Het verleden verplicht tot niets

 
image
 
Dire Straits
Dire Straits
1978

 

‘Dire Straits’ staat beeldig te blinken op 74. Mag ik alsnog een joker inzetten? Of desnoods een plaat van J.J. Cale? Die ene van Robert Johnson? Een andere plaat uit dezelfde jeugdjaren van twijfelen tussen het kinderlijke Avro’s Toppop of de eerste puisten uitknijpen op het serieuzere werk van ‘Outlandos d’amour’, ‘Rumours’ en ‘Kamiel in België’? Nee. Nee. Nog eens nee.

Dan maar proberen onderweg naar de stereo de onvergeeflijke horror van Live Aid, ‘Private investigations’ en pols- en andere zweetbandjes te vergeten. Er zijn – wonder boven wonder – twee goeie redenen waarom dat lukt:

1. Dit is een debuut, deze mensen gingen werken, hokten samen in een huis in Zuid-Londen, probeerden met het pubrockgroepje op vrijdagavond niet op de zenuwen te werken van een publiek dat voor meer ambiance was gekomen, en op de hoesfoto’s staan niet bepaald vrouwenmagneten.

2. ‘Down To The Waterline’, dat na wat mysterieus geMorricone openklapt, is meteen dé prototypesong van dit sympathieke, cleane, brave, superschone, vlekkeloos alle blues-, jazz- en country-invloeden absorberende plaatje. Goeie sound, perfecte beheersing, mooi evenwicht tussen melancholie en good vibes; tussen enerzijds de dicht op mekaar spelende ritmetandem Pick Withers en John Illsey (aangevuld met de keurig binnen de lijntjes kleurende slaggitarist David Knopfler), en anderzijds het halfparlando van Mark Knopfler die – omdat hij een heel beperkte stem heeft – vooral zijn gitaar hoog, ver, lang uitgesponnen en virtuoos laat zingen. In 40 minuten en 9 songs weet het viertal op miraculeuze wijze te navigeren tussen de zandbanken der langdraderigheid en protserigheid waar ze drie platen na deze in vast zitten.

Maar we waren vooralsnog bij opener ‘Down by the waterline’. Is dit de ontbrekende schakel tussen Ry Cooder en J.J. Cale? Of hallucineer ik? Wat vast staat: zoals de Front 242-blokkendoos al sinds het debuut ‘Geography’ volledig is, zo zijn alle songs hier oermodellen van Dire Straitssongs.
 

 

Muziek voor yuppies en geluidsinstallatiefetisjisten is dit zeker niet. De blues is hooguit iets te clean. Beelden van een klasreünie en een paar trouwfeesten komen voorbij: als het een beetje saai wordt en ik mijn jas wil aantrekken, komen het indroevige ‘Water of love’ en het tamelijk bedwelmende ‘Six blade knife’ voorbij, en zijn daar voor de 1000e keer die dekselse ‘Sultans of swing’ – een single die om volstrekt onduidelijke redenen al – even tellen – 36 jaar lang in mijn top 10 staat.

Ondertussen zit ik aan pint 4. Een kelnerin komt in een song ter sprake, en de zanger vraagt om met haar te trouwen. Er wordt getongzoend met zicht op de haven van downsouth London Town. In een kunstgalerij wordt een kunstenaar niet hip genoeg bevonden. Guitar George is nog steeds strictly rhythm, he doesn’t want to make it cry or sing, en dus nog steeds de absolute tegenpool van Mark Knopfler.

Ik ken deze plaat uit het hoofd, maar ik heb ze nooit samengepuzzeld. Ik wil het geheel ‘Dire Straits’ niet kennen. ‘Dire Straits’ doet me belanden op een plek waar ik niet veel voel, en waar ik ook geen oordeel heb. Het verleden verplicht er tot niets. Which is nice! Ik hoor mezelf op het feest ‘Och gij’ zeggen, en daar is pint 5 al.
 

 

Zeer banale vraag: hoeveel platen van Dire Straits hebben Honderd gehaald? Eén. ‘Communiqué’ is meer van hetzelfde, maar draait op een lager toerental. ‘Making movies’ is zijn tijd zeer ver vooruit: de plaat was gestopt met roken, dronk Corona en stemde paars in een tijd waarin niemand anders dat deed. Over wat dáárna kwam: alleen Muse en het onovertroffen Simple Minds doen beter.