Het godenkwartet

image

John Coltrane
A love supreme
1965

‘A love supreme’ zet het adjectief op de verkeerde plaats en is een dankgebed aan God dat John Coltrane ruim twee jaar voor zijn dood maakt met drummer Elvin Jones, bassist Jimmy Garrison en pianist McCoy Tyner, klinkende namen die op de radio kunnen worden gefluisterd alsof er een nachtelijke biljartwedstrijd aan de gang is.

Dat godenkwartet is op haar hoogtepunt en neemt alles in vier uur tijd op. We zijn 9 december 1964. Locatie: de Van Gelder Studio. Englewood Cliffs. Bergen County. New Jersey. Men moet niet ver lopen voor een zicht op de machtige Hudsonrivier.

’t Is eind 64 al een paar jaar geleden dat Coltrane een poos uit de groep van Miles Davis is gezet, genoeg heeft van de drugs die tot dat tijdelijke ontslag hebben geleid, en zich vrijwillig van god afhankelijk maakt en daardoor zijn geheel eigen vrijheid en onafhankelijkheid vindt. In theorie ben ik in die mate ongelovig dat ik dat van die vrijheid-binnen-geloof onzin vind, maar ik zit in dit muzikale gebed al zonder tegenargument na amper 15 seconden – tijdspanne waarin Coltrane gewoon warm blaast boven een gong (?), een cimbaal (?) en een spaarzame piano, om daarna een minuut te zwijgen terwijl zijn groep een fenomenale groove legt.

De vier basiskampnoten in de bas – die in de nineties gesampled werden in Pattersons ‘Freedom now’ dat een Mo’Waxverzamelaar opende – worden boventoeterd in een wereld die je moeilijk nog een resem variaties kan noemen; een aarzelend openingsgebed is het ondertussen ook niet meer.

Na twee minuten zitten we in een tros noten en akkoorden waarvan Miles Davis beweert dat Coltrane ze aan hem te danken heeft: ‘I gave him all these little things, like – play this for me, Trane. And it’d sound like blablablablublurp…. If you play without stopping, you sound like Coltrane.’ Het is waar dat Coltrane dikwijls speelt zonder te stoppen. Maar als blablablablublurp klinkt het alles behalve.

Na vier minuten toetert hij nogal doordringend hoopjes schrille noise en inwendig onbehagen op het tapijt. Hij vindt onmiddellijk de kalmte terug en blaast de vier dragende beginnoten 36 (!) keer in alle mogelijke soorten, maten en gewichten. Daarna zegt hij de woorden a-love-su-preme gewoon op, hij mompelt ze een keer, reciteert ze iets harder, smeekt ze af. Deel 1 van deze bizarre meditatie loopt uit in de bas. ‘Acknowledgement’ zit erop. De wereld heeft al een paar keer op z’n kop gestaan. We zijn een kleine acht minuten ver.

Van de stomender middendelen ‘Resolution’ en ‘Pursuance’ kon ik vroeger niet geloven dat de groep er in één avond van vier uur en een paar takes (en een verwaarloosbare overdub) mee klaar was. Mijn favorieten kwamen toen uit een vroegere periode en andere bezettingen: het warmbloedige ‘Blue train’ en het nog betere ‘Giant steps’, waarin ‘Naima’ het welgekomen rustpunt is.

Vandaag zijn de andere platen met dit kwartet favorieten geworden: ‘After the rain’, ‘India’ en ‘My favorite things’ (waarvan de langste versie altijd de beste is) zitten al in de Indiase sfeer die Coltrane verkende en die in ‘A love supreme’ subtieler aanwezig is: Elvin Jones krijgt hier bijvoorbeeld de opdracht met vier Shiva-armen minder te drummen.

Het op en neer van de liveplaat ‘Afro blue impressions’ en vooral de daarop overal precies uitgekiende solospotjes voor bassist, pianist én drummer (die eigenlijk de kooltjes gewoon heet maken om ze op het juiste moment aan Coltrane door te geven) maken het verhaal van de korte opnametijd aanneembaarder. Tel daarbij dat het kwartet waanzinnig veel optrad en dat afsluiter ‘The drum thing’ van de ‘Crescent’-plaat van een paar maanden eerder zelfs exact eindigt waar ‘A love supreme’ begint, in de vier basnoten die ‘Acknowledgement’ overeind houden. Deze groep is met andere woorden perfect voorbereid om zich eens goed te laten gaan.

