Het godenkwartet

image

John Coltrane
A love supreme
1965

‘A love supreme’ zet het adjectief op de verkeerde plaats en is een dankgebed aan God dat John Coltrane ruim twee jaar voor zijn dood maakt met drummer Elvin Jones, bassist Jimmy Garrison en pianist McCoy Tyner, klinkende namen die op de radio kunnen worden gefluisterd alsof er een nachtelijke biljartwedstrijd aan de gang is.

Dat godenkwartet is op haar hoogtepunt en neemt alles in vier uur tijd op. We zijn 9 december 1964. Locatie: de Van Gelder Studio. Englewood Cliffs. Bergen County. New Jersey. Men moet niet ver lopen voor een zicht op de machtige Hudsonrivier.

’t Is eind 64 al een paar jaar geleden dat Coltrane een poos uit de groep van Miles Davis is gezet, genoeg heeft van de drugs die tot dat tijdelijke ontslag hebben geleid, en zich vrijwillig van god afhankelijk maakt en daardoor zijn geheel eigen vrijheid en onafhankelijkheid vindt. In theorie ben ik in die mate ongelovig dat ik dat van die vrijheid-binnen-geloof onzin vind, maar ik zit in dit muzikale gebed al zonder tegenargument na amper 15 seconden – tijdspanne waarin Coltrane gewoon warm blaast boven een gong (?), een cimbaal (?) en een spaarzame piano, om daarna een minuut te zwijgen terwijl zijn groep een fenomenale groove legt.

De vier basiskampnoten in de bas – die in de nineties gesampled werden in Pattersons ‘Freedom now’ dat een Mo’Waxverzamelaar opende – worden boventoeterd in een wereld die je moeilijk nog een resem variaties kan noemen; een aarzelend openingsgebed is het ondertussen ook niet meer.

Na twee minuten zitten we in een tros noten en akkoorden waarvan Miles Davis beweert dat Coltrane ze aan hem te danken heeft: ‘I gave him all these little things, like – play this for me, Trane. And it’d sound like blablablablublurp…. If you play without stopping, you sound like Coltrane.’ Het is waar dat Coltrane dikwijls speelt zonder te stoppen. Maar als blablablablublurp klinkt het alles behalve.

Na vier minuten toetert hij nogal doordringend hoopjes schrille noise en inwendig onbehagen op het tapijt. Hij vindt onmiddellijk de kalmte terug en blaast de vier dragende beginnoten 36 (!) keer in alle mogelijke soorten, maten en gewichten. Daarna zegt hij de woorden a-love-su-preme gewoon op, hij mompelt ze een keer, reciteert ze iets harder, smeekt ze af. Deel 1 van deze bizarre meditatie loopt uit in de bas. ‘Acknowledgement’ zit erop. De wereld heeft al een paar keer op z’n kop gestaan. We zijn een kleine acht minuten ver.

Van de stomender middendelen ‘Resolution’ en ‘Pursuance’ kon ik vroeger niet geloven dat de groep er in één avond van vier uur en een paar takes (en een verwaarloosbare overdub) mee klaar was. Mijn favorieten kwamen toen uit een vroegere periode en andere bezettingen: het warmbloedige ‘Blue train’ en het nog betere ‘Giant steps’, waarin ‘Naima’ het welgekomen rustpunt is.

Vandaag zijn de andere platen met dit kwartet favorieten geworden: ‘After the rain’, ‘India’ en ‘My favorite things’ (waarvan de langste versie altijd de beste is) zitten al in de Indiase sfeer die Coltrane verkende en die in ‘A love supreme’ subtieler aanwezig is: Elvin Jones krijgt hier bijvoorbeeld de opdracht met vier Shiva-armen minder te drummen.

Het op en neer van de liveplaat ‘Afro blue impressions’ en vooral de daarop overal precies uitgekiende solospotjes voor bassist, pianist én drummer (die eigenlijk de kooltjes gewoon heet maken om ze op het juiste moment aan Coltrane door te geven) maken het verhaal van de korte opnametijd aanneembaarder. Tel daarbij dat het kwartet waanzinnig veel optrad en dat afsluiter ‘The drum thing’ van de ‘Crescent’-plaat van een paar maanden eerder zelfs exact eindigt waar ‘A love supreme’ begint, in de vier basnoten die ‘Acknowledgement’ overeind houden. Deze groep is met andere woorden perfect voorbereid om zich eens goed te laten gaan.

