Een klaagzang van donkere bastonen

 

De tweede helft van ‘Honderd’ gaat beginnen. U mag ook b-kant zeggen. Ooit was er een groep die The Other Half heette. Die roepnaam is ook toegelaten.
 
image
 

U heeft ook nog een overzicht te goed van de oktoberplaten, en dat zijn die van 70 tot en met 51:

70. Neil Young and Crazy Horse ‘Sleeps with angels’ – 1994
69. Boudewijn de Groot ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’ – 1973
68. Ramones ‘Ramones’ – 1976
67. Prml Scrm ‘Xtrmntr’ – 2000
66. Oswald von Wolkenstein ‘Songs of myself’ – (1377-1445)
65. Eric B. and Rakim ‘Alle 13 goed’ – 1986-1992
64. Fucked Up ‘David comes to life’ – 2011
63. The Jesus And Mary Chain ‘Psychocandy’ – 1985
62. Dirty Projectors ‘Swing Lo Magellan’ – 2012
61. Soundgarden ‘Superunknown’ – 1994
60. Béla Bartók ‘Muziek voor Snaarinstrumenten, Slagwerk en Celesta’ – 1936
59. Einstürzende Neubauten ‘Haus der Lüge’ – 1989
58. The xx ‘XX’ – 2009
57. Franz Schubert ‘Die schöne Müllerin’ – 1823
56. Madou ‘Madou’ – 1982
55. Björk ‘Post’ – 1995
54. Bob Dylan ‘Bringing it all back home’ – 1965
53. Sun Ra ‘The singles’ – 1954-1982
52. John Adams ‘On the transmigration of souls’ – 2002
51. Eminem ‘The Marshall Mathers LP’ – 2000

Zo. Back to business:

 
image
 
Henryk Górecki
Symphony No. 3
1976

 

Ik gaf al een overzicht van de mij bekende Poolse componisten wier naam op ‘recki’ eindigt: Krysztof Penderecki en Henryk Górecki.

Pendereckis muziek zou u via Hollywood kunnen kennen. Welk Hollywood dat precies is, dat kan u hier lezen.

Om Henryk Górecki te kennen hoeft u evenmin de Poolse avant-garde op de voet te volgen. Góreckis 3e symfonie schopte het in 1992 tot de zesde plaats in de Britse hitparade.

Er zijn massa’s echo’s te vinden in de gewone wereld: ‘Górecki’ van Lamb wordt gedragen door een sample die je al van even ver ziet staan als die van ‘Under pressure’ van Queen en Bowie in ‘Ice ice baby’ van Vanilla Ice. Ook leuk: als in de tv-serie ‘Quiz me quick’ de analfabete popkenner van een coach zijn horizon moet verruimen, krijgt hij Chet Baker, de cellosuites van Bach en Góreckis 3e aangereikt.

In een oud artikel op de website van de Britse krant The Guardian wordt een overzicht gegeven van de meest opdringerige en bombastische filmsoundtracks. ‘Fearless’ van Peter Weir is erbij. Man overleeft vliegtuigcrash, heeft een trauma en herinnert zich aan het einde ternauwernood wat er gebeurd is: minutenlang zien we het vliegtuig neerstorten op de tonen van Górecki 3; is inderdaad aan de belachelijke kant.
 

 

Voor de auteur van het artikel is het een uitgelezen kans om met zijn toch al in vitriool gedoopte pen Góreckis ‘ergerlijk repetitieve onding’ naar de tweedehandswinkel te schrijven: ‘Sounds like it was composed in the 12th century for people who wish they were still living in the 11th, when composers still knew how to bang out a tune you could hum’. Moet mogen, zeker in een krant die om het goed te maken in 2010 – Góreckis sterfjaar – een In Memoriam schreef ter grootte van drie nokvolle A4’s. In onze Vlaamse kwaliteitsmedia: een twitterkort persbericht.