1964 is het jaar van ‘Hello Dolly’ van Louis Armstrong, soundtrackmuziek vol nostalgie naar de dansvloerjaren van de jazz. Het is het jaar van Albert Aylers ‘Spiritual unity’, ook een klasbak vol saxgetoeter, maar droger en hoekiger: de sfeer is een beetje die van een fanfare. ‘A love supreme’ is bij momenten Aylerextreem, maar tegelijk rijst overal een helderheid en een naturel op die verklaren waarom het een hit is kunnen worden. Aan het eind van ‘Pursuance’ blaast Coltrane meer ingewanden uit dan John Zorn bij Painkiller, maar daarna brengt de bassist echte rust over een plaat die eigenlijk bijna overal op relatief kalme manier aanwezig is. Het is een komen en gaan van inspanning en beloning, crisis en loutering, voornemen en volharding, indrukwekkend gesoleer en een nog indrukwekkender som der delen.

Het slotdeel ‘Psalm’ is – echt waar – als neergeschreven gebed te volgen, lettergreep per lettergreep: de woorden Thank you god zijn als vaak terugkerende triool herkenbaar, elation, elegance en exaltation klinken het indrukwekkendst op tenorsax boven de keteltrommen van Jones. Met dit ‘Psalm’ erbij is ‘A love supreme’ alle jazz bij mekaar: muziek die uit de geopende deuren komt gestroomd van het kerkje dat nog moet gebouwd worden.
image

Odes? Guru van Gang Starr (en van de Jazzmatazzplaten) rapte zich in ‘A jazz thing’ – with a little help from Branford Marsalis – doorheen de geschiedenis van een zeer belangrijk muziekgenre, dat ook kreeg af te rekenen met bikkelharde kritiek, stijl ‘Nice!’, ‘Grrrreat!’ en ‘It isn’t dead. It just smells funny’. Guru wijdt in ‘A jazz thing’ een halve strofe aan ‘John Coltrane, a man supreme / he was the cream / he was the wise one / the impression of Afro Blue / and of the promise / that was not kept / he was a giant step’.

De mooiste ode aan ‘A love supreme’ zelf is van Morgan Freeman, die al een carrière lang probeert te kijken als de karakterkop op de hoes.
image

Mini-aha-erlebnis: een festivalconcert van het Coltrane Quartet op Youtube in de zomer van 1965, moment waarop het niet lang meer zal duren voor Coltrane de groep ontbindt en iets anders gaat doen. Coltrane speelt hier sopraansax, een instrument dat ‘s mans versie van ‘My favorite things’ ook op plaat een beetje luchtiger doet klinken dan wat hij doorgaans uit een tenor tovert.

De intensiteit is onwaarschijnlijk. Het publiek is in vrij grote drommen komen opdagen. De eindgeneriek vertelt dat het een opname van de RTBF is. De plek blijkt Comblain-La-Tour, ergens in het Land van Luik.

Wikipedia zegt: ‘Wereldberoemd vanwege een open air jazz festival dat er gehouden werd tussen 1959 en 1966. Befaamde artiesten die er optraden: Cannonball Adderley, Chet Baker, Ray Charles, John Coltrane en Nina Simone. Het wordt de moeder aller Europese festivals genoemd en vormde ook hét voorbeeld voor het Vlaamse Jazz Bilzen.’

Ik heb, vertrekkend vanuit de vraag ‘Hoe komt het dat ik daar niks van weet?’, een kort gesprek met mijn Vlaamse navel.

Onderstaande foto is uit 1964. De mensen stonden blijkbaar op Ray Charles te wachten.

image

Lees verder

Soulsville U.S.A.

image

image

Otis Redding
‘The ultimate live Otis Redding show’
1963-1967

Let niet te veel op de cd-titel. ‘The ultimate live Otis Redding show’ bestaat écht als commercieel product, maar met ‘The ultimate live Otis Redding show’ bedoel ik vooral: ‘Van Alles Wat van Otis Redding live’, en eigenlijk zelfs ‘Om Het Even Wat van Otis Redding live’. Ik bedoel dus: als het maar Otis Redding is, en als het maar live is.

Ik moet eerst even in herhaling vallen. Het stuk over mijn nummer 100 – ‘Live At The Apollo’ van James Brown – begint met ‘Sweet soul music’ van Arthur Conley. Met die song begint ook deze ‘Otis Zingt’. Nummer 100 is dus verwant met nummer 1: misschien is Honderd een kwestie van ‘En Ons Einde Is Bepaald Door Ons Begin’.

Dus! Arthur Conley zet in de tekst van ‘Sweet soul music’ eerst de spots op Lou Rawls, Sam and Dave en Wilson Pickett, en daarna op Otis Redding: ‘Singing fa fa fa fa fa fa fa fa / Fa fa fa fa fa fa fa fa’.