1964 is het jaar van ‘Hello Dolly’ van Louis Armstrong, soundtrackmuziek vol nostalgie naar de dansvloerjaren van de jazz. Het is het jaar van Albert Aylers ‘Spiritual unity’, ook een klasbak vol saxgetoeter, maar droger en hoekiger: de sfeer is een beetje die van een fanfare. ‘A love supreme’ is bij momenten Aylerextreem, maar tegelijk rijst overal een helderheid en een naturel op die verklaren waarom het een hit is kunnen worden. Aan het eind van ‘Pursuance’ blaast Coltrane meer ingewanden uit dan John Zorn bij Painkiller, maar daarna brengt de bassist echte rust over een plaat die eigenlijk bijna overal op relatief kalme manier aanwezig is. Het is een komen en gaan van inspanning en beloning, crisis en loutering, voornemen en volharding, indrukwekkend gesoleer en een nog indrukwekkender som der delen.

Het slotdeel ‘Psalm’ is – echt waar – als neergeschreven gebed te volgen, lettergreep per lettergreep: de woorden Thank you god zijn als vaak terugkerende triool herkenbaar, elation, elegance en exaltation klinken het indrukwekkendst op tenorsax boven de keteltrommen van Jones. Met dit ‘Psalm’ erbij is ‘A love supreme’ alle jazz bij mekaar: muziek die uit de geopende deuren komt gestroomd van het kerkje dat nog moet gebouwd worden.
image

Odes? Guru van Gang Starr (en van de Jazzmatazzplaten) rapte zich in ‘A jazz thing’ – with a little help from Branford Marsalis – doorheen de geschiedenis van een zeer belangrijk muziekgenre, dat ook kreeg af te rekenen met bikkelharde kritiek, stijl ‘Nice!’, ‘Grrrreat!’ en ‘It isn’t dead. It just smells funny’. Guru wijdt in ‘A jazz thing’ een halve strofe aan ‘John Coltrane, a man supreme / he was the cream / he was the wise one / the impression of Afro Blue / and of the promise / that was not kept / he was a giant step’.

De mooiste ode aan ‘A love supreme’ zelf is van Morgan Freeman, die al een carrière lang probeert te kijken als de karakterkop op de hoes.
image

Mini-aha-erlebnis: een festivalconcert van het Coltrane Quartet op Youtube in de zomer van 1965, moment waarop het niet lang meer zal duren voor Coltrane de groep ontbindt en iets anders gaat doen. Coltrane speelt hier sopraansax, een instrument dat ‘s mans versie van ‘My favorite things’ ook op plaat een beetje luchtiger doet klinken dan wat hij doorgaans uit een tenor tovert.

De intensiteit is onwaarschijnlijk. Het publiek is in vrij grote drommen komen opdagen. De eindgeneriek vertelt dat het een opname van de RTBF is. De plek blijkt Comblain-La-Tour, ergens in het Land van Luik.

Wikipedia zegt: ‘Wereldberoemd vanwege een open air jazz festival dat er gehouden werd tussen 1959 en 1966. Befaamde artiesten die er optraden: Cannonball Adderley, Chet Baker, Ray Charles, John Coltrane en Nina Simone. Het wordt de moeder aller Europese festivals genoemd en vormde ook hét voorbeeld voor het Vlaamse Jazz Bilzen.’

Ik heb, vertrekkend vanuit de vraag ‘Hoe komt het dat ik daar niks van weet?’, een kort gesprek met mijn Vlaamse navel.

Onderstaande foto is uit 1964. De mensen stonden blijkbaar op Ray Charles te wachten.

image

Lees verder

Oost-Belfast

 
image
 
Van Morrison
Astral weeks
1968

 

Dit is een lange bevalling geweest. Eén van dagen en dagen luisteren naar al wat ik van Van Morrison te pakken kon krijgen, op plaat, op cd, op Spotify, op Youtube.

