Afgegooide poederpruiken

 
image
 
Ludwig van Beethoven
Piano sonate nr. 23 in f (‘Appassionata’)
1803-1806

 
Gesp alle teletijdmachinegordels goed vast, want we reizen af naar 1803, en dat is niet bij de deur. Ter voorbereiding praat ik een paar gidsen na. De eerste gids is een woordenboekachtige.

Klassiek: meer dan één plaat op vijf in Honderd is klassiek. Als we klassiek herleiden tot de klassieke tijd na de barok en voor de romantiek, is deze sonate de enige aanwezige klassieke compositie: de enige die is geschreven tussen 1730 en 1820. Niets van, zeggen anderen, deze Beethovensonate dateert van voor 1820, maar is al met één voet serieus verankerd in de romantiek.

Sonate dan. Drie of vier delen met verschillend tempo drukken één hoofdgedachte uit. Eén instrument, tegenwoordig vaak de piano. Eventuele begeleiding van andere instrumenten. Zingen is verboden.

Bij sonate moet ik aan Hans Teeuwen denken, die met een kaars en een muziekdoosje zo dicht mogelijk bij zijn zo wijd als maar kan geopende anus alle aarswormen probeert uit z’n kont te lokken. De aarswormen horen prachtige muziek, trekken naar het licht en marcheren zijn anus uit: ‘Behalve één. Eén klein aarswormpje was altijd een beetje anders dan de anderen. Een dromer. En doof. En zijn naam was Duncan.’ Waarna Teeuwen een minuut lang speciaal voor Duncan met veel overgave een sonate speelt, plots verveeld de muziek stillegt, en verder vertelt.

Mocht de geest van de Beethoven van begin 19e eeuw rondwaren, hij zou geeneens ontstemd zijn. Beethoven hield zich steeds minder strikt aan de sonatevorm. Wellicht zou hij de grap niet gehoord hebben, want het is in de Appassionatajaren dat hij begint doof te worden, inwendig neuriet tijdens wandelingen tot zijn werk in mekaar klikt, waarna hij voor de piano kruipt en bij wijze van spreken vergeet te eten (en aan de buren te denken).

Ik leg werk op van sonate-uitvinder Domenico Scarlatti, een tijdgenoot van Johann Sebastian Bach. Elegantie en virtuositeit. Je moet je geen zorgen maken over de weg, die is uitgestippeld. Het gaat erover hoe je ‘em bewandelt.

Ik klik daarna een tegenpool aan: ‘Concord Sonate’ van Charles Ives, dat af was in 1915. Geen stafkaart, geen zandpad, niks. Er ligt geen enkele broodkruimel meer in het bos.

Beethoven daartussen aan het begin van de 19e eeuw? Na Ives? Blij nog eens een ouderwetse rivier met een echte bedding in het landschap waar te nemen. Een brug. Een onweer. In de verte blaft zelfs Bach nog. Na Scarlatti? Violente stemmingswisselingen. Ik zou beschrijvingen als adagio sostenuto en allegro ma non troppo vervangen door ‘zeer zwaarmoedig, later berustend’ of ‘extatisch, maar niet té ultragewelddadig’.

Appassionata is de meest wervelende onder de Beethovensonates: al vrij snel in het openende Allegro assai worden alle toetsen van de piano verkend middels bovennatuurlijk snelle arpeggio’s die van heel laag naar heel hoog gaan en terug. Pianisten moeten linker- en rechterhanden over en boven elkaar laten vliegen in wat we een atletische prestatie zullen noemen.
 

 

Als Beethoven zich nietig voelt in een onweer, moét dat onweer niet meer per se godgezonden zijn – dat is nieuw – maar de natuur moet wel in de natuur beleefd worden: de kasteeltuin begon fake aan te doen. Out: elegant en superieur vertier dat de aristocratische orde handhaaft voor het goddelijk voorbestemde nageslacht. In: het ene moment diepe afgronden inkijken en zich even later even belangrijk als Napoleon wanen. Soms overdrijft de toegewijde gek Beethoven: hij maakte zijn symfonieën bijvoorbeeld waanzinnig lang, als wist hij dat de cd zoals wij ‘em kennen ontworpen ging worden om 80 minuten muziek op te nemen. De poederpruiken afgooien volstond voor hem ook niet: hij kamde in één klap ook zijn haar niet meer. Wat een kerel!

We zijn 10 minuten ver. Boven het verrassend eenvoudige begin van het andante con moto zou Nick Cave nog ‘Into my arms’ kunnen Elvissen. Daarna blijft dit deel zijn tijd nemen om complexer en complexer te worden.
 

 

Het ‘Allegro ma non troppo – Presto’ neemt nergens z’n tijd, en wordt sneller geweldige duivelskunst dan een roetsjbaan een eerste keer naar beneden dendert. Pianisten krijgen de opdracht even vingervlug te zijn als Angus Young en Buckethead. Boven het publiek verschijnt de waarschuwing: ‘Kan duizeligheid veroorzaken, zeker in het afsluitende presto’.
 

 

Beethoven perfectioneert zijn werk absurd hoogtechnisch en vormelijk, maar overstijgt niemand meer via de Godweg zoals Bach. Hij onderdaalt evenmin de wereld via etiquetteregels zoals Scarlatti. In het geleidelijke proces van een overgang van het machtscentrum van de aristocratie naar de burgerij was deze componist geen onbelangrijk figuur. Je hoort dat uiteraard in zijn symfonieën, maar in zijn sonates hoor je veel meer de in hemzelf gecultiveerde wereld, en de in die binnenwereld gevonden grootsheid.

Vanochtend zag ik ze met vier op een rij voor de spiegel staan: de minder afgronddiepe Kreutzer, de Mondschein, de vaak aangestipte Hammerklaviersonate en de Pathétique. Ze vroegen voor een zoveelste keer wie de mooiste is. Het antwoord luidde eens te meer: de Appassionata blijft het Sneeuwwitje van over de bergen.

Over pianiste Valentina Lisitsa kan ik kort zijn: ‘Manmanman!’