In de laatste strofe, die Conley in 1967 nota bene vaak bracht in het voorprogramma van Otis Redding op de Stax/Volt Revue-avonden, zingt de man: ‘Spotlight on James Brown now / He’s the king of them all, yeah’. Op nummer 100 schreef ik: ‘James Brown is de koning, laat dat duidelijk zijn’.

Maar hoe zit dat dan? De king of soul slechts op 100, en een liveplaat van Otis Redding op nummer 1?

Vooreerst, ik durf het James Brown in het eventuele hiernamaals niet te gaan vertellen. Maar Arthur Conley’s song eindigt op ‘Otis Redding got the feeling / James Brown got the feeling’, en dat zijn alle twee waarheden en niks-dan-de-waarheden.

Otis Redding kan lang niet zo ‘mooi’ zingen als Sam Cooke, al probeert hij het wel op zijn prachtige eerste single ‘These arms of mine’. Hij heeft ook veel minder mieren in z’n broek zitten dan James Brown; Redding danst eigenlijk als een zeer houterige speelgoedman. En toch is Otis Redding voor mij ‘the king of them all, yeah’.

Arthur Conley en Otis Redding delen op de Stax/Volt Revue-avonden eenzelfde begeleidingsband: Booker T. and the MG’s. Organist Booker T. Jones en drummer Al Jackson zijn zwart, gitarist Steve Cropper en bassist Lewie Steinberg (vanaf 1965: Donald Dunn) zijn blank. Begin jaren 60 nergens een evidentie, maar zeker niet in Memphis. Afro-Amerikanen uit noordelijker steden, bijvoorbeeld de businessmensen van Atlantic Records die met de Staxplatenfirma gelieerd zijn, spreken over een bezoek aan Memphis als over een reis van minstens 15 jaar terug in de tijd. Rassenscheiding (concreet: aparte scholen, aparte openbare toiletten, aparte restaurantruimtes) wordt er pas opgeheven met De Wet Op De Burgerrechten van 1964. En het is niet vanzelf gegaan.

image

Hoe Stax records is begonnen? Een blanke broer en zus kopen een theatertje op en in het huis ernaast richten ze een platenwinkel in. Eigenlijk willen ze country opnemen en verkopen, maar omdat het een moeilijke wijk is, en de deur voor iedereen open staat (‘We didn’t see colour, we just saw talent’), wordt het een favoriete hangout, een oase en een melting pot.

Het begint met The Veltones en Rufus en Carla Thomas. Daarna is Stax een bescheiden hitfabriek, één die het commercieel tegen het Detroitse Motownlabel moet afleggen. Maar vooral: al die namen van die Staxartiesten, zeg! Ik kan ze gewoon niet onthouden. Laat ik in één moeite door ook toegeven: ik weet niet wanneer The Mar-Keys veranderen in The MG’s, evenmin of The Mar-Keys later louter de blazerssectie worden, ik vraag me nergens af waar en wanneer er één dan wel twee tenorsaxofonisten meespelen, ik heb er geen flauw benul van wie meedeed in Reddings latere begeleidingsband The Bar-Kays, het woord Kays dit keer niet met een ‘e’ maar met een ‘a’.

image

Wat ik wel weet: Stax-huisorkest The Mar-Keys heeft – onder de naam Booker T. and the MG’s – begin jaren 60 al een hit met ‘Green onions’ als op een dag een lange, struis gebouwde zwarte chauffeur/roadie van een groepje uit Georgia na de opnamen vraagt of hij ook iets mag zingen: ‘These arms of mine’ wordt de eerste Otis Reddinghit.

De meeste Staxsingles van Redding zullen hits worden. Naar Staxsingles van onbekender gebleven anderen luisteren is een paar keer jezelf de vraag horen stellen: ‘Hoezo, géén hit geweest?’

Het land dat als eerste compleet plat gaat voor de traan in Otis Reddings stem is Groot-Brittannië. De naar a deeper shade of soul verlangende anorakjes-op-Vespas die we Mods noemen zijn de schuldigen. Een groter blank tienerpubliek volgt: het koopt in bruin kaftpapier gestoken singletjes waar, behalve titel en uitvoerder, niks op staat. Als er een lp verschijnt is het er één met een blonde vrouw op de hoes. Men weet in Europa gewoon niet hoe Otis Redding eruit ziet.