Ik heb geluisterd naar meer dan 10 van de platen die na ‘Astral weeks’ komen – een paar daarvan bevatten evenveel keer de woorden ‘searching’ en ‘healing’ als er ‘whisky’ voorkomt in songs van The Pogues. Nee, ik zit niet met Van Morrisons ‘spirituele’, ‘meditatieve’ periode te lachen. Integendeel. Maar mijn conclusie is wel: ‘Moondance’, ‘St Dominic’s Preview’, ‘Veedon fleece’ en ‘No Guru, no method, no teacher’ zijn ook goeie Van Morrisonplaten, die op 343 of 732 zouden kunnen staan. ‘Astral weeks’ staat op 16. Ik ben dus een vogeltje waarvoor geldt: ‘Gij zijt gevangen / en in het kotteke ‘Astral weeks’ blijven hangen’.

Let’s briefly summarize what we know, shall we? ‘Astral weeks’ is van 1968. Van Morrison is dan 23. Hij groeit op in een rijhuis vol muziek in Belfast. Vader, die een tijd in het overzeese Detroit heeft gewerkt, draait traditionele jazz, bigbandmuziek, Chicago blues, countryblues en rhythm-and-blues. Op zaterdagavond, als de Morrisonfamilie binnenvalt bij folkvrienden om te drinken en te zingen, spant moeder de kroon. Ze zingt en speelt piano, harmonica en doedelzak.

De schok van herkenning – iets herkennen dat je nooit eerder kan gehoord hebben – komt aankloppen via Mahalia Jackson: de kleuter Van is aan de grond genageld. Het komt ook via Leadbelly, die toont wat er allemaal mogelijk is: bijvoorbeeld een folkzanger zijn die ook blues speelt, en populaire melodieën, ja zelfs kinderliedjes en cowboy- en accordeonsongs die dan al totaal uit de mode zijn. De muziek van Ray Charles klinkt later in Morrisons tienerhoofd alsof hij werkelijk een sleutel in handen krijgt: Charles zingt ook alles door elkaar, maar toont daar bovenop hoe je met een groep moet werken.

’s Mans eerste groep is een skiffle-ensemble: wasbord uit de keuken van Kwik, de Flupkebas gemaakt van een theekist, een stok en een stuk paktouw. Skifflekoning Lonnie Donegan is een grotere invloed dan Elvis: Morrison houdt wel van de energie van rock’n’roll, maar tegen de tijd dat die via Elvis langskomt, voelt het alsof hij het al beter heeft gehoord; zwarter waarschijnlijk.

Van Morrison gaat werken bij showensembles, acts die de mensen aan het dansen moeten brengen a rato van drie of meer shows per avond. Daarna is er Them, dat begint als bluesgroep, bekend wordt via ‘Gloria’ en – voor Morrison althans – totaal het verkeerde pad op wordt gestuurd: ‘Andere mensen beslisten in mijn plaats over een groep die stilaan als veevoeder begon te klinken.’

Mede onder invloed van de ‘oorspronkelijke geest’ Bob Dylan begint hij minder over jongen-ontmoet-meisje te schrijven, en meer ‘onbewust’ te componeren (Morrison, al lachend: ‘Daarna moest er nog veel aan gesleuteld worden, natuurlijk’).

Zijn eerste soloplaat ‘Blowin’ your mind’ komt uit, met een psychedelische hoes en Latininvloeden in de songs: twee dingen die bij de Ierse keikop passen als iets met tang en varken bij een origineler vergelijking. ‘Brown eyed girl’ wordt een pophit.
 
image
 
Morrison woont en werkt ondertussen in New York. Bert Berns, een in de sixties populaire songschrijver/producer die ook platenbaas van Bang records is, overlijdt aan een hartaanval. De weduwe drijft het zo ver dat ze de zoekende, waarschijnlijk af en toe met een woedeaanval kampende lastpost Morrison de schuld geeft van Berns’ dood. Hij krijgt in New York geen optredens meer vast, vlucht naar Boston, trouwt (waardoor hij in de States kan blijven) en probeert zich via optredens en nieuwe contacten uit de greep van Bang records te worstelen.

Dat laatste lukt half: op zijn volgende plaat moeten twee songs staan die hij eerder voor Bang heeft geschreven: ‘Beside you’ en ‘Madame George’ zullen op ‘Astral weeks’ heel anders en 1000 keer beter klinken. De opbrengst van de singles moet ook naar Bang gaan: uit ‘Astral weeks’ wordt géén single getrokken.

‘Astral weeks’ dus. De titelsong opent. Als hij zich in het zog van de viaducten van de droom van zijn geliefde zou wagen, zingt Van Morrison, en nog veel verder in haar gedachten zou graven, naar waar al de eigenaardigheden van het gewone leven wegvallen, naar de kern van haar ziel… Eigenlijk vraagt hij: ‘Zou je ook daar… Met mij… enzovoort?’ Laten we het erop houden dat hij het – zoals we dat in correct Vlaams zeggen – zwaar heeft zitten. Twee akoestische gitaren, contrabas, fluit, strijkers en percussie gaan indrukwekkend op en neer tot aan het fluistereinde.
 

 
Het hoogtepunt van ‘Beside you’ is de herhaling van ‘You breathe in you breathe out / you breathe in you breathe out’. Ook No en Never gaan in repeat. Morrison heeft het een paar keer gehad over de manier waarop John Lee Hooker zijn stem gebruikte: ‘Hij herhaalde en herhaalde en herhaalde dingen, maar je werd het nooit beu.’ De versie van ‘Beside you’ die hij voor Bang records maakte klinkt als een slechte ‘Like a rolling stone’ en als een matige ‘House of the rising sun’, deze remake als extase via vocalise.
 

 
‘Sweet thing’ heeft een gewoner contrabas, een perfect uitgelijnde akoestische gitaar, een ritmischer strijkje en een jazzdrummer die ergens anders naartoe wil. Het is een van drie songs met ene Anonymous op fluit: niemand die weet wie de partijen heeft ingespeeld. Dit is een lied over sterren plukken, sugar baby zeggen en wandelen en praten in tuinen, nat van de regen. In de jaren 80 schrijft Morrison ‘In the garden’, en daar regent het ook. Als Morrison een inzicht krijgt, regent het meestal. Of het regent gewoon veel in het land van herkomst, dat kan ook.

Deze plaat gaat over Belfast, en ‘Cypress avenue’ over the avenue of trees in een villawijk van de stad. Klinkt een beetje als de Robert Johnsoncover ‘Love in vain’ in de versie van de Stones, maar de Stones hebben geen staande bas, klavecimbel, fluit en viool in de aanbieding. ‘And I’m caught one more time / Up on Cyprus Avenue’: Morrison werd in de cipressenlaan naar verluidt ooit opgetild zoals hij door Mahalia Jackson ooit aan de grond werd genageld. Deze stotterblues loert vanuit een auto naar een 14-jarig schoolmeisje: ‘Wait a minute, yonder come my lady / Rainbow ribbons in her hair’.
 

 

 
‘The way young lovers do’ is iets dat naast Glenn Millers ‘In the mood’ loopt, en ernaast zit als het de toekomst van St Germains ‘Rose rouge’ voorspelt, maar niet zó ver ernaast.

Tekstfragment van het magistrale ‘Madame George’: ‘And the loves to love to love the love… Oooooo… Mmmmmmm… Say goodbye goodbye goodbye goodbye to madame Joy!’ De song maakt een zoveelste keer duidelijk dat de plaat gedragen wordt door een fantastische bassist. Lewis Merenstein is de platenfirmaman die Van Morrison de songs live hoort spelen en de jazzmuzikanten contacteert die op drie uit mekaar liggende dagen de boel opnemen. De jazzcats waren trouwens niet onder de indruk van Van The Man. ‘Kwam verlegen binnen, gaf geen hand, kroop in zijn hok, deed zijn ding.’ Morrison zelf: ‘We hebben nooit gerepeteerd. Die gasten improviseerden maar wat. Van verstandhouding en magie was er geen sprake. Het werkte alleen omdat ze heel goed konden spelen.’
 