De muziek dan. In minuut 1 is er bijna niets. De eerste klaagzang welt op uit donkere bastonen, gaat gestaag omhoog en waaiert breed uit, tot aan de 13e minuut een piano als een klok klinkt. De sopraan zingt eerst nog schuchter, maar ter hoogte van moja nadzieja miła (‘mijn gekoesterde hoop’) bereikt ze alleen ogenschijnlijk de climax van dit deel, ze geeft gewoon de estafettestok door aan het orkest dat nu duidelijk 60 strijkers sterk is en dat als een heftige wind alle andere wereldgeluiden smoort (toch als je zo veel burengerucht maakt als ik nu).

Deel 1 blijkt ook afgekeken van een folkdeun uit het Tatra-gebergte. Gorécki gooit de melodie in een canon. Veel meer gebeurt er hieronder 27 minuten lang niet.

 

 

Een hype, werd hier en daar gezegd toen sopraan Dawn Upshaw met de London Sinfonietta onder leiding van David Zinman een hit te pakken had met deze al bij al dorre muziek, die vol overlappende melodieën zit die aan kerk- en volksmuziek doen denken, die het in deel 1 heeft over de moeder van de dode Jezus en in deel 2 over de laatste 3 zinnen die een 17-jarig meisje in een Gestapocel in Kazopane op de muren kraste.
 

 

Deel 3, over een moeder die haar zoon verloor tijdens een van de Silezische opstanden in de jaren 20, wordt op youtube veel minder aangeklikt dan deel 2 , maar het derde deel twijfelt op een gelijkaardige en overweldigende manier tussen lento en lentissimo. De muzikale referentie die ik totaal niet kende is Karol Szymanowski, een man die nóg trager en nóg tijdlozer componeerde.

Een hype was deze symfonie inderdaad, maar dan één die er kwam tot verbazing van de kunstenaar. Henryk Górecki bouwde bijna 20(!) jaar nadat hij de 3e symfonie had geschreven tot zijn verrassing plots bruggen tussen modern klassiek, een groot publiek en filmregisseurs (goeie én slechte) die een soundtrack nodig hadden waarop stond: ‘Groot verdriet’. Daarna probeerde de man gewoon verder te leven als kluizenaar; odludek in het Pools.

In 2013 stijgt Henryk Górecki naar een 20e plaats in Klara’s Top 100.

 

 

Zee(zoog)dieren groot en klein

 
image
 
Robert Wyatt
Rock bottom
1974

 

Internetboodschap in verband met de artiest die op 50 is beland: ‘Kunden, die Titel von Henryk Mikolaj Górecki (1933-2010) gekauft haben, haben auch Titel von diesen Künstlern gekauft: Castelnuovo-Tedesco, Mario (1895-1968), Lopes-Graca, Fernando (1908-1993), Schwarz-Schilling, Reinhard (1904-1985), Maxwell Davies, Peter (geb. 1934).’ Kan evengoed een grap zijn, want nooit, maar dan ook nooit von diesen Künstlern gehört. Van ene Wyatt, Robert (geb. 1945) daarentegen! Hij staat op 49 met zijn tweede soloplaat ‘Rock bottom’.

Bizarro mundo, dit plaatje!

Ik moet altijd opnieuw denken aan de kleurenblinde kunstenaar uit Oliver Sacks’ boek ‘An anthropologist on Mars’. Een abstract schilder gespecialiseerd in kleuren (een man die kleuren natuurlijk ook tot in de kleinste details kan ordenen) wordt na een auto-ongeval zo kleurenblind dat hij de hele wereld in zwart-wit ziet. Op zich al een zeer zeldzame aandoening, maar meestal heb je ze van bij geboorte; ’t is ook geen netvlies- maar een hersenkwestie. Dat deze plotse verandering een met kleuren jonglerende professional moet overkomen is van een verbijsterende toevalligheid. Na een zeer moeilijke periode – op een dag ziet de kunstenaar een gitzwarte zon opkomen, de fruitschaal die hij maakt om te laten zien hoe hij fruit ziet wil je niet eens bekijken, de man walgt als hij in de spiegel kijkt, ziet ook andere mensen als – jawel – ratkleurig, en gaat alleen ’s nachts de wereld in omdat hij daar alles veel beter ziet – na dié hel vindt hij uiteindelijk een schilderstijl die hem meer voldoening geeft dan ooit tevoren, én meer succes. Als een specialist hem vertelt dat het theoretisch mogelijk is om hem zijn kleurenzicht terug te geven, en of hij zou overwegen om… krijgt hij zijn zin niet afgemaakt, want de schilder zegt: ‘No way!’
 