Voor Redding en gevolg, die – als ze in 1963 en 1964 in het kleine-clubcircuit door de States toeren – op sommige plekken in gescheiden ruimtes hebben moeten eten, worden aan de Londense luchthaven limousines voorgereden: geschenkje van The Beatles. Ook de rest van Europa behandelt hen als sterren. Op Youtube staat een heel concert van de Stax/Volt revue in Noorwegen dat switcht van aandoenlijk naar fenomenaal. Er is op youtube ook een respectvol Parijs in zwartwit, en Londense Otismania in kleur. Voor wie aan vinyl of cd wil blijven plakken: de neerslag op lp die ‘Live in Europe’ heet is zéér goed.

De op nummer 1 belande ‘Ultimate live Otis Redding show’ zit als laatste van vier cd’s in een box die ‘Otis! The definitive Otis Redding’ heet. Ik moet nog iets bekennen: het is zeer lang geleden dat ik nog eens naar de drie cd’s met de studiohits heb geluisterd.

Nog eens: u moet niet per se op zoek naar dié ultieme live-cd in dié box. ‘Ultimate live’ is gewoon een samenraapsel van verschillende optredens. Het plukt uit ‘Live in Europe’, maar evengoed uit 1964- en 1966-concerten in de States. Op ‘Ultimate live’ loopt een songversie uit 1964 over in een bindtekst van 1967. Veel van mijn favoriete opnamen zijn blijkbaar in de Whisky A Go Go gemaakt, in het L.A. van 1966. ‘Otis Redding in person live at the Whisky A Go Go’ is een zéér, zéér goeie plaat. Op Spotify heet een variant erop ‘Live on the Sunset Strip’.

image

Met de vinnige pre-breakbeat en uitdrijvingsmuziek van James Brown heeft Reddings soul niet veel te maken. De tragere songs zijn gospels die met de voetjes op de grond beginnen en trapje voor trapje waanzinniger en waanzinniger worden. Trouwens, snel of traag, als Redding mij nog maar gewoon heel even aanspoort met ‘One more time a little louder’ of ‘Keep it goin, don’t stop’ heeft hij al gewonnen van al de rest. Ik ben dus nogal te vinden voor deze man.

Reddings versies van ‘Daytripper’ van The Beatles en ‘Satisfaction’ van de Stones, die niet meteen overlopen van respect voor de teksten van de originals, zijn voorbeelden van snelle songs. ‘Can’t turn you loose’ is een waanzinnige sprint van ‘Bullet Otis’ die bij wijze van spreken binnen de 10 seconden fotofinisht.

De break van ‘Can’t turn you loose’ is heel kort, Otis zegt erin: ‘I know you think I’m a gonna stop now / ain’t gonna stop / ain’t no stop / we’re goin’ one more time’, als zit hij gevangen tussen complete uitputting en de drang om plichtbewust voort te maken waarmee hij nu eenmaal is geboren… en daarna gaan we opnieuw een gang. Thát’s entertainment!

Meest voorkomende woorden in de sprintsongs: ‘Gotta-gotta-gotta’. Meest opduikende slagzin: ‘Sock it to me’. Op deze cd staan 22 songs, terwijl Redding er op één avond nooit meer dan 10 heeft gedaan. De hele zwik in één keer beluisteren is alleen mogelijk voor wie traint voor een belangrijke bokswedstrijd.

Reddings bindteksten zijn veel meer dan rustmomenten. Ze zijn niet alleen onderhoudend, maar ook essentieel. ‘Let your hair down!’ ‘Get Soulful! Get your shoes on off!’ ‘Just holler loud as you wanna!’ De raarste: ‘We’re gonna eat next week’.

Je hoort ook dat optreden een waar plezier is. Na ‘Right now I’d like to introduce you to a ballad song / a song that what we call Soul’ laat iemand in het publiek een ‘Yeaah’ horen die van heel diep komt en moet Redding lachen. ‘Chained and bound’ wordt ergens aangekondigd met ‘We’re gonna do a song that you’ve never heard before’. Iemand moet terugroepen: ‘Says who?’, want Redding antwoordt ‘Says me’, en lacht opnieuw. Aan het eind van de song zegt Otis: ‘See how hard we have to work to eat?’

Redding heeft zich altijd eerlijk ge-out als entertainer, en als niks meer dan entertainer. Als er één artiest in Honderd staat voor wie ontegensprekelijk geldt wat Tröckener Kecks ooit zongen, namelijk ‘Hij doet het / 1 voor het geld / 2 voor de show / en 3 voor het publiek’, is hij het.

Dat wil niet zeggen dat het geen pijn doet: ‘Just one more day’, in de versie van 9 april 1966 in de Whisky A Go Go, doet enórm veel pijn. Zie ook: ‘I’ve been loving you too long(to stop now)’ en ‘Pain in my heart’.

