Kutmuziek

 
image
 
Jaap Fischer
De liedjes van Jaap Fischer
1961-1963

 

Voor een korte bio van de Nederlandse troubadour Jaap Fischer (echte naam: Joop Visser) en voor iets over Vissers legendarische 2013-doortocht in een amusementsprogramma op tv is het langs hier.

Jaap Fischer had dus tussen 1961 en 1964 veel succes. En toen vond hij een onzichtbaarheidsmantel.

Wat nóg vertellen? Dat iemand me onlangs een filmpje doorstuurde, en dat filmpje gaat over Kutmuziek op Radio 1. Bedoeld wordt: kutmuziek op de Néderlandse Radio 1.
 

 
De Liedjes Van Jaap Fischer dateren van ruim 50 jaar voor ‘Kutmuziek’. OOR Popencyclopedie zegt: ‘De verzamelaar ‘De Liedjes Van Jaap Fischer’ wordt zeer tegen zijn zin in uitgebracht, maar staat in de zomer van 1997 hoog in de albumlijsten.’

Een geluk dat de zanger zijn zin niet heeft kunnen doordrijven, want mijn vader had een paar Fischerplaten, maar ik weet niet waar ze zijn, en ik heb via deze in 1997 uitgebrachte verzamel-cd (en in die dagen alléén via die cd) de Fischerliedjes uit de periode 1961-1963 kunnen herontdekken.

Een van de redenen voor die Fischerschaarste: voor zover ik er zicht op heb zijn ’s mans liedjes 17 vernieuwingsoperaties geleden al uit Radioland verbannen. In ruil hebben we af en toe iets deftigs gekregen, maar ook veel Kutmuziek.

schrijversinfo.nl zegt: ‘Joop Visser trad in zijn studententijd op onder zijn echte naam: Jaap Fischer.’ Hoezo? Nu ben ik echt in de war.

Stuk van de hoestekst van de EP ‘Monniken/De koning/Peer/Kater/Hutje/De laatste keer’: ‘De chansons van deze moderne Nederlandse troubadour worden gekenmerkt door een merkwaardig gevoel voor humor, gecombineerd met soms bijna macabere cynismen. De lach en de traan zijn beiden vertegenwoordigd in een omlijsting van melodieuze gitaarmuziek. Dat de Nederlandse taal ook in staat is om dergelijke, soms bijna Frans aandoende chansons te produceren, bewijst Jaap Fischer met een voorlopig ongeëvenaard meesterschap.’

1961-1963. Ik kan Fischers werk moeilijk vergelijken met de harde tijden die Bob Dylan in dezelfde jaren in New York doormaakte.

Zijn liedjes hebben ook weinig te maken met wat Serge Gainsbourg in die dagen vingerknippend deed voor een jukebox waar jazz, twist, chachacha en mambo uit kwam.

Kleinkunst is het. Kleinkunst die niet zóveel verschilt van die van Kor van der Goten, een uit iets zuidelijker gelegen lowlands afkomstige zanger. In timbre en cadans legt van der Goten veel meer dan Fischer een carbonnetje onder Georges Brassens, dat wel: ‘Wij bestelden een thee / in een stemmig café / en het ene bracht / ja, ook het andere mee’.

Nog een voorbeeld:
 

 
Klinkt als:

 
Ik heb eigenlijk geen voorbeeldartiest gevonden naast wie Jaap Fischer is gaan lopen. De man is een universum op zich. De studentenstad Leiden dient hem tot achtergrond. Hij fietst er soms dronken in rond, en bezingt in de minst goeie songs zijn katers en de meisjes die hij al dan niet ‘heeft gehad’. Een woordje Latijn binnensmokkelen was toen ook een goeie grap. Er wordt gelukkig nergens een codex opengeslagen op bladzijde 223. Het haar is tot over de oren kort geknipt.

Without furher ado: mijn Jaap Fischer-Top 5! Het allerbeste uit 1961-1963!

5. ‘Jan Soldaat’. Geschreven uit sympathie voor de wanhopige loner. ‘Jan was een vrolijke soldaat / Hij gooide alleen z’n handgranaat / Voor vrouw en kind en vaderland / En hij gooide ‘m alleen van hogerhand’. Mensen spogen voor hem op de stoep. Kinderen riepen pies, poep en vuile, vuile moordenaar. In het hele land was immers geen één militair meer. Alleen Jan bleef over. Maar dan belt de koning: ‘De vijand staat al voor Maastricht / Pak je kanon en doe je plicht’. Verloopt voorts weemoedig, alsook absurd.

