De maan op stedelijke binnenkoertjes

 
image
 
Madou
Madou
1982

 

Madous ‘Madou’ is enigszins bekend van de singles ‘Witte nachten’ en ‘Niets is voor altijd’, maar is voor het overige schandelijk genegeerd. In de bibliotheek vind ik ‘Madou’ in de 2006-uitgave, met geremasterde songs naast originele; de andere extra’s zijn van de reïncarnatie Madouce. Ik blij, want ik ben mijn vinylexemplaar kwijt.
 

 

Zangeres Vera Coomans doet in vijf van de tien oorspronkelijke songs (op tekst van Jan De Vos) een vrouw die nooit alleen slaapt, nooit alleen drinkt, die zich op haar eentje geen mens voelt, die weet wie groen is en wie rijp is, wie warm en wie koud is, die zelf pas warm wordt als ze half bewusteloos is van de drank: ‘Hij ligt op mijn haar / en op mijn been / een steen / hij vraagt wat ik denk / ik denk niet meer / nooit meer’.

Soms wenst ze een overspelige echtgenoot dood. Meestal is het een klant die langskomt: bijvoorbeeld één die ontmaagd wordt (‘Minderjarig’), of één die ter plekke sterft (‘Straks niet meer warm’).

De hoerenkotteksten zijn van de hand van een kenner en/of een groot stylist: ‘Hij zei dat ik te mooi was / en dat ik lange benen had / hij zei ik word te dik / en 1 uur is niet lang / hij zei dat hij een vrouw had / met een snor / en haren op haar kin / twee dochters en een zoon / een echt gezin’.

Muzikaal is ‘Madou’ ontegensprekelijk de luxaflex van de jaren 80, maar een donker, geraffineerd filmlicht beschermt dit virtuele bordeel ook tegen de eighties.

Madou is ook Brussel. Er zijn zelfs songs bij die op stap gaan in onze hoofdstad: ‘Witte nachten’ heeft een sax die hapert, en die in café’s rond de Beurs een pint moet hebben gedronken met het daar net vanuit San Francisco aangelande Tuxedomoon.
 

 

‘Valerio/Wallenda’ is zo Brüsel als het metrostation waar de groep haar naam haalde. De zon laait aan de hemel, een trein vertrekt, de kabel trilt onder Valerio’s benen, Wallenda’s zweet druppelt op zijn rug, samen klimmen ze boven de vlaggen op het plein omhoog naar de zuidertoren: ‘Mensen kijken / kinderen zwijgen / wachten tot hij valt’, zingt Coomans boven een licht hypnotiserende piano en een sax uit een rare Wim Wendersdetective.

Maar wat was er in 1982 eigenlijk aan de hand in deze regio? Waarom is ‘Madou’ niet een van dé Belpopplaten aller tijden? Stonden aan de ene kant van de rivier Front 242- en De Brasserslegers en aan de andere oever mensen die liever een zoveelste keer Tim loslieten met de boodschap dat wie het vers gebraden kalf niet lust, dat zo’n man maar half is? Was het water voor beide kanten te diep om bij Madou te komen? Omdat de nihilisten een tekst als ‘Ik drink / en ik droom / en ik hoop dat hij / zich morgen / misschien te pletter rijdt’ te gewoon vonden en aan de kant van de kleinkunstliefhebbers de maan in deze liedjes te veel op stedelijke binnenkoertjes scheen?

Wankelt ‘Madou’ als geheel omdat de groep, blijkbaar vanuit een folkachtergrond – Wiet Van de Leest kwam, net als Coomans, van bij Rum – zoekt, puzzelt, het niet helemaal weet? En is dat dan geen troef?

Oké, in de zwakste song ‘Smurf’ zit een bas die écht te nadrukkelijk op z’n Level 42’s slapt. Maar heel wat anders is – pakweg – het uitstekende ‘Minderjarig’: een minimaal spookmuziekje voorgesteld aan een viool die samen met Coomans’ stembanden de Bosporus oversteekt: ‘Had het nog nooit gedaan / en bovendien nog nooit gezien’… ‘Zijn handen in de war / Nog net geen man’ … ‘Zacht waar hij zacht mocht zijn / Hard waar hij hard mocht zijn’.

Er is ook de cover van ‘Seeräuber Jenny’ van Bertolt Brecht en Kurt Weill. Een slonzig geklede poetsvrouw in een viezig hotel maakt de bedden op van de heren. Ze telt de hoofden die ze gaat laten afhakken als eindelijk dat schip met acht zeilen en eerst 30, dan 1000 matrozen voor anker gaat, en met kanonnen zal schieten. Vera Coomans’ stem is hier Brecht- en Weillzwaar, ze is het gewoon teksten toegestopt te krijgen waarin ze zich van helemaal onderaan op de ladder moet naar boven werken, in een grimmige sfeer, in liedjes die weinig of geen liefde uitstralen voor de mensheid. En dus zingt ze ‘Zeerover Jenny’ alsof het niet alleen van Lotte Lenya en van Nina Simone is, maar ook van haar.

In de playlist een wals van Chopin omdat ik ‘Straks niet meer warm’ er soms op hoor leunen, en ook Roxy Musics ‘If there is something’, waarin vanaf 3’00” wordt geblazen zoals in Madous ‘Overmoed’. Als er ideeën geleend zijn – leert de chronologie me – is Roxy Music natuurlijk ‘voor’ en Madou ‘na’.

In mijn persoonlijke hitparade van in het Nederlands gezongen platen zijn we overigens op nummer 2 beland.