‘Try a little tenderness’ is in 1967 op veel plaatsen terecht de concertafsluiter. Als het pijn doet in de stem, doet het ook pijn in de blazers van eh, The Mar-Keys, met wie de zanger het meest in gesprek is.

Over die blazers! The MG’s zijn geweldig, Reddings stem ook, maar zonder de blazers stond Redding niet op 1. Mijn argumentatie, kort: de beste blazers ter wereld zijn de blazers van het Staxlabel en dat zijn The Mar-Keys. De beste Staxsingles zijn die van Otis Redding. De beste Reddingblazers zijn die van zijn liveplaten.

Redding & Co zijn in 1967 de enigen die een kostuum dragen op het hippiefestival Monterey: een ware triomf, hoewel de groep de set moet inkorten.

Redding belandt onmiddellijk na dat concert thuis in de sofa, in zijn ranch; Redding is a southern man. Hij heeft serieuze stemproblemen, is in de war van de love crowd, luistert naar ‘Sgt. Pepper’s lonely hearts club band’ van The Beatles en schrijft ‘(Sittin’ on) The dock of the bay’, een klein wonder en een muzikale koerswijziging die niet door iedereen bij Stax records wordt toegejuicht.

Redding stort – samen met zijn begeleidingsgroep The Bar-Kays – neer met z’n privé-propellervliegtuig, en staat overal postuum op 1: ‘Watching the ships roll in / Then I watch ‘em roll away again, yeah’. En ook: ‘Sittin’ here resting my bones / and this loneliness won’t leave me alone / it’s two thousand miles I roamed / Just to make this dock my home’. De door dpfreddy12’s geposte lyric-video is wat dat moet zijn. In het Engels: ‘Excellent job!’

Voor Stax is Reddings dood niet de enige ramp. In de deal met Atlantic records zijn de kleine lettertjes niet goed gelezen. Uitgerekend in het met Staxgeld gerunde Lorraine hotel, een hangout voor de zwarte bovenklasse, wordt Martin Luther King, die naar Memphis afzakt om stakende vuilnismannen een hart onder de riem te steken, doodgeschoten. Een slagschaduw valt over de grote steden. Stax krijgt in de steeds gevaarlijker wordende slechte wijk zeer concrete doodsbedreigingen en moet zware gangsters aanspreken om artiesten te beschermen.

De Staxmuziek wordt ook anders: protodisco op z’n Johnnie Taylors, gepimp à la Isaac Hayes. Het singletje ‘Mr. Big stuff’ van Jean Knight is geweldig: vleugje seventiesfunk, een typisch Staxritme en daarboven die blazers, simpel en toch rauwer en spannender dan heel Motown samen. Memphis, dat Soulsville U.S.A. heet, leeft heel even op en wint nog één keer van Hitsville U.S.A., de Detroitse assemblagelijn die we als Motown kennen.

Maar het gaat verder bergaf: excessen met dure auto’s, bontjassen en veel te veel cash geld leiden tot bankroet. Het is gedaan.

image

Ik ben zo blank als een biggetje, maar met een nummmer 1 als deze moet ik Mos Def wel gelijk geven als hij rapt: ‘When I want some rock and roll / I go to Otis Redding to get some soul’.

Ik had hier nog iets in gedachten met de Memphis Horns die met iedereen hebben gespeeld (als je Elvis Presley, Peter Gabriel, Robert Cray, U2, Rod Stewart én Primal Scream samen op je cv hebt staan, mag je iedereen zeggen), met Sharon Jones, Charles Bradley en vele anderen die de soul uit Soulsville naspelen en ook in de livevorm als Stax/Volt-Revue uit de poppenkast komen, met Elvis Costello die ooit zei dat de Staxsound dé grote soulinspiratie was voor zijn Attractions, met RZA van Wu-Tang Clan die Staxsingles plundert met de pink omhoog terwijl de sample van Jay-Z en Kayne West in ‘Otis’ te veel all over the place is, …

… maar het is gedaan. Es ist aus. Bedankt om te lezen, te luisteren, te reageren, te delen ook. Mijn excuses aan de mensen die – omdat ze in huis een probleem hadden – ‘scheuren in het stucwerk’ googleden en op mijn Rage Against The Machinebericht met die titel zijn beland.

Keep on rockin’ in the free world! ThankYouGoodnight.

image

Zeer geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer

 
image
 
Olivier Messiaen
Quatuor pour la fin du temps
1940

 
 

Op de cover van de Philips Digital Classics-uitgave van Arnold Schönbergs ‘Verklärte Nacht’ staat het schilderij ‘Umarmung’ van Egon Schiele. Geen kunstliefhebber die nog in de war raakt van Schieles rauwe naakten. Ze zijn al lang geen hier-en-nukunst meer, dit is erfgoed geworden moderne kunst, en ’t zou erg zijn als het anders was, want ‘Umarmung’ is bijna een eeuw oud.