4. ‘Tem me dan’. Aan het begin Spaanse gitaar: ‘We zijn bevriende mogendheden / En als je straks wordt overreden / Meld ik me als de dader aan / Zoiets had iedereen gedaan’. Wat volgt munt evenmin uit in rozengeur en maneschijn: ‘Als ik ooit terugkom / Weet dan goed waarom / Niet omdat je mooi bent want dat ben je niet / Niet omdat je slim bent want dat ben je niet / Niet omdat je koken kan, dat kan je niet / Maar alleen omdat ik geen ander weet’. Alles ontaardt in een nog grotere scheldpartij en in de ‘macabere cynismen’ van de hoestekst van hierboven! Ik heb ‘Tem me dan’ ooit horen brengen door een akoestische Daan, in een klein zaaltje van de Brusselse Botanique, voor een voornamelijk Franstalig publiek. Which was nice!
 

 
3. ‘Monniken’: ‘Daar woonden twee monniken Hans en Joop in een klooster op een heuvel / ze sleten hun tijd, en dat was een hoop, met sigaren, wijn en gekeuvel’. Overal de sfeer van afwezige jodelecho’s. Een meisje trekt bij Hans en Joop in, en dat leidt tot een zeugma: ‘In het klooster ging de wijnfles rond / in het dorp de roddelverhalen’. Stichting Okapi/Stichting Jan Rot bekroonde een tijdlang elk jaar ‘jaloersmakende eigenzinnigheid’, en de 2007-versie van ‘Monniken’, die op een in eigen beheer uitgebrachte cd van Joop Visser en zijn vrouw Jessica van Noord staat, kreeg dat jaar die okapi. Jan Rot is een eenmansjury en tevens voorzitter van de Stichting (en in zijn eigen woorden: ook boeker, ontwerper, webmaster en meisje van de publiciteit in één) die een liedkunstenaar bekroont ‘zonder aanziens des persoons, los van commerciële waarde, status of verkrijgbaarheid van het werk’. Visser is niet alleen dé ideale winnaar, hij won in 2007 al zijn tweede okapi. Hij had zich opnieuw ingeschreven met de mededeling: ‘Twee okapi’s is zoveel gezelliger’. Met dit soort onzin kleur ik graag mijn dag.

2. ‘Sprookje’. Een huwbare prinses krijgt drie mannen aan de kasteelpoort die over de liefde komen vertellen: een geleerde, een vreemde snoeshaan en Hans. Natuurlijk wint Hans. Maar hoé? Zoekplaatje met datingtip!
 

 

1. ‘Het ei’: ‘Ik kocht een ei / De melkboer zei / ’t Komt zo onder de kip vandaan / ‘k Ben nog te laat van huis gegaan om ’t mee te kunnen nemen / Hier heeft u een jong leven, voor 16 cent of meer / En namens de ouders smakelijk eten meneer’. Toendertijd schreef men over songs als deze: ‘De lach en de traan zijn beiden vertegenwoordigd in een omlijsting van melodieuze gitaarmuziek.’ In de clichés van onze tijden besluit ik – als betrof het een reactie op een Youtubepost – met ‘Beste. Nederlandstalige. Song. Ooit!’. Maar ik meen het wel.
 

 
Dit zijn ze allemaal:
 

 
Dit is wat op Spotify staat:
 

 

De maan op stedelijke binnenkoertjes

 
image
 
Madou
Madou
1982

 

Madous ‘Madou’ is enigszins bekend van de singles ‘Witte nachten’ en ‘Niets is voor altijd’, maar is voor het overige schandelijk genegeerd. In de bibliotheek vind ik ‘Madou’ in de 2006-uitgave, met geremasterde songs naast originele; de andere extra’s zijn van de reïncarnatie Madouce. Ik blij, want ik ben mijn vinylexemplaar kwijt.
 

 

Zangeres Vera Coomans doet in vijf van de tien oorspronkelijke songs (op tekst van Jan De Vos) een vrouw die nooit alleen slaapt, nooit alleen drinkt, die zich op haar eentje geen mens voelt, die weet wie groen is en wie rijp is, wie warm en wie koud is, die zelf pas warm wordt als ze half bewusteloos is van de drank: ‘Hij ligt op mijn haar / en op mijn been / een steen / hij vraagt wat ik denk / ik denk niet meer / nooit meer’.

Soms wenst ze een overspelige echtgenoot dood. Meestal is het een klant die langskomt: bijvoorbeeld één die ontmaagd wordt (‘Minderjarig’), of één die ter plekke sterft (‘Straks niet meer warm’).

De hoerenkotteksten zijn van de hand van een kenner en/of een groot stylist: ‘Hij zei dat ik te mooi was / en dat ik lange benen had / hij zei ik word te dik / en 1 uur is niet lang / hij zei dat hij een vrouw had / met een snor / en haren op haar kin / twee dochters en een zoon / een echt gezin’.