 
Volgt: de song met ‘Step right up / Just a like a / Just a like a / Just a like a ballerina’. Morrison zingt het lied niet meer gewoon, maar dat deed Satchmo ook niet toen hij in de jaren 20 de scat uitvond.

In afsluiter ‘Slim slow slider’ gaat iemand bijna dood. Aan het eind – ik bedoel in de laatste seconden – begint geweldige jazzmuziek, die producer Lewis Merenstein onmiddellijk in de kiem smoort, ‘want het ging god weet waar naartoe, maar het had niets met deze plaat te maken’. Ook wie wil proberen er ooit een halve minuut van te kopen, is eraan voor de moeite: verdwenen, die opnamen!
 

 
Toen Jon Wilde, die in 2005 een uitstekend, ‘definitief’ interview met Van Morrison deed voor Uncut, vroeg hoe het voelt om mensen ook vandaag nog te horen zeggen dat ‘Astral weeks’ hun leven heeft veranderd, zei Van: ‘Kan best, maar ze heeft mijn fuckin’ leven niet veranderd. Ik stierf van de honger vóór ‘Astral weeks’, en ik bleef van de honger sterven ná ‘Astral weeks’. Ik heb er geen cent aan verdiend.’ Op dat interview van Jon Wilde leunt het stuk dat u nu leest trouwens even hard als ‘Astral weeks’ op de contrabas van de geweldige Richard Davis; ik had de man nog geen naam gegeven.

In 2008 speelt Van Morrison de hele plaat live. Hij probeert met een grote groep zelfs de juiste sfeer op te roepen, die volledig anders is dan die op eender welke andere Van Morrisonplaat. Er zijn platen, er zijn concerten, en er zijn concerten waarin een plaat van vroeger nog eens wordt overgedaan. Drie songs ver in ‘Astral Weeks, Live At Hollywood Bowl’ weet ik weer: categorie drie mijden.

Van Morrison is in interviews overal en altijd zijn norse zelf gebleven. Hij heeft er een song over geschreven die ‘Why must I always explain?’ heet. Fragment: ‘It’s not righteous indignation that makes me complain / It’s the fact that I always have to explain’. Uitstekende uitleg, eigenlijk.

2014-epiloog: dat van ‘overal en altijd zijn norse zelf gebleven’ klopt niet meer. Van Morrison is in Belfast gaan wonen. Hij heeft er tijdens een concert een grap(!) gemaakt: ‘Welcome to the grumpiest gig in town’. Journalisten beschrijven hem als een gelouterd(!!) man. De nukkige troubadour promoot tegenwoordig eigenhandig(!!!) een biografische wandelroute van 3,5 kilometer door Oost-Belfast, een traject dat loopt langs de plekken waarover de zanger heeft gezongen. Met de smartphone kun je onderweg op elk moment de passende muziek beluisteren. Ter hoogte van het ouderlijke Morrisonhuis on Hyndford Street zingen de smartphones wellicht dit lied:
 

 

De lang opgegeven feniksvogel

 
image
 
Portishead
Third
2008

 

De writer’s block en Portishead, ze kennen mekaar al héél lang, om precies te zijn van in de jaren 1994-1997, periode tussen debuut ‘Dummy’ en opvolger ‘Portishead’.

De groep vergist zich in die dagen in Geoff Barrow. Normaal brengt iedereen maar wat aan, en bepaalt hij de lijn. Maar bij het maken van de tweede plaat hakt hij geen pad in de jungle. Hij stuurt integendeel eerst demo’s naar zangeres Beth Gibbons, maar voor ze in haar bus vallen, heeft hij haar al opgebeld met de boodschap dat het niet de moeite loont om op dié backing tracks aan de melodieën te beginnen werken. Alles wat ze op hun debuut hebben gedaan – samples van Isaac Hayes en een theremin invlechten – is taboe voor Barrow.

Commentaar van Adrian Utley (ook iemand van het Portisheadkernkabinet): ‘Het werd absurd. Ik begon me af te vragen of we Beth wel opnieuw mochten laten zingen. Ik bedoel: had zij ‘Dummy’ al niet vol gezongen?’

Barrow zit muurvast en beseft eerst niet dat hij iedereen meesleurt in de malaise. Twee voorbeelden van de omleiding die de groep moet nemen om de uitgang te vinden: 1. het begint pas opnieuw te vlotten als ze hun improvisaties op vinyl persen en dáárvan beginnen te samplen; 2. pas als Barrow de door een groot orkest opgenomen strijkers op een goedkope cassette overtrekt heeft de groep eindelijk z’n tweedehandsklank terug.

In de periode 1998-2008 moet het allemaal nóg erger geweest zijn. Pas na 10 jaar smeulende asse vliegt eindelijk de lang opgegeven feniksvogel uit. Hij heet ‘Third’. Als dat meesterwerk in de lente komt aanbellen, ben ik enigszins van m’n melk. Ik stuur de paar tracks met een zéér scherpe rand (‘Silence’, ‘Machine gun’, de sfeer van Vikingen die opnieuw binnenvallen in de outro van ‘Threads’) naar een vriend die z’n biertjes in de woonkamer wel eens drinkt met snerpende dubstep (en veel erger) in de oren, en ik krijg uitgerekend van hem een mail terug met: ‘Gooi uw gordijnen open, zwartzak. De zon schijnt.’ Ik denk eerst ‘Oei’ en dan: ‘Dat Geoff Barrow op beide oren slape: niémand zal Portishead nog afdoen als de ideale achtergrondmuziek voor trendy wine bars.’

De plaat opent met Esteja alerta para a regra dos três / O que você dá retornará para você’: Portugees over goeie dingen die in drie komen, maar dat ik niet helemaal beheers. ‘Silence’ is naar Portisheadnormen zéér uptempo en een mierenhoop van piepende dansdingen op gitaar, piano en viool, en laat meteen de hoogdringendheid horen die opzet als iemand veel te lang niks van zich heeft laten horen. Ik kom uit bij ‘je kiekenvel zien dansen als James Brown’. Vanaf 2’12” – moment waarop Beth Gibbons begint te zingen als de muziek onder haar wegvalt – houdt de verbijstering aan tot de track zéér abrupt stilvalt.
 

 
Het enige moment dat in de buurt komt van de vroege Portisheadjaren is het begin van ‘Plastic’; al snel doen zeer kortgeknipte percussie en een heuse helikopter de song ook op de planeet ‘Third’ belanden.

Ik hoorde van bij de eerste beluistering dat het water tussen ‘Dummy’ (Isaac Hayes, scratching en film noir) en ‘Third’ (veel folk, nog veel meer industrial, Kraftwerk, Can en Joy Division) diep is en altijd diep zal blijven, maar vandaag komt er via een simpel track by track-interview met Geoff Barrow en Adrian Utley een dimensie bij.

‘Hunter’, leer ik bijvoorbeeld, is een psychedelisch folkdeuntje waarvan de groep jarenlang niet heeft geweten waar het naartoe moest. Er zit tussen 1’26” en 1’40” een Steve Reicherig orgeltje. 2’23”: een zeer ongepaste, van een scheet een donderslag makende gitaar. Aan het eind: een beat die je niet hoort komen, en die weg is voor je er erg in hebt.
 

 
Over ‘Nylon smile’ zegt de groep dat het een ode aan New Yorks straatpercussionist Moondog is. Ik kan sinds ik dat weet niet veel meer dan ‘Inderdaad’ terugzeggen.

‘The rip’ verandert halfweg (als Gibbons’ oooooowwww-uitgang van ‘follow’ lang wordt aangehouden) van een hemelse akoestische gitaarsong in iets waarvan ik denk: als ik hier niet ‘Can, maar veel mooier’ mag zeggen, mag ik het ter hoogte van ‘Third’ nergens doen. ‘Funny little arpeggiated keyboard part on the end’, zegt de groep laconiek. Zouden het trouwens deze wat ongemakkelijk zittende ‘grappige arpeggiootjes’ zijn die van ‘Third’ (dat nochtans tot nummer 2 geraakte in de Vlaamse Ultratop) het soort muziek maakt waarover Public Enemy ooit rapte: ‘In the daytime radio’s scared of me?’
 

 
‘We carry on’ kennelijk beïnvloed door sixtieselektronikagroepje Silver Apples? Nooit van gehoord, dus even inzoomen. 1. Het klopt. 2. Shame on me! Vanaf 1’44” hoor ik Joy Division in crappy gitaar en Nationaalsocialistisch trommeltje, vanaf 2’30” hoor ik via echo’s van ‘Ceremony’ New Order zelfs de draad weer opnemen, maar het schijnt niet de bedoeling geweest te zijn.
 

 
Sirene kan zowel machine voor luchtalarm als halfgodin betekenen, en ze geven allebei present in ‘Machine gun’, dat ook een Stalinorgel bij zich heeft, en een drumgeluid dat echt (ik bedoel echt ‘echt’) boem tsjak zegt, waarna het openklapt en vertraagt zoals ik nog nooit drums van klankkleur heb horen verschieten. De track komt op het einde een beetje op z’n poten terecht via een ode aan John Carpenterhorror in de synthesizer.

‘Small’ is een composiet: ‘Our own weird Deep Purple prog type jam’. Ik ruil al mijn ‘Child in time’-herinneringen met plezier om voor dit ene progrockprentje dat ik nog niet heb.

‘Magic doors’ begint met oorsuizingen en een honkytonkende koeienbel terwijl Beth Gibbons nóg meer krassen toont op een al flink geruïneerde ziel. Barrow en Utley zien het gebeuren en zijn niet onder de indruk (‘Klinkt dit niet te normaal?’), en zonderen iemand af met een sax en met de opdracht Get ur freak on. Resultaat: een wow op 2’19”.
 

 
Afsluiter ‘Threads’ is sowieso misselijk makend perfect, maar mondt ook uit in het hardste stuk van de plaat: Gibbons die eerst boven steeds sneller pingpongend geluid de metertjes in het rood zingt (denk een overstuurde Grace Slick van Jefferson Airplane) en daarna ook zelf moet vluchten voor de Waanzinnige Hoornblazers Van De Dreigende Ondergang. In de hitparade van indrukwekkendste eindsprints zou Portishead in mijn top 10 belanden.

Is dit het juiste moment om het over het overgeslagen ukeleleminiatuurtje ‘Deep water’ te hebben? Oké dan. Is gepikt uit de film ‘The jerk’ van en met de volstrekt onnozele Steve Martin. Op het strand speelt Martin banjo en zingt hij: ‘My darling I know with the dawn / That you will be gone / But tonight you belong to me’. De vrouw die geadresseerd wordt begint plots trompet te spelen. Als ze stopt zegt Martin, terwijl een veelbelovende romantische golfslag hem tot achtergrond dient: ‘I had the craziest fantasy that I could float right through the end of this cornet, through these valves, right along this tube, come right up against your lips and give you a kiss.’ Waarop de vrouw: ‘Why didn’t you?’ Martin weer: ‘I didn’t wanna get spit on me.’ Dus daar kijken die van Portishead ook naar. Oef, ’t zijn gewoon mensen met mensenwensen.

Mijn ode aan het radicaal z’n tijd nemende Portishead is dat ik de groep in 2013 voor het eerst in 15 jaar live meemaak. Natuurlijk vlakt ook bij hen een liveoptreden de breuklijnen tussen de verschillende platen enigszins af. Halfweg denk ik ook: ha, een nieuwe song, één waarin Donna Summerdisco zich in het ondertussen overbekende Kraftwerk-Joy Divisionuniversum begeeft, maar ‘Chase the tear’ blijkt een tussendoortje van 2009 dat ik heb overgeslagen. Uitstekend concert trouwens! Maar op nieuwe songs moeten we wellicht opnieuw een decennium wachten.

Ach wat!