‘Verklärte Nacht’ blaast – in de oorspronkelijke versie voor strijksextet – dit jaar 115 kaarsjes uit, is van voor Schönbergs atonale periode, is met orkest erbij bloedmooi, lijkt op iets ingehoudens van Weense tijdgenoten, ja zelfs van traditioneler voorgangers, is veel, veel braver dan Schieles naakten, en toch wil ik ze niet allemaal kost en inwoon geven, de mensen die rustig voor het werk van Anselm Kiefer en Jackson Pollock staan, zonder te verpinken naar rare films kijken, gamesbeelden over zich laten gaan, maar ongemakkelijk worden als ze in een zaal (zonder een film erbij) geconfronteerd worden met een kwantumbeetje onwelluidendheid. Klassieke concerten die de stilte opzoeken: gegarandeerd meer hoesters dan er op metaloptredens mensen pink en wijsvinger in de lucht gooien.

De kans is groot dat ik een hele tijd naar gehoest moet luisteren als ik ooit een uitvoering van ‘Quatuor pour la fin du temps’ van Olivier Messiaen bijwoon. In het geval van dit kwartet zijn er verzachtende omstandigheden. Hoesten op concerten komt voort uit onwennigheid, en dit stuk zit heel de tijd zéér ongemakkelijk.

De sfeer is religieus, maar heel anders religieus dan in de geheel toevallig binnengewandelde Ter Duinenkerk in Koksijde, dan op de schilderijen van Marc Chagall, en dan via de lichtinval in de film ‘The tree of life’ van Terrence Malick. ‘Quatuor pour la fin du temps’ is een verzameling zéér geavanceerde ideeën in de religieuze sfeer. Dit is zware kost!

Vandaag staan stukken van ‘Quatuor pour la fin du temps’ gewoon op ‘A beginners’ guide to 20th century classical music’, maar ik leerde het lang geleden kennen via een lijstje geheimtips van Mauro Pawlowski in Humo. Het bracht mij serieus in verwarring. Het derde deel, de klarinetsolo die ‘De afgrond der vogels’ heet, legt al uit waarom. Het geruststellende deel ervan, het stuk dat het oor het best verwerkt, de trage melodie en de crescendo’s, dat is de afgrond, die van het tijdelijke leven. De chaos vol duisterder klanken komt van vogelgekwetter van hoog in de lucht. Die vogel, legt Messiaen uit, staat voor de eeuwigheid, eigenlijk het tegenovergestelde van Tijd, of het einde ervan.

Het kwartet begint acht minuten eerder, maar de ontstaansgeschiedenis – en wat voor één – begint bij deze zeven minuten klarinet, en alleen klarinet. De Afgrond Der Vogels is geschreven in de citadel van Verdun, waar Messiaen in het voorjaar van 1940 bij het Franse leger was ingelijfd en ’s ochtends moest wachtlopen. Bij zonsopgang luisterde hij naar het eerste getsjilp van de dag.

Het is dit omzeggens afgewerkte stuk dat Messiaen een tijd later laat inoefenen door bevriend klarinettist Henri Akoka, met wie hij zich in mei 1940 wekenlang op een met prikkeldraad afgespannen weide nabij Nancy bevindt. Ze slapen er onder de sterrenhemel. Ze zijn door de Duitsers gevangen genomen. Ze hebben al een hongermars achter de rug, waarbij ze constant onder schot werden gehouden. Het Franse leger is gevallen. Ook bevriend topcellist Etienne Pasquier is bij de ongelukkigen.

De gevangenen worden na een paar weken naar Stalag VIII A in het Duitse (eigenlijk Silezische) Görlitz afgevoerd. Ze zullen er, samen met 30.000 anderen, een bikkelharde winter beleven. 400 gevangenen zullen ook de live-première van dit kwartet meemaken, een droefgeestige, complexe, intrieste aangelegenheid, met hier en daar een lichtflits die klinkt als een visioen van een wereld waarin tijd inderdaad is afgeschaft, mogelijk zoals in De Openbaring van Johannes, een inspiratiebron voor de componist.
 

 
Ter verduidelijking: Olivier Messiaen is een vogelliefhebber, maar niet één die zich in de duinen verstopt met een verrekijker en een veldgids. Hij luistert naar vogels en schrijft notenbalken vol met wat hij hoort. Zijn Parijse buren moeten na de oorlog een tijdlang naast een virtuele volière hebben gewoond.
 