Muzikaal is ‘Madou’ ontegensprekelijk de luxaflex van de jaren 80, maar een donker, geraffineerd filmlicht beschermt dit virtuele bordeel ook tegen de eighties.

Madou is ook Brussel. Er zijn zelfs songs bij die op stap gaan in onze hoofdstad: ‘Witte nachten’ heeft een sax die hapert, en die in café’s rond de Beurs een pint moet hebben gedronken met het daar net vanuit San Francisco aangelande Tuxedomoon.
 

 

‘Valerio/Wallenda’ is zo Brüsel als het metrostation waar de groep haar naam haalde. De zon laait aan de hemel, een trein vertrekt, de kabel trilt onder Valerio’s benen, Wallenda’s zweet druppelt op zijn rug, samen klimmen ze boven de vlaggen op het plein omhoog naar de zuidertoren: ‘Mensen kijken / kinderen zwijgen / wachten tot hij valt’, zingt Coomans boven een licht hypnotiserende piano en een sax uit een rare Wim Wendersdetective.

Maar wat was er in 1982 eigenlijk aan de hand in deze regio? Waarom is ‘Madou’ niet een van dé Belpopplaten aller tijden? Stonden aan de ene kant van de rivier Front 242- en De Brasserslegers en aan de andere oever mensen die liever een zoveelste keer Tim loslieten met de boodschap dat wie het vers gebraden kalf niet lust, dat zo’n man maar half is? Was het water voor beide kanten te diep om bij Madou te komen? Omdat de nihilisten een tekst als ‘Ik drink / en ik droom / en ik hoop dat hij / zich morgen / misschien te pletter rijdt’ te gewoon vonden en aan de kant van de kleinkunstliefhebbers de maan in deze liedjes te veel op stedelijke binnenkoertjes scheen?

Wankelt ‘Madou’ als geheel omdat de groep, blijkbaar vanuit een folkachtergrond – Wiet Van de Leest kwam, net als Coomans, van bij Rum – zoekt, puzzelt, het niet helemaal weet? En is dat dan geen troef?

Oké, in de zwakste song ‘Smurf’ zit een bas die écht te nadrukkelijk op z’n Level 42’s slapt. Maar heel wat anders is – pakweg – het uitstekende ‘Minderjarig’: een minimaal spookmuziekje voorgesteld aan een viool die samen met Coomans’ stembanden de Bosporus oversteekt: ‘Had het nog nooit gedaan / en bovendien nog nooit gezien’… ‘Zijn handen in de war / Nog net geen man’ … ‘Zacht waar hij zacht mocht zijn / Hard waar hij hard mocht zijn’.

Er is ook de cover van ‘Seeräuber Jenny’ van Bertolt Brecht en Kurt Weill. Een slonzig geklede poetsvrouw in een viezig hotel maakt de bedden op van de heren. Ze telt de hoofden die ze gaat laten afhakken als eindelijk dat schip met acht zeilen en eerst 30, dan 1000 matrozen voor anker gaat, en met kanonnen zal schieten. Vera Coomans’ stem is hier Brecht- en Weillzwaar, ze is het gewoon teksten toegestopt te krijgen waarin ze zich van helemaal onderaan op de ladder moet naar boven werken, in een grimmige sfeer, in liedjes die weinig of geen liefde uitstralen voor de mensheid. En dus zingt ze ‘Zeerover Jenny’ alsof het niet alleen van Lotte Lenya en van Nina Simone is, maar ook van haar.

In de playlist een wals van Chopin omdat ik ‘Straks niet meer warm’ er soms op hoor leunen, en ook Roxy Musics ‘If there is something’, waarin vanaf 3’00” wordt geblazen zoals in Madous ‘Overmoed’. Als er ideeën geleend zijn – leert de chronologie me – is Roxy Music natuurlijk ‘voor’ en Madou ‘na’.

In mijn persoonlijke hitparade van in het Nederlands gezongen platen zijn we overigens op nummer 2 beland.
 

 

De kleine schoorsteenveger

 
GetAttachment-2.aspx
 
Boudewijn de Groot
Hoe sterk is de eenzame fietser
1973

 

‘Hoe sterk is de eenzame fietser’. Geen vraagteken!

Opener ‘Terug van weggeweest’ is een midlife-lied. Het balanceert vandaag perfect tussen toen en nu: ‘Hou eindelijk eens op / te zeuren over vroeger / Degene die steeds omkijkt / die valt op zijn gezicht / Je bent alleen maar bang / voor wat er nog kan komen / Dat kan zoveel niet wezen / hou nou je mond eens dicht’. Ik heb hier ooit met kinderoren naar geluisterd en herinner me opnieuw waar de meubelen stonden. Maar: er zitten ook een tekst en een gitaarsolo uit 1973(!) in die ik vandaag goed vind. Faut le faire!

‘Eenzame fietser’ is ook als geheel terug van weggeweest. Ik vond de plaat fantastisch tot Urbanus kwam zeggen dat als moeder zong heel het huis in vreugde was (tot ze slagen kreeg van de kachelpook) en tot Raymond van het Groenewoud het had over een hondje dat kilo’s champignons at. ‘Constant degoutant’ van Kamagurka en De Vlaamse Primitieven was in die tijd ook in de buurt. Boudewijn de Groot werd een paar decennia lang weggezet als ‘iets voor kleffe bezinningsweekends’. Tot onlangs.

Feiten: deze plaat komt in de Groots carrière na de uitstekende onzinsingle ‘Strand’, na de sixtieshits waar ik niet meer warm voor loop, na de Dylan-, Kinks- en Aznavourcovers, na de picknick uit het psychedelische Tomorrowland van toen en na de heksensabbat vol zeikweer.

Net voor de oliecrisis belanden tekstschrijver Lennaert Nijgh en de Groot met de voetjes op de grond en schrijven ze nog snel een op de oude leest geschoeide succesplaat voor Rob De Nijs. Natuurlijk ken ik ze allemaal nog: ‘Malle Babbe’, ‘Jan Klaassen de trompetter’, ‘De avond’ (dat tot mijn verbazing vandaag in een nieuwe versie de Groots grootste hit ooit blijkt), ‘Dag zuster Ursula’ en ‘Leonardo’ met het geweldige ‘Vol van bijgeloof en inteelt / onder bruine vilten hoeden / kruipt het stadsvolk bij elkaar / Leonardo is een tovenaar’. Daarna is het tijd voor ‘Hoe sterk is de eenzame fietser’.

Er duikt op ‘Eenzame fietser’ een reiziger op die zegt: ‘Ik ben veranderd / Ik ben hier niet meer thuis / Maar laat de kinderen komen / De kinderen van dit huis’.

Er staan nog twee paar schoenen in Madrid. Een zak met wasgoed is in Parijs gebleven.

‘Tante Julia’ kent u van borsten en schouders, en van de klank van een radio van lang geleden. Er is blijkbaar een carnavalsversie die ik nooit heb gehoord. Of vakkundig heb verdrongen; nog beter.

Er wordt ook nagedacht over de toekomst van de kleine ‘Jimmy’ die in een stoeltje vooraan op de fiets zit. Als hij maar geen halfdood geschopte voetballer wordt, of een bord van de zakenman voor zijn kop krijgt. Maar vooral: wat een akoestische gitaaraandrijving! De hele plaat is van kop tot teen groots geproducet en fijn afgewerkt tegelijk. Als een vleugje country nodig is, weet iemand het op te roepen. Als een half orkest invalt zit het niet meteen tegen de traanklieren aan te beuken.

Ruud Engelander vertaalt twee William Blakegedichten. Fragment uit het eerste: ‘Then come home, my children, the sun is gone down/ And the dews of night arise / Your spring and your day are wasted in play /And your winter and night in disguise’. Dat wordt hier: ‘Kom nu naar huis, mijn kinderen / het is al veel te laat / De klok van de toren slaat 11 / Je lente, je daglicht verspil je met spelen / En je winter, je nacht, als een ander dan jezelf’. Een bijzondere vertaling. Ook voor de song geldt: horen is geloven.

Ook ‘The chimney sweeper’ wordt uit Blakes songs of experience gelicht: ‘Omdat ik best tevreden was / al hadden we het niet rijk / en ijzige kou me niet kon deren / kleedden ze me in zwarte dodenkleren / en leerden ze me het lied van ongelijk.’

William Blake stierf in 1827. Hij schreef songs of innocence en songs of experience. Denk een lam en een tijger. Denk een moeilijk huwelijk tussen hemel en hel, goed en kwaad, energie en rede. De verbeelding staat bij William Blake boven de zintuiglijke waarneming, de natuurlijke orde boven de vroege industriële revolutie, de gekleurde ets op een koperen plaat boven de drukpers met z’n massaproductie.

‘The doors of perception’ is van Blake. De tekst van het gedicht ‘And did those feet in ancient time’ schopte het als ‘Jerusalem’ bîjna tot Brits volkslied, en is een essential op de Britse Proms. Het begin ervan – ‘And did those feet in ancient time / Walk upon England’s mountains green? / And was the holy Lamb of God / On England’s pleasant pastures seen?’ – heeft met het gerucht te maken dat de jonge Jezus ooit Glastonbury zou bezocht hebben.

De Britse en bij uitbreiding Amerikaanse muziekgeschiedenis zit vol grote en minder grote wegwijzers naar Blakes werk. De playlist hieronder is als een eenzame fietser zo sterk, maar is ook zéér onvolledig.
 
image
 
image