorlijk wat copy cat behaviour. Demetrius vond zichzelf geen artiest, stopte met taggen toen hij van school af kwam, en ging in een kerncentrale werken. Zijn kinderen waren verbaasd toen ze in de 21e eeuw vernamen dat hun vader een legende was. De man beweerde dat hij altijd met een Magic Marker op zak is blijven rondlopen.
 
image

Doe uzelf een plezier en bekijk onderstaande trailer van de film ‘Wild Style’, die uitkwam in 1983. De eerste levensjaren van hiphop worden erin verbeeld. Plaats waar dit genre voor galg en rad opgroeide in een tijd waarin het nog lang niet de wereld had veroverd: de South Bronx. Overal stedelijke ruïnes. Daardoorheen regenboogtreinen vol graffiti, die aan de binnenkant vol tags zitten; sommige misschien in onuitwisbare TAKI-inkt.

In plaats van gewoon rond te hangen beginnen jongeren die niet met de spuitbus in de weer zijn eerst te scratchen en te breakdansen, later te mc’en. Een tekstfragment uit de muziek van de trailer gaat over die South Bronx: ‘To a lot of people it’s a living hell / full of frustration and poverty / but wait, it’s a challenge, an opportunity / to rise above the state of debris’. De film kwam uit dik tien jaar voor Nas’ ‘Illmatic’.
 

 

Fast forward naar 1994. Als wát voor een splinterbom het debuut ‘Illmatic’ van de toen 21-jarige Nas (geboren Nasir Jones) is ingeslagen in New York, waar de hiphopincrowd aan de hand van geloste demo’s – ja, zelfs van vooruitgeschoven singles – wist dat een nieuwe koning was opgestaan, niet gewoon in de Queensbridge housing projects (die Nas to the fullest representte), niet louter in het zoveel grotere Queens, maar in héél fuckin’ New York?

Als wat voor een splinterbom?

Ik zal het u proberen uit te leggen.

Ik zal het u proberen uit te leggen aan de hand van de intro ‘Genesis’, waarin een stuk geciteerd wordt uit die graffitifilm ‘Wild Style’. De oudere broer van graffitikunstenaar Zorro vindt z’n jonge broer een loser en zegt tegen ‘em: ‘There ain’t nothing out here for you’. Waarop Zorro antwoordt: ‘Oh yes, there is… this’, waarmee hij graffiti bedoelt.

‘Yo, Nas’, vraagt een homie, ‘What’s this bullshit on the radio?’, en Nas’ antwoord klinkt als een lange ‘Ach’, die bestaat uit Chill en Knamsaying – kort voor know what I’m saying.

Jacksons (briefjes van 20) en Grants (50 dollarbiljetten) worden geteld, Hennesey wordt gedronken. In alle 9 songs die volgen wordt trouwens serieus gezopen, al heet de drank hier en daar Henrock, Moet, 40 oz.; omdat Nas tijdens het schrijven van de plaat nog geen 21 is stuurt hij altijd zijn crew naar de winkel. Phillies worden óók aan de lopende band gerold; ze heten soms buddhas, reefers of blunts.

En dan zegt Nas’ maatje: ‘We need to let them niggas know it’s real man’, waarop Nas: ‘When it’s real, you’re doing this even without a record contract, knamsaying’, waarna ik even niet meeluister met dit telefoongesprek tussen Nas en crew…

Dat niet meeluisteren betekent eigenlijk dat ik altijd wacht op de laatste zin: ‘Niggas don’t listen, man, … it’s illmatic’, wat waarschijnlijk betekent dat Nas én bovennatuurlijk getalenteerd is, én dat het bij hem allemaal volautomatisch gaat. Later op de plaat zal hij rappen: ‘I’m as ill as a convict who kills for phone time’. De man weet heel goed welke wereld hij represent.

En dan! Dan vertrekt ‘New York state of mind’, mogelijk de beste hiphoptrack uit de geschiedenis van de hiphop, sloom op een beat van DJ Premier: ‘Straight out the fuckin’ dungeons of rap / Where fake niggaz don’t make it back’. Nas rapt ook: ‘I don’t know how to start this shit’, en dat is niet gewoon een retorische truc of valse bescheidenheid, nee, Nas maakt in 1994 zowat de eerste alomvattende scan van een rapper binnen zijn crew in zijn wijk in zijn stad, en die scan is aanzienlijk groot.
 

 

‘Illmatic’ is niet langer een verzameling CNN-soundbites voor zwarten, zoals Public Enemy zich noemde. Dit is geen nieuwsuitzending meer. Dit is, voor wie tussen de regels van de in het genre verplichte opschepperij leest, een realistische, goeie autobiografie met stadsportret, a story from the real. Lijkt al een beetje op het drugsdealers-on-them-corners-deel in de serie ‘The wire’.

Nas doet op ‘Illmatic’ van alles wat: hij schrijft brieven naar een bevriende gevangene en praat met diens vrouw die hem met hun beider zoon weigert te gaan bezoeken, maar die ondertussen wel met iemand van een rivaliserende bende heeft aangepapt.

Nas droomt er als gangster net als Stringer Bell in ‘The wire’ van om in vastgoed te investeren. Ook knap: als hij achtervolgd wordt belandt hij in een hotellobby tussen kinderen; een hachelijke situatie. Hij ziet de rap game in een crack game veranderen, en is zelf ook niet meteen your legal kinda fella. Maar hij gebruikt liever zijn gezond verstand dan 3 tot 9 jaar te gaan brommen of klakkeloos de toen zeer populaire Nation Of Islamaanhangers te geloven.

De vertelling zit overal vol woordspelletjes en dubbele bodems, Nas heeft een uitstekende cadans en flow en gaat soms zo snel dat er, om hem te begrijpen aan het handje van de gids (rapgenius.com, wie anders?), al eens gepauzeerd moet worden, of enorm veel keren geluisterd.

Ik geloof de piepjonge, vroegrijpe Nas meestal, behalve als hij overal en altijd rapt dat hij stoned en dronken rondloopt. Als dat waar is, is zijn allergrootste talent: die waas onderdrukken en toch to the point blijven.

In 1994 ook volstrekt nieuw: ‘Illmatic’ is een hiphopplaat die niet het stempel draagt van één producer. Even tellen: DJ Premier (tegen wie Nas Primo mocht zeggen), L.E.S., Pete Rock, The Large Professor en veruit de herkenbaarste (want hij zingt zelf het korte refrein van ‘One love’): Q Tip van A Tribe Called Quest. Dat zijn vijf (!) producers met elk hun voetafdruk op de plaat.

Hoogtepunten: alles. Elk jaar heb ik andere favorieten: de Michael Jacksonsample in ‘It ain’t hard to tell’, de basketbalritmes in ‘Halftime’, de door Nas’ vader gespeelde droevige trompet aan het eind van een track die de gettofilosofie in één zin vat (‘Life’s a bitch and then you die’), de catchyness van ‘The world is yours’, ‘Represent’ dat vandaag in repeat gaat en nooit eerder mijn favoriet was…
 

 

Nas, mijmerend over toen: ‘Time was… grey New York skies in the winter and fall, sunny humid days and nights in the summer. The way they are today. But we had more original dreams. You wouldn’t see it online, you wouldn’t see who you wanted to be on tv that much, you wouldn’t see it, you were dreaming. And you had al lot of kids with a lot of imagination, like myself.’

Overigens, de voor mij meest herkenbare Nas-zin is ‘Never put me in your box if your shit eats tapes’. Gaat over de blues die komt nadat cassettebandjes vastlopen.

Iets anders. ‘Hitlijsten. Ik maakte ze zelf’, schreef journalist Marc Mijlemans ooit, herinneringen ophalend aan de puberkamer. ‘Met de volgorde mocht niet lichtzinnig worden omgesprongen: 37 moest beter zijn dan 38, 16 minder sterk dan 15.’

Ik ben beland bij 37, dat beter moet zijn dan 38. De appel Nas beter dan de citroen Arvo Pärt? Waar ben ik op mijn 49e mee bezig? Om half 6 in de ochtend dan nog!

Au suivant!