 
Maar we waren in 1940 en in Stalag VIII A gebleven. Het is nog geen winter. Het kwik is nog niet naar -25°C(!) gezakt. Het roggebrood komt wel al in dun gesneden plakjes, en de soep is zeer waterig. De overal kleuren horende Olivier Messiaen gaat, net als alle andere gevangenen, met grote honger slapen, maar hij droomt in felle kleurenbeelden met grote pixeldichtheid.

De muzikanten hebben al bij al geluk. Ze hebben een plaats in de barakken kunnen bemachtigen. De cellist werkt zelfs in de keuken. Hij steelt al eens een restje dat hij deelt met zijn maten. Een van zijn keukencollega’s, die betrapt wordt tijdens het stelen van een paar aardappelen, wordt omgebracht.

Het trio krijgt er een vierde man bij. Jean Le Boulaire is violist. Ook hij kent Messiaen, van in zijn Parijse conservatoriumjaren voor de oorlog.

De muzikanten zijn een pak pragmatischer en wereldser ingesteld dan Olivier Messiaen. Als er niet lang na de gevangenname gevechten uitbreken bij een waterverdeling, blijkt de componist zich te hebben teruggetrokken: men vindt hem voorovergebogen boven zijn klarinetpartituur. Als de cellist later een ontsnapping tot in de puntjes heeft voorbereid, zegt Messiaen: ‘Ik blijf. Dit is waar god me wil hebben.’

Het krijgsgevangenkampverhaal dat volgt doet van heel ver aan ‘Schindler’s list’ denken. Van heel, heel ver dan toch. Een paar van de Duitsers in dit strafkamp zijn niet de naziste nazi’s. Een melomane kampcommandant herkent de beroemde cellist. De muzikanten krijgen meer te eten dan de anderen. Hun werktaken zijn lichter. De componist wordt zelfs een tijdlang van zijn kamptaken ontheven, krijgt potlood, gom en muziekpapier en wordt in een bewaakte(!) barak afgezonderd om te werken.

Messiaen herinnert zich in die barak twee composities die hij voor de oorlog heeft geschreven, knobbelt ook de klarinetsolo verder uit en schrijft vijf nieuwe delen voor cello, piano, viool en klarinet, stukken waarin die instrumenten lang niet altijd sámen kwartetten, maar alleen dáár invallen waar de componist ze nodig acht.

Een klarinet hebben ze al. Een goedkope viool kan geregeld worden. Voor Messiaen zelf is er een naar verluidt volstrekt kapotte piano voorhanden. Er wordt door de gevangenen geld ingezameld, en met de centen trekt de cellist, begeleid door twee gewapende bewakers, naar het centrum van Görlitz om er een beschadigde cello en een strijkstok te kopen. Als hij met het instrument terugkomt, wordt hij als een popster bestormd en moet hij de hele avond alle stukken spelen die hij kent.

Maar daar is de winter, daar zijn de pakken sneeuw. Mensen sterven bij bossen. De Duitsers blijven de muzikanten hout geven om te stoken. De klarinet smelt een keer bijna weg tegen een kachel. Het kwartet repeteert in de toiletten. Dit zijn geroutineerde muzikanten, maar ze beklagen zich alle drie bij Messiaen. Het stuk bevat onhaalbare passages, is te vrij, te onregelmatig, te kronkelend, te moeilijk. De componist begint over metrum verlaten, klank vergroten, noten aanhouden tot je niet meer kunt, vliegen, vrijheid. Hij zegt: doe het oneindig langzaam, oneindig zacht. Hij verlangt extase. Hij wil de engel uit de apocalyps leven inblazen.

En dan, uiteindelijk, verandert er iets bij deze mensen, hebben ze iets onder de knie dat ze een paar maanden eerder niet kenden, en krijgen de in het kamp in Art Nouveaustijl gemaakte programmaboekjes een datum. Op 15 januari 1941 vindt een van dé bizarre comes alive-momenten uit de 20e eeuw plaats:

image

Het stuk wordt dus in Stalag VIII A voor het eerst opgevoerd, in een primitief, onverwarmd kamptheater. Er komen mensen op af die zelfs nooit naar een klassiek klinkend klassiek concert zijn geweest, en dus zeker niet vertrouwd zijn met een modern, moeilijk ding als dit kwartet. Er zijn mannen bij die vanuit de ziekenbarak worden binnengedragen, en die niét hoesten omdat ze gewoon op hun ongemak zijn, maar eerder omdat ze niet lang meer zullen leven. De rest zit dicht tegen mekaar aan gedrukt op houten banken. De Duitse kampbewakers zitten op de eerste rij. Het is een verzameling mensen van allerlei nationaliteiten over wie de diepgelovige Messiaen later zal zeggen: ‘Nooit had ik een aandachtiger publiek’.