image
 
Wat dat met the making of van ‘Rock bottom’ te maken heeft? Iets! Robert Wyatt valt op een feest van drie hoog uit een badkamerraam en raakt tot zijn midden verlamd, and hits rock bottom! Schetsen van songs zijn al af, maar hij droomt ze tot een veel completere wereld bijeen in het ziekenhuis, periode die door de man als ‘rustig en productief’ wordt omschreven. Hij heeft tijd nu. Hij was zanger en drummer, maar die combinatie zal nooit meer lukken. Zingen van achter keyboards wél. Wyatts neurologische en psychologische machinerie blaken in 1974 ondertussen van gezondheid en maken ‘Rock bottom’ tot de meest coherente plaat uit zijn carrière.

De zanger begint opener ‘Sea song’ met: ‘Je ziet er elke keer anders uit als je uit die schuimgekuifde zoute brij komt’. Hij ziet zijn speelkameraad de zee ’s nachts graag, als ze gedronken heeft en deels vis, deels bruinvis is; hij moet zelfs aan een babypotvis denken. Haar huid weerkaatst zachtjes in het maanlicht, haar waanzin past als gegoten bij die van hem. Maar ’s morgens, als het weer tijd wordt om even mens te worden, is ze veranderd en verstaat hij haar niet meer. Daarboven een keyboardcontinuum dat weerwerk krijgt van ingetogen percussie en niet al te opdringerig pianogehamer: ‘You’ll be different in the spring, I know / You’re a seasonal beast / like the starfish that drift in with the tide’. Van hier af zingt Wyatt in afbrokkelende lettergrepen, zoals andere jazzcats een saxofoon kort knippen; alsof hij een wahwahpedaal in zijn mond heeft mag ook.
 

 

Aan het begin van song 2 een woonkamer waarin zeewier is aangespoeld, aan het eind een piano die ongemerkt verdwijnt, zoals een vloedlijn zich terugtrekt.

In ‘Little red riding hood hit the road’ vindt een zeer onrustige trompet ternauwernood aansluiting bij de melodie. Die wónderlijke Wyattstem, ook: ‘Oh dear me, heavens above, what in heaven’s name, oh blimey’. Wat de korte beschouwing van ene Ivor Cutler hier doet – ’t gaat over een egel die aan de kant van de weg de hele dag autobanden doet springen, heavens above en oh blimey nog aan toe: geen flauw idee. Waarom Roodkapje erbij betrokken wordt evenmin. En worden hier nu opnamebanden achteruitgespoeld, of heeft Wyatt echt zo’n free jazzstem? De song eindigt op z’n space odyssey’s.
 

 

Het mooiste liedje is ‘Alifib’. Voor zijn vrouw die de hoezen maakt en de yogithee zet. ‘Not nit not nit no not / Nit nit folly bololey / Alifi my larder’ wordt gedragen door zeer vrije maar zeer melancholische klanken. Ik denk dat ‘larder’ iets tussen ‘lover’ en een stuk spek is. Koosnaampjes van dieren en een minibelediging tussen de complimenten: neigt allemaal naar vaste relatiehumor. Ook ‘I can’t forsake you or forsqueak you’ is om te lachen, maar dan in de bloedgroep Lewis Carroll. Heel ‘Rock bottom’ krioelt trouwens van de dieren groot en klein, maar Burlybunch, The Water Mole, Hellyplop and Fingerhole uit ‘Alifib’ staan niet allemaal in de dierenencyclopedie. Instrumenten (‘Pip, pip, pip’) en tekst (‘Pip pippy pippy pip pip’) denken in dezelfde richting: één die via saaie, volstrekt begrijpelijke feitenrelazen en rechtlijnigheid nergens de liefde in de weg zal staan.
 

 

 

Song 5 heet ‘Alife’ en is een donkere lachspiegel van ‘Alifib’. Gary Windo doet eerst een basklarinet als kleine knaagdiertjes klinken, en daarna een tenorsax op ganzen lijken die op zeer spectaculaire wijze kwaad worden. Waarna ‘Alifib’ of ‘Alife’ – of hoe de eeuwige verloofde ook heet – mag antwoorden: ‘I’m not your larder / I’m Alife your guarder’. De waanzin van Alife (eigenlijk Wyatts vrouw Alfreda Benge) past inderdaad, net als die van de zee, wondermooi bij die van Wyatt.
 

 

Maar was de vraag niet wat dat verhaal over die kleurenblind geworden schilder met een verlamd geraakte drummer te maken heeft? Het publiek vond de in zwart-wit gemaakte kunstwerken beter dan de werken van de kleurenschilder, en ik vind de Wyatt van na de groep Soft Machine en het ongeval veel, veel beter dan die van ervoor; ik ben niet de enige.

Kan ook verder doen nadenken over de plek waar een kunstenaar een gebrek, een gemis of een halve ramp tot een voordeel en een Copernicaanse kans kan draaien, wellicht omdat hij al meer weerstand en focus heeft opgebouwd dan de meesten van ons. Al is dat zeer relatief, en kunnen ook wij, gewone stervelingen, tegen een weerbots.

Een sterke, toegewijde liefde in de buurt is daarbij altijd goed: in het geval van Wyatt is dat zijn vrouw die beroepshalve kinderboeken en platenhoezen tekent en schildert. Voor ‘Rock bottom’ maakte ze twee covers, één in 1974, één bij een reissue van 1998. Die van ’74 speelt zich half boven en half onder water af en is in zwart-wit; voor mij veruit de mooiste.

 
image
 
image
 
image
 
image
 
image
 
image
 

 

A strong though loving world… to die in

 
image
 
John Cale
Music for a new society
1982

 

Al surfend naar echo’s over de op 49 belande Robert Wyatt ontdekte ik dat in het land Albion het werkwoord Wyatten bestaat. Het betekent: in de moderne pubjukebox met z’n oneindige afspeellijsten net dié muziek selecteren die de mensen gegarandeerd de pub uit jaagt. Ik moet meteen denken aan mogelijke varianten: dance halls en boilerrooms Tindersticksen en Weense nieuwjaarsconcerten Skrillexen. Wyatts muziek, en kennelijk vooral zijn cd ‘Dondestan’, is natuurlijk zeer geschikt om aan Wyatting te doen – de man liet trouwens weten altijd al een werkwoord te willen zijn. De John Caleplaat waarmee u de mensen het makkelijkst uit de pub Wyatt, moet ‘Music for a new society’ zijn. Je krijgt natuurlijk nooit iedereen buiten. Als iemand met die plaat wil spoken, ga ik wellicht nog iets bestellen, want het is met voorsprong mijn favoriete Cale.
 
image
 
Boven een kaalgeplukte begeleiding, met pling en plong overal van de partij, begint John Cale er in ‘Taking your life in your hands’ niet aan met die norse rockstem waarmee hij zich al eens kwaad maakt (‘Guts’) of zich een flard van de oerschreeuw herinnert (de geweldige uithaal ‘Fear is a man’s best friend’ en de cover van ‘Heartbreak hotel’). De verteltrant is kalm, maar een lineair verhaal moeten we niet verwachten.

Er doen in opener ‘Taking your life in your hands’ kinderen mee die de school verlaten en ‘blauwe mannen in uniform’. Een moeder verbergt haar tranen. De beschaving en haar geschiedenisboeken mogen vernietigd worden. De moeder heeft iets gestolen. Een jongen aan de schoolpoort hoopt dat hij zijn moeder nog eens ziet bij die rare school, maar de uniformen zeggen dat dat nooit meer zal gebeuren, cause she took those lives in her hands. Is de vrouw een ordinaire dievegge? Een prostituée? Een massamoordenares? Zijn kind of moeder gehandicapt? Nog steeds geen flauw idee van!
 

 
In ‘The thoughtless kind’ start een metronoom. Uit de piano komt niet veel warms. En wordt er gedrumd of valt er af en toe iets om? Een doedelzak waarvan je weet dat hij straks zal uitleiden, maakt al fantoomklanken. Een echt spookgeluidje stelt evenmin gerust. De song is graatmager, en net voor een mini-arrangement de weg wil wijzen, valt de muziek volledig weg, en blijft alleen de stem van Cale over: ‘If you grow tired of the friends you make / Never ever turn your back on them / Say they were the best of times you ever had / The best of times with the thoughtless kind’. Na wat akelig gelach zijn de doedelzakken daar echt.
 

 
‘Sanities’ heette op de lp van 1982 ‘Santies’, en moest daar eigenlijk ‘Sanctus’ zijn. Een vrouw die bang is voor haar hebzuchtige moeder hoort engelen gloriëren boven al haar mislukkingen. Volgen: schaamte, gesloten ramen, medicijnen die niet werken, en de vroedvrouwen die de deuren op slot hebben gedaan, want ze verstonden het niet… weer meer hints dan verklaringen. De sfeer is die van de Nicoplaten die John Cale ruim een decennium eerder producete. De rivier wordt bij nacht doorzocht, een gezicht draait zich om. Miskraam? Moord? De opsomming die volgt is alvast een van de pakkendste momenten op de plaat: ‘Sure of what the world had offered a tired soul / From Istanbul to Madrid / To Reykjavik, to Bonn / To Leipzig, to Leningrad / To Shanghai, Pnonm Penh’… Drums en piano struikelen nu over elkaar, en na ‘All so that it would be a stronger world / A strong though loving world…’ valt alles stil, en blijft alleen Cales stem over: ‘A strong though loving world / to die in’.
 

 
In ‘If you were still around’ klinken keyboards als een kerkorgel: ‘If you were still around / I’d chew the back of your head / ‘Til you opened your mouth / To this life’. Het bekende ‘Close watch’ volgt in de mooiste, en waarom niet, definitieve versie. Aan het eind weer doedelzakken, waar oorspronkelijk de stem van Cales moeder had moeten komen, die de Welshe traditional ‘Ar Lan Y Mor’ had ingezongen via de telefoon. Ik hoor Cale op Youtube voor het eerst dat ‘Ar Lan Y Mor’ brengen. Als hij ooit een cd uitbrengt met liedjes in het Welsh, koop ik ‘em onmiddellijk.
 

 

 

‘New society’ sluit af met een tekst van Sam Shepard, die door Cales toenmalige vrouw wordt voorgedragen terwijl op de achtergrond Radio Moskou opstaat. ’t Gaat over iemand die verwantschap voelt met de radio, niet zozeer met de muziek als wel met de stem die eruit komt. De man slaapt met de radio, spreekt tot de radio, verschilt van mening met de radio en gelooft in een radioland ver weg van hier. Hij gelooft zelfs dat hij uit Radioland verbannen is.
 

 

Zo’n vrije radicalen had ik in de jaren 80 nooit eerder gehoord; de plaat was toen een regelrechte schok. Vandaag hoor ik op ‘New society’ klanken die toevallig ergens belanden, adjectieven die verkeerd staan, sentiment en verachting, nostalgie en walging, lef en talent. John Cale had in 1982 al veel watertjes doorzwommen, had net een korte, naar zijn doen commerciële comeback gemaakt met ‘Honi soit’, en toen moest er zonodig iets anders gebeuren, iets dat in handen van minderen verschrikkelijk melig of klotekunstzinnig zou zijn geworden, maar in de handen van John Cale in een tijdspanne van 10 bloed-, zweet- en tranendagen tot een meesterlijke uitdrijving uitgroeide.

‘Music for a new society’ hakt er zwaar in, is Cales ‘Berlin’ en krijgt als adviessticker ’21+’.