De vier muzikanten dragen houten klompen. Buiten ligt een halve meter sneeuw. Het is berekoud en het waait. Beginnen doet het Quatuor ook in deze theaterbarak met een liturgie van kristal: ‘L’oiseau fait un peu peur, la musique aussi en fait’ is een commentaar op Youtube dat niet alles zegt, want er zijn twee vogels te horen: een merel aan de klarinet, een nachtegaal aan de viool.
 

 
De vocalise voor de engel als brenger van de openbaring zit eerst vol opgewekter vogels, die verweer bieden tegen hard pianogehamer, tot er smeltwater uit de piano druppelt en de sfeer ingetogener wordt. Het zal in 1940 nog acht jaar duren voor John Cage de prepared piano uitvindt, een instrument met schroeven, moeren, papier en gommetjes tussen de snaren. Deze van de nazi’s gekregen piano klinkt ook al kaduk.

‘Intermède’ klinkt als vogels in gevecht met een tegendraadse folkdeun van Béla Bartók, en klinkt in de context van dit kwartet luchtig.

De twee ongelooflijk mooie huil-of-ik-schiet-momenten waarvoor je dit kwartet een kans moet geven zijn ‘Louange à l’éternité de Jésus’ voor piano en cello (hier zegt Messiaens aanduiding: eerst oneindig langzaam, dan extatisch spelen) en tweelingzus ‘Louange à l’immortalité de Jésus’ voor piano en viool dat van de componist extréém langzaam én teder moet gespeeld worden tot het ook richting extase gaat. Erg ingehouden extase, moet dat zijn. Aan het slot hoor ik een piano en een viool koorddansen zonder vangnet en zonder bestemming, de wolken happen beide instrumenten uiteindelijk op.
 

 

 
Tussen die twee stukken zit nog een eerst hoekige, robuuste, krachtige en granieterige brok emotie (Messiaen had het over paarse woede), maar ook die slaat de weg in van overpeinzingen zonder eind in een stuk met het woord ‘regenboog’ in de titel. Hier klinkt Messiaen naar mijn gevoel een beetje te veel als andere 20e eeuwers uit hetzelfde genre.

Olivier Messiaen recenseerde zijn gevarieerde ‘Quatuor’ zelf: ‘Muziek die wiegt en zingt, nieuw bloed, een ontroerend gebaar, een onbekend parfum, een vogel die zonder slaap kan, muziek in glas-en-lood, een theologische regenboog, een tornooi van complementaire kleuren.’ Vooral dat laatste intrigeert: complementaire kleuren zijn ontdekt door de dichter Goethe, die in een herberg naar de rode jurk van een serveerster keek, en toen die wegliep in dezelfde richting naar een witte muur bleef staren, en exact dezelfde vorm in het groen zag verschijnen.

Ja, Messiaen hoorde in kleuren. Niet dat er bij zintuigmenging voor het publiek veel verklarends te rapen valt, want synesthesie leidt voor mensen die het hebben tot de allerindividueelste waarneming van de wereld. Concreet: ergens hoort Messiaen blauworanje lava stromen, maar hij zal wellicht de enige blijven die die blauworanje lava ooit in zijn compositie heeft gehoord.

‘Quatuor pour la fin du temps’ is diepreligieuze, maar alles behalve godvrezende muziek. Messiaen zou er achteraf over zeggen: ‘Wat ik ermee won, was dat ik tussen 30.000 gevangenen waarschijnlijk als enige geen gevangene was.’

Ik vond dit Quatuor al uitstekend lang voor ik er dankzij het boek ‘Orfeo’ van Richard Powers meer details over heb vernomen. Powers Quatuorpassage is lang en een van de hoogtepunten van het boek. Ik heb overigens geprobeerd uit die Powersvertelling niks over te schrijven, maar dat is eigenlijk eh… keihard mislukt.

Nog dit: de welwillende kampbewaker bezorgt – op gevaar voor eigen leven – de vier muzikanten papieren richting vrijheid. Cellist Etienne Pasquier verzorgt de première in Parijs, en draagt tot aan zijn dood in zijn portefeuille de programmakaart van de enige echte première van 15 januari 1941 in Stalag VIII A met zich mee. Ik zet Pasquiers Quatuorversie op Spotify, maar laat ‘em eerst horen in de kamer van een Brits grammofoonplatenverzamelaar: