‘A nuclear error / But I have no fear’

 
image
 
The Clash
London calling
1979

 
 

In 1979 vat The Clash op ‘London calling’ de tijdsgeest van het Londen en Engeland van stakingen, stroompannes, Koude Oorlogparanoia en grootstedelijk racisme, terwijl ze in twee verschillende studio’s vakkundig proberen te ontkennen dat ze failliet zijn na een Amerikaanse tournee; ze zitten zelfs zonder management.

Dat heeft één voordeel: het turning rebellion into money-verwijt dat ze naar anderen hebben uitgestuurd is op henzelf niet van toepassing. Zijn ze doodongelukkig? Nee. In Amerika hebben ze in een hotel gelogeerd waar James Dean nog is geweest, hebben ze het graf van Bruce Lee bezocht, en werden ze geapprecieerd om wat ze zijn: ze krijgen niet – zoals in het thuisland – het label van ‘te punk’ of ‘niet punk genoeg’. Naar verluidt was die punkpolitie er écht: punk moest zo en zo. The Clash riep terug: ‘Punk is spelen wat je wil spelen’.

De ambitie is trouwens: uit het harnas van het genre breken met reggae, jazz, swingjazz, vroege rock’n’roll en feestmuziek die op de London Carnival wordt gedraaid. The Clash is nooit helemaal rechttoe-rechtaan geweest. Hun beste song vóór ‘London calling’: ‘White man in Hammersmith Palais’, over een all-nighter in Londen, met op de affiche for the first time from Jamaica: Dillinger, Leroy Smart, Delroy Wilson en vele anderen. De song is steengoeie blanke reggae waarboven Joe Strummer zich druk maakt, want naar zijn smaak hoort-ie die avond niet voldoende roots rock rebel-riddims voorbijkomen. Het mondmuziekje biedt ondertussen twee odes: één aan de mondharmonica van Bob Dylan, één aan de melodica van Augustus Pablo.
 

 
In de States heeft The Clash getoerd met Bo Diddley, Lee Dorsey, Sam and Dave en The Cramps. Enorm veel blazers op ‘London calling’; die zijn van The Irish Horns. Er wordt piano en orgel gespeeld. Er wordt enorm veel gejat. In het verlengde van ‘London calling’ zijn via moderne media originals van de Britse rocker Vince Taylor (‘Brand new cadillac’) en van reggaelegende Danny Ray (‘Revolution rock’) te ontdekken.

Iemand maakt me blij door het draaiende singletje van ‘Wrong ‘em Boyo’ van The Rulers te filmen: The Clash lenen in hun versie na een halve minuut ook een feestneus van The Specials. De dokter die ter sprake komt in ‘Rudie can’t fail’ is Dr. Alimentado, wiens ‘Poison flour’ berichtte over giftige bakbloem in Kingston, een song die Strummer inspireerde om zoals Jamaicaanse toasters te berichten over wat zich in zijn gezichtsveld afspeelde.

J.J. Jacksons beestige soulsong ‘But it’s alright’ staat model voor het door Mick Jones gezongen ‘Train in vain’, een klein monument. Laurel ‘the godfather of ska’ Aitken is ook ergens een invloed, maar ik ben vergeten waar. Treffend tekstmoment dat illustreert hoe ver de groep van hun hardste songs uit de begindagen verwijderd is: ‘Playing requests now on the bandstand / El Clash combo / Weddings, parties, anything / And Bongo Jazz a speciality’.
 

 
Waar gaat de single ‘London calling’ over?
 
image
 
De titel is een verwijzing naar ‘This is London calling’, waarmee de kortegolfuitzendingen van de BBC World Service begonnen die in wereldoorlog II ook in het Duits en het Nederlands informatie en moed gaven.

Goed, maar is het ‘nuclear era’ of ‘nuclear error’? Het ongeval eerder dat jaar in de Three Mile Island-kerncentrale doet ‘error’ aanvinken. In verband met de S.O.S. ‘London is drowning / I live by the river’: zou met een gerucht te maken hebben dat de Russen van plan waren een atoombom in het Kanaal te droppen die een golf ging veroorzaken die Londen zou wegspoelen. ‘But I have no fear’ zou gelijke tred kunnen houden met don’t be afraid of atomic energy van Bob Marley van een jaar erna. De ‘o-o-o-o-o-ooooow’ is mogelijk een ode aan de perfect in profiel voor een volle maan poserende Awhooooooo van Warren Zevons ‘Werewolves of London’ van een jaar ervoor.

Verder mag je er niet té veel in lezen: ‘London calling’ is een hoop shockmetafoortjes die punkgewijs teruggesmeten worden naar goegemeente, machthebbers en Dire Straits, een slimmere variant van de opgestoken middenvinger en de opgespelde swastika.

De messcherpe gitaar, de beestige melodie, de superefficiënte drum en bas, ze zijn van een groep die lang in het duister heeft getast en plots het licht ziet, die zichzelf in een hoek heeft geschilderd maar zich er op indrukwekkende wijze uit vecht.
 

 
Nog één ding over die wereldsingle. Iemand die zich Stro Jummer noemt weet op internet dat het laatste woord van de single ‘London calling’ in de zin ‘I never felt so much alike alike alike alike’ niet alike is, maar a-like.

Komt uit een nummer 1-hit van de Britse fiftiesrocker Tommy Steele, die inderdaad ‘I never felt a-more a-like a-singing the blues’ zingt, een zin die Joe Strummer live al eens letterlijk zo bracht, maar die op plaat – mogelijk om copyrightredenen – is ingekort. Dat blijkt gewoon te kloppen. Dank, Stro Jummer.
 

 
‘Death or glory’ is een van de andere vinnige rockers, die zou kunnen gaan over de lower class die vlakbij de Theemsoever woont: ‘Love ‘n’ hate tattooed across the knuckles of his hands / Hands that slap his kids around ‘cause they don’t understand how / Death or glory / becomes just another story’. Het raarste stuk tekst komt ook uit die song: ‘I believe in this and it’s been tested by research / He who fucks nuns will later join the church’. Vooral ‘tested by research’ is uitstekend.
 

 
Het naakte uur van de wapens is tijdens de eerste opnamen (de Vanillatapes) nog niet aangebroken. The Clash rent op de nogal doffe demo’s als een kudde achtervolgde beesten over de stoppelvelden. Maar in studio 2 blijft de garde wel stilstaan en uitverdedigen. Plots is de sfeer er één van gooien met alles wat ze hebben, naar hun vijanden, denkbeeldig of niet.

De zeer belangrijke man die hen ertoe dwingt niet zomaar alles te geven, maar nóg een extra tandje bij te steken, is ene Guy Stevens. De platenindustrie liet in die dagen twee lijvige dossiers tegen de man circuleren: op map 1 stond ‘Persona non grata’, op map 2 ‘Totáál Ontoerekeningsvatbaar’. Guy wie? Stevens is in de vroege jaren 60 een hautaine Mod, een belangrijk dj, een man die rauwe Amerikaanse soul en rhythm and blues aan de Britten probeert te slijten, iemand die The Who mee aan z’n geluid helpt, de groep Free producet en Mott The Hoople vanuit het niets uit de grond stampt. In de Clash-studio is hij zijn beloofde ontoerekeningsvatbare zelf.

Vooral bassist Paul Simonon, die technisch het meest moeite heeft met de overgang van ram- en beukpunk naar dit professionele geluid, heeft liever een zot als Stevens die hem op geen enkel moment z’n technische beperkingen kwalijk neemt, maar wel met ladders gooit en ongevraagd aan een worstelwedstrijd op leven en dood begint; ik verzin niks. Simonons grootste angst is een Amerikaan die hem beleefd vraagt of hij de partij nog eens kan inspelen. Direct gevolg: Simonon schrijft ‘Guns of Brixton’, hier een van de essentials. Ook de rest van de groep heeft het in verband met Guy Stevens over een ‘maximum aan emotie’ en een ‘directe psychische injectie’.
 

 
The Clash in 1979! En maar verder schrijven, repeteren en bijschaven, zo hard en constant dat ze zelfs geen tijd hebben om te gaan kijken naar die film over de bemanning van het transportvrachtschip Nostromo die wakker wordt in een zonnestelsel ver van huis, en die kennismaakt met buitenaards leven dat niet op een gezellige close encounter uit is, maar het lichaam van de mens wil gebruiken om er een weerzinwekkend H.R. Gigermonster mee te baren.

Nee, in plaats daarvan liever Guy Stevens ‘Il y a plus en vous’ horen roepen en hem gelijk geven. Ondertussen wurmt Mick Jones zich een paar keer naar voren: in ‘I’m not down’ wil hij vanuit een bodemdepressie naar wolkenkrabberhoogten, in ‘The card cheat’ klinkt de groep Spectoriaans (zoals Springsteen in die dagen) en lijkt Mick Jones’ stem op die van Jarvis Cocker. ‘Four horsemen’ en ‘Hateful’ zijn twee Joe Strummerhoogtepunten van hetzelfde wereldniveau.

De hoes is een vette knipoog naar de groene en roze letters van het Elvis Presleydebuut. Ambitie: de laatste rockplaat maken. De gitaar van Presley steekt omhoog, de bas van Paul Simonon staat op het punt in de prak geslagen te worden. De werktitel van ‘London calling’ was The last testament.

Ik ben vergeten Topper Headon te vermelden. Wat een drummer!
 
image
 
Beste momenten ná ‘London calling’: de papa-san en de mama-san van ‘Straight to hell’, de intro ‘This is another public service announcement (with guitars)’ van ‘Know your rights’ en de beste raps uit ‘The magnificent seven’: ‘Wave bub-bub-bub-bye’ en ‘Brr-bu-bu-bu-bu-bu / cheeseboiger’. Plus: de Spaanse les tussen de regels van ‘Should I stay or should I go’.

Ach, doe maar gewoon alles, maar doe vooral ‘London calling’!! Ik heb zin in nog een uitroepteken! En nog twee!!

Nog dit: Winston Churchill schreef in de maanden mei en juni 1940, periode waarin in deze regio de klotenazi’s binnenvielen, drie wereldberoemde speeches. De koppen ervan passen alle drie perfect bij ‘London calling’. Blood, toil, tears and sweat kenschetst de Clash-inspanningen in de studio. This was their finest hour is gewoon een objectief eindoordeel over ‘London calling’. Ook We shall fight on the beaches kan gepast betalen, want de grootspraak aan het eind van ‘Four horsemen’ luidt: ‘We reach the beaches other armies cannot reach!’ Kruispuzzel opgelost.

In verband met Operatie Overlord van een paar jaar later in Normandië wil ik alle betrokken geallieerden bedanken – u moet die slachtoffercijfers eens googlen – maar in het bijzonder de Britten omdat ze in de lange aanloop naar de bevrijding via die bakelieten bakken genaamd radio’s een ‘This is London calling’-boodschap hebben uitgestuurd naar de wereld, en dus ook naar bezette gebieden.

Bijna vier decennia later kwam uit mijn transistor ‘Radio Clash, on pirate satellite’. Londen zond opnieuw een boodschap to the faraway towns. Een boodschap om I read you en Loud and clear naar terug te roepen, dit keer gelukkig met minder gevaar voor eigen leven.
 

 

 

Stadsruïnes

 
image

 
image
 
Joy Division
Closer
1980

 

Joy Divisiontussendoortjes en -achterafjes als ‘Atmosphere’, ‘Autosuggestion’, ‘Dead souls’ en ‘Love will tear us apart’, het zijn allemaal uitstekende songs uw aandacht waard. Zelfs de prille Joy Division is interessant: ‘Novelty’ zit nog vol Sex Pistols (de groep werd aan de toog na het eerste Pistolsconcert in Manchester opgericht), ‘Something must break’ wijst al vooruit naar een Bauhausplaat van niet veel later.

Maar, maar en nog eens maar: zoals er drie Jimi Hendrixplaten zijn en de rest op z’n best wordt bijeengesprokkeld om iets onder de kerstboom te leggen, zo zijn er twee Joy Divisionplaten. Ze heten ‘Unknown pleasures’ en ‘Closer’. Ze staan alle twee in Honderd. ‘Unknown pleasures’ staat op 18, ‘Closer’ op 4.

De songs van ‘Closer’ komen recht uit Schemerland. Ze knippen als kattenogen aan op het moment dat ook de lichtjes in de huisjes worden aangestoken. Ze blazen soms warm en koud. Ze hebben na een tijd op de fiets nog last van bevroren handen en voeten terwijl de rest van het lichaam al aan het zweten is.

Daar is een technische verklaring voor. Sommige danserige synthgeluiden, de drums die een veelheid van ritmes in geduwd worden, de bas die zeker niet minder dan op het debuut ‘Unknown pleasures’ vooraan wil staan en de soms heel afwezige en dan weer harder uithalende gitaar, ze komen meestal veel minder uit de verte en uit de donkerte dan de baritonstem van Ian Curtis, een man die op ‘Closer’ een indrukwekkend curriculum van ontgoochelingen heeft opgebouwd.

Soms schuren die werelden over elkaar als verschuivende aardlagen. In de twee afsluiters vloeien Curtis en groep samen, maar dan aan de Curtiskant van ongevoeligheid voor het laatste beetje optimisme. Curtis horen zingen is je afvragen: ‘Hoeveel Danteske hellekringen heeft die man achter de rug?’ En dat terwijl hij geeneens ‘op het midden van zijn levensweg was aangeland’, zoals Dante Alighieri toen hij aan zijn Inferno begon. Curtis bevond zich wel ‘in een zeer donker woud’ en was ook in zekere zin ‘van het rechte pad afgeweken’.

’t Is in ’s mans teksten niet echt een kwestie van de wagen des doods door de stad weten rijden en het gebeente horen rammelen. De horror zit veel inwendiger. Het boek ‘The atrocity exhibition’ van J.G. Ballard is perfecte inspiratie, en een goeie titel voor de opener van ‘Closer’. Een directeur van een psychiatrische inrichting doet in het Ballardverhaal verslag van zijn eigen mentale instorting. Of doet iemand anders verslag in zijn plaats? Iemand schreef erover: ‘Is dit louter het falen van de in mentale stoornissen gespecialiseerde dokter of eerder dat van de collectieve wereld, die vanaf 1970 permanent aan sensatiebeluste media is blootgesteld?’ Komen veel aan bod: Marilyn Monroe, de Zapruderfilm van de moord op president Kennedy, oorlogsreportages uit Vietnam en de bom op Hiroshima, allemaal beelden waardoor het hoofdpersonage is geobsedeerd, en die worden beschreven als sleutels tot een nachtmerrie waarin we allemaal een rol spelen. Wereldoorlog III is ondertussen een ‘conceptuele act’ geworden, want ‘de beelden zouden weleens een heel andere rol kunnen spelen dan we denken’. En dan zijn we nog maar aan het begin. Ik heb het boek niet uitgelezen, ik heb de film uit 2000 in de DVD-speler gestoken, maar die film volgt het boek zo nauwkeurig in z’n gedeconstrueerde verhaallijnen dat ik opnieuw niet veel kreeg samengepuzzeld. Waar het me om gaat: uitgerekend dat boek stond in de tienerkamer van Ian Curtis.
 
image
 
image
 
Curtis’ tekst is overigens een nog letterlijker Tentoonstelling Van Verschrikkingen: ‘Asylums with doors open wide / Where people had paid to see inside / For entertainment they watch his body twist / Behind his eyes he says, ‘I still exist.’
 

 
De uitwaaierende Can-ritmes van Stephen Morris hebben in ‘Atrocity exhibition’ meteen meer ruimte nodig dan op het debuut ‘Unknown pleasures’, de bas van Peter Hook is solider, de gitaar van Bernard Sumner maakt op die grotere schaal grotere vlekken, de vertraag- en weerkaatseffecten van producer Martin Hannett kruipen veel meer in de muziek dan op het debuut.

Tegelijk is de tweede plaat natuurlijk niet zó verschillend van de eerste. ‘Isolation’ is de dansante partner van ‘She’s lost control’: de synths zijn ogenschijnlijk eenvoudig, de beat die 1’44” ver invalt is nog simpeler, maar noem mij één jaren 80-single van eender welke Grauzone, Gang Of Four of Orchestral Manoeuvres In The Dark die in de buurt komt. Hoe het isolement in de tekst verbeeld wordt? Via ‘Surrendered to self-preservation / From others who care for themselves’. Mogelijk ook via ironie: de tekstschrijver geeft zichzelf aan het eind een prijs.
 

 
Ondertussen dendert de plaat door. ‘Closer’ is zeer zompig in de bas (‘Passover’, ‘A means to an end’), wordt een wriemelende, dichtbevolkte wereldstad van bassen, drums en gitaren (‘Colony’) en loopt vooruit op het hardere geluid van groepen als The Wipers en Hüsker Dü van een paar jaar later (‘Twenty four hours’). De song met ‘Heart and soul / One will burn’ is een meesterwerkje dat op subliéme wijze alle ritmische kanten uit hinkt en struikelt.
 

 
En dan is er het deprimerende einde. ‘The eternal’ is een rouwstoet in tekst én klank. Producer Martin Hannett moet hier geroepen hebben: ‘Nóg een pot chrysanten.’ In de tekst gaan geliefden weg en liggen bloemen in de regen. Van achter een hek kijkt de hoofdpersoon – kennelijk versuft door het vreselijke lijden dat hij onderging – naar mensen die als wolken voorbij trekken. Troostelozer dan hier wordt het niet: klinkt alsof heel de groep eerst een week lang verplicht werd non-stop naar ‘Born to be alive’ van Patrick Hernandez te luisteren.

Afsluiter ‘Decades’ is de mooiste Echternachprocessie uit de popmuziek: ‘Watched from the wings as the scenes were replaying / We saw ourselves now as we never had seen’ klinkt als een inzicht dat te laat komt, maar vooral als een laatste zicht op Schemerland van hoog in de lucht. Van hier af wordt het echt donker.
 

 
Kijk, ik wil het best hebben over de prachtige versregels vol uitgestuurde S.O.S.-jes die beginnen met ‘Existence well what does it matter?’ of ‘I never realised the lengths I’d have to go’. Natúúrlijk heeft de tweede Joy Division een graftombe op de hoes. Natúúrlijk heet hij ‘Closer’, en dat kan ‘dichterbij’ betekenen, maar ook ‘afsluiter’. Omdat de zanger zich ophing aan z’n droogrek kennen we ‘Closer’ vooral als ‘afsluiter’, en het eightiesdecennium als één dat begon met een eindsalvo.

De man die de foto voor de hoes had gekozen dacht pas ná de zelfmoord van de jonge marmeren gigant: ‘Fuck!’ Peter Hook was de eerste die eerlijk zei: ‘Wij hebben nooit naar de teksten geluisterd.’ Deze mensen hadden gewoon een tweede plaat gemaakt, en die was uitstekend, en iedereen stond stijf van de ambitie, en Curtis hing zich op, precies op de avond voor de groep naar Amerika zou vliegen. Iemand daarover: ‘We were only 24 hours from Tulsa’.

image

Beste zelfmoordprofetie-of-toch-niet-tekst: ‘The past is now part of my future / The present is well out of hand’.

Odes aan Joy Division? Massa’s. De invloed op wat na hen komt is immens, en zit overal in de kleinste kieren en gaten: in de graphic novel ‘The crow’, in de baslijnen van R.E.M., in motto’s voorin poëziebundels, …

New Ordersingles (‘Blue monday’, ‘Everything’s gone green’, het geweldige ‘Crystal’), The Cure op ‘Pornography’, flarden Interpol… ze blijven al bij al beleefde receptiebabbels vergeleken met het Joy Divisionorigineel, dat meer op een gesprek met een goeie vriend lijkt, ter hoogte van pint 4 en sigaret 3, en nog een paar uur te gaan voor de laatste trein.

Dit groepje uit de nieuwe lichting, dat soms meer als The Sound en Siouxsie and the Banshees klinkt dan als Joy Division, raakt wel een snaar. De intro is er bijvoorbeeld al boenk op:
 

 
Een raar moment is ‘The overload’, de afsluiter van Talking Heads’ ‘Remain in light’. ‘Gemaakt zonder Joy Division gehoord te hebben, afgaande op de recensies in de Britse pers’, liet de groep noteren. Ofwel compleet gelogen, ofwel is de Britse pers geniaal, want ‘The overload’ klinkt helemaal als Joy Divisions
‘I remember nothing’ uit de debuutplaat. Nu ik erover nadenk: als er niet is gelogen, is dat geen bewijs dat de Britse pers geniaal is. Het kan bovendien zijn dat er gelogen is door Talking Heads en dat de Britse pers toch geniaal is. Waarschijnlijk zijn er nog mogelijkheden.

Een heel mooie ode aan Joy Division is van het in hedendaagse klassieke muziek gespecialiseerde ECM-label, en komt van de verpakkingsafdeling. Het gaat over het Mc Donald’s-doosje (de hoes) en zelfs niet meer over de groenten en de sauzen bij de hamburger (de producer), en dus helemaal niet meer over de essentie, namelijk wat er in het vlees en het broodje wordt gedraaid (de kwaliteit van de songs).

Soit, mag ik alsnog de mensen van ECM proficiat wensen voor de grijstinten en de esthetiek die niet zomaar aan hoezen van Joy Division doen denken? ECM gebruikt in z’n logo iets dat lijkt het lettertype van ‘Unknown pleasures’, en
onderlijnt op dezelfde manier. Eens iets anders.

image

De zelfmoordmotieven van Ian Curtis zullen we uiteraard nooit kennen. Er was het drama van een man die niet kon kiezen tussen girl next door (Curtis’ vrouw met wie hij al op z’n 18e trouwde) en iemand van de jeunesse dorée (Curtis’ Belgische vriendin). De zanger werd door zijn platenfirma aan Amerika ook beloofd als een Jim Morrisonachtige sjamaan. Dat terwijl de man zich van het ene epileptische insult naar het andere sleepte, waardoor hij mogelijk niet altijd evenveel zin had in Morrisons break on through to the other side. Voor zover ik het verhaal een beetje gevolgd heb, had Curtis niet echt plannen om een grote rockcarrière uit te bouwen.

Begin 14e eeuw schrijft Dante over ‘iemand die plotseling neervalt maar niet weet waardoor’: ‘Wordt hij door een duivelse kracht op de grond gegooid of is het een lichamelijke aandoening die mensen overvalt?’ Maar laat ik het een beetje logisch houden: de allerbeste ode aan Curtis kan moeilijk uit de 14e eeuw komen. Ik kies dus voor fellow Mancunian en bizarre grappenmaker Mark E. Smith van The Fall, die twee jaar na Curtis’ dood in de eindejaarsvraagjes van een Brits muziekblad gepolst wordt naar zijn favoriete stand up comedians, en antwoordt: ‘Ian Curtis-imitatoren’.

Twee films zijn er. Anton Corbijns ‘Control’ focust in die mate op het liefdesdrama dat ik aan het eind begon over de handigheid van een droogrek dat je kan optrekken. ‘Moeten we in investeren’, zei mijn vrouw, waarna het toch nog gezellig werd.

De documentaire van Grant Gee (die ook ‘Meeting People Is Easy’ maakte over Radiohead) is veel beter. Aan het begin zegt Tony Wilson, de man die Joy Division tekende op zijn Factory Records: ‘Manchester in de mid-seventies voelde als een stuk geschiedenis dat was uitgespuwd. Het was een van dé plekken geweest waar de industriële revolutie was uitgevonden, en dus ook de uitwassen ervan. A grimy, dirty old town.’

Ik ga van Wilson geen heilige maken: de man is een haai uit de muziekindustrie zoals zovele anderen. Plus: het verband dat hij trekt tussen de big bang van Joy Division en zijn Factorylabel enerzijds en de ravescene rond Happy Mondays en de Haciendaclub van bijna 10 jaar later zou je evengoed kunnen torpederen via het verhaal van het door de stad en door Factory uitgespuwde The Stone Roses. Als u ooit één documentaire wil zien waarin de wereld van gewoon schrijnend vervaagt in In de gloria-schrijnend, en u nooit zal weten waar de grens ligt, moet u dat verhaal eens bekijken. Zeer kort samengevat: The Stone Roses werden opgelicht door een kapper. Maar The Roses waren wel dé inspiratie voor dé biggies van Manchester, Oasis, lieden die van Joy Division niet veel moeten weten, en van de boeken van Oscar Wilde die de zanger van The Smiths las nog minder.

Dus: aan de hand van popmuziek geschiedenis willen schrijven, het is en blijft een kwestie van standing on shakey ground. En toch! De documentaire van Grant Gee begint met beelden van de industriële verpaupering in Manchester, en dus van kinderen die in het gruis spelen. Bernard Sumner zegt: ‘Ik denk niet dat ik een boom heb gezien voor ik 9 was.’

Een moderner vergezicht staat voor de heropstanding van de stad. Op het scherm verschijnt: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world, and at the same time that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’

Ik laat niks meer etteren, dus ik zoek het op. De man van de quote blijkt Marshall Berman te zijn, een in 2013 gestorven New Yorkse stadsantropoloog met een zicht op de frontlinie van The South Bronx. Een film over hem toont de uitgebrande huizen van de Bronx in jaren 70. Het ooit zeer leefbare stadsdeel was in twee gesneden door de aanleg van een stadsautostrade en metrowerken. Huiseigenaars verwaarloosden hun eigendom, de middenklasse vluchtte naar de buitenwijken. Bermans stelling: ‘De gebouwen branden aan de ene kant van de straat, de kids proberen iets te maken aan de andere kant. Net uit dát halfvernielde stadsdeel komt een boodschap voor de rest van New York in de vorm van graffiti. Op die grijze, totaal vervallen metrostellen schilderen mensen exuberante letters, namen, motto’s en reliëfs. Vandaag zijn er al die films van toen. Alles is grijs. De huizenblokken zijn uitgebrand. En dan rijdt er een trein over een brug, en die ziet eruit als een regenboog. Dat is aangrijpend. De volgende incarnatie wordt rap. Het begint bij een jongen met kleine speakers en een drumtrack in de subway. Nu is het de belangrijkste vorm van wereldmuziek. Het is goed om te onthouden dat het allemaal van daar komt. Het is een parabel voor een wijk die een ruïne was geworden, maar die opnieuw opveerde.’
 

 
Ik vlucht van de parabels over de seventiesruïnes van Manchester en New York naar de realiteit van mijn lijst, want uitgerekend dié geboorte van hiphop – die inderdaad eerst via kleur kwam, en dan via klank – is in de tweede helft van de jaren 70 echt beleefd in de South Bronx, door twee neefjes die als zeer jonge knaapjes helemaal van de andere kant van de grote appel naar de block parties afreisden. Eenmaal groot en tougher than the rest maakten ze een plaat die zich naar nummer 3 elleboogt.

Besluit: de wedstrijd om de derde plaats tussen Manchester en New York was zeer spannend. New York heeft uiteindelijk brons gehaald.

image

image

 

 

‘They’re always different, they’re always the same’

 
image
 
The Fall
The Complete Peel Sessions
1978–2004

 

Eerst The Fall live in New York in 1981 met ‘Totally wired’, een van hun beste en bekendste songs. Er zit een stuk tekst in dat heel veel van Hunter S. Thompson leent, maar ook in een notendop uitlegt wie Mark E. Smith is: ‘You don’t have to be weird to be wired / You don’t have to be a died hair punk funk shit-hot fucked up tick-tock pad / 
You don’t have to be strange to be strangled / 
When the going gets weird, the weird turn pro’.
 

 
De grootste Fallfan aller tijden moet BBC-radioman John Peel zijn: ‘The Fall have given me more pleasure over a longer period of time than any other band, and when people ask me why, I always say: ‘They’re always different, they’re always the same’. I’m not sure if that means anything, but it sounds reasonably good.’

John Peel stierf in 2004 en ‘Fall heads roll’, een van mijn Fallfavorieten, is de eerste die Peel niet heeft gehoord. Vier songs die op de plaat zouden belanden zaten in 2004 wel in de laatste van in totaal 24(!) Peelsessies die The Fall voor de BBC deed.

‘If it’s me and your granny on bongos, it’s a Fall gig’, heeft Mark E. Smith ooit gezegd, en de line up van ‘Fall heads roll’ heeft inderdaad nog weinig te maken met die van het (in deze lijst op 98 belande) ‘Hex enduction hour’ van 23 jaar eerder. Anderzijds: gitarist Craig Scanlon en bassist Steve Hanley waren er wel tot midden jaren 90 bij.

Is Mark E. Smith een paternalistische dictator? Wellicht. ‘Werk, werk, werk’ heeft altijd op de lichtkrant geknipperd die in zijn hoofd aanfloepte als hij opstond en die uitviel als hij al dan niet nuchter ging slapen.

Smith werkt zich zonder om te kijken door veranderingen van line up en door echtscheidingen, en laat meer dan één van zijn vrouwen in de groep spelen.

Wat het is? Bier zonder schuim en sigaretten, een kortverhaal van H.P. Lovecraft, een banjo-interludium, voor de grap een Napoleonpak dragen en iets zeggen als ‘I do feel like an outsider, but I don’t lose any sleep over it’: Ja! De juiste kleren aan hebben, trending en kliekvorming, psychoanalyse, boeddhisme-op-dinsdag en een plaat van Leonard Cohen in de tourbus: Nee!

De Fallzanger is soms Filiberke ter hoogte van ‘Laat me met rust, ik speel vuurtoren’, soms gewoon een dronken karaokezanger die vaak de uitgang ‘-euh’ achter een woord zet, zoals in de song ‘Clasp hands’ (spreek dus uit: claspeuh handseuh) vanop ‘Fall heads roll’.

‘Clasp hands’ is een typevoorbeeld van de voor liefhebbers gestoorde maar geniale rockabilly – ooit hebben we het in ons hoofd weten klikken, dat samenraapsel van alle rare geluiden van Captain Beefheart en Can, van The Velvet Underground en The Monks, van Bo Diddleybeats en pubrock (en van een paar zatlappen die meebrullen met pubrock, van wie er één een kazoo vindt).

Voor Mark E. Smith is ‘Clasp hands’ waarschijnlijk de zoveelste song die in de studio op het eind van de dag van hem werd, op het moment dat hij het gewoon gereduceerd kreeg tot rauw geluid met vreemd gezang erboven.

Voor buitenstaanders zal The Fall altijd een groep blijven die hooguit de preselecties van muziekwedstrijden mag halen.

Overigens, als u the wonderful and frightening world of The Fall nog moet ontdekken, begin bij de song ‘Blindness’ uit 2005: een serieuze lap erop!
 

 
De Peel sessieversie van ‘Blindness’ is een geval van always different, always the same.

 
Ondertussen zijn we dus bij ‘The Complete Peel Sessions 1978–2004’ aangekomen.

‘I am tempted to say that this is possibly the best Fall-session that we have ever had, but I probably said that of all of them’. Op die manier besloot John Peel de laatste Fallsessie (mét ‘Blindness’) die hij in de ether smakte.

Als we in de alles behalve heilige, maar zeer Engelse graal The Fall willen blijven geloven, moeten we terug naar start via de zes cd’s tellende Peel Sessions-box.

Waarom?

1. Omdat een groep als The Fall, als die niet meer maar ook niet minder dan vier of vijf (meestal) nieuwe songs moeten spelen, als ze weten dat ze ermee op de radio gaan komen (en er dus voor moeten zorgen dat het een beetje aan mekaar hangt), maar als ze ook niet té veel prutstijd in de studio krijgen… gewoon op z’n best is, én qua muzikale punch én qua delivery van Mark E. Smith.

2. Omdat John Peel niet zomaar fan was van The Fall. De man maakte al sinds eind jaren 60 radio, en toen het punkgenre zijn programma quasi volledig overnam, was dat naar verluidt niet helemáál naar zijn zin. Het beste aan de post-1976-muziek vond hij de do it yourself-attitude van vele groepen: beetje geld sparen om een plaat op te nemen, die op 750 exemplaren persen, ermee bij hem op de radio komen, daarna ermee stoppen, of niet. Zo klinkt élke nieuwe Fallplaat nog altijd: als muziek die op de valreep op een beperkte oplage is geperst, en als de allerlaatste Fall-muziek die überhaupt zál worden geperst. Ondertussen zitten ze al aan meer dan 30 studioplaten, en weet ik niet zeker of ik er 2 dan wel 3 achter sta.

3. Omdat bij het ‘random’ afspelen van de sessies opvalt dat The Fall eigenlijk altíjd anders uit de hoek komt. De Captain Beefheart- en Caninvloeden nog niet helemaal afgeschud? Moet van voor 1983 zijn. Een echte popsong met een vrouwenstem? Mark E. Smith is hertrouwd. Een tekst waar je geen touw aan vastknoopt? Smith heeft in de pub een gesprek gehad met de William Blake en de J.M.H. Berckmans in hemzelf. Iets denigrerends over lang haar en sneakers en Pearl Jam? Het moet 1994 zijn. Een kerstlied? De opnames vonden in december plaats.

The Fall! Binnenkort kan ik eindelijk meezingen met hun ‘I’m a fifty year old man / What you gonna do about it?’

The Fall! Hieronder een Spotifyselectie van 10 van de 96 Peel sessiessongs.

1. ‘New face in hell’. Voor: het parlando van ‘The gift’ van The Velvet Underground. Na: het halfparlando van ‘Conduit for sale’ van Pavement. Eerste zin: ‘Wireless enthusiast intercepts government secret radio band and uncovers secrets and scandals of deceitful type proportions’. Met kazoo en koeienbel en Mark E. Smith die een gekeeld varken nadoet.

2. ‘Who makes the nazi’s?’ ‘Intellectual half wits’ blijkt een juist antwoord, alsook ‘de BBC, George Orwell en de Birmaanse politie’. Zomaar wat. En toch op de een of andere manier veel beter dan zomaar wat.

3. ‘Eat yourself fitter’. Naar een slogan op een cornflakesdoos. Da’s om een Fallsong vrágen, natuurlijk!

4. ‘Cruiser’s creek’. Uit de rayon ‘Had met veel alsen en veel dans een hit kúnnen zijn’.

5. ‘US 80’s 90’s’. Speelt zich af bij de grenscontrole in Boston. ‘No beer / No cigarettes / Spikes, gin, cigarettes / Whisky / Welcome to US 80s 90s’. Klinkt als de original van drie kwart van het oeuvre van (het overigens fantastische) Girls Against Boys.

6. ‘M-5’. Die M-5 is geen Autobahn, maar gewoon an evil roundabout. De ‘6-7 PM’ uit de tekst is natuurlijk de avondfile. ‘Just a well-read peasant’ is hier korter dan op de officiële release: ‘Just a well-read punk peasant’.

7. ‘Touch sensitive’. Iets onduidelijks van The Velvet Underground gespeeld door dronken skins. En nog uitstekend ook.

8. ‘Theme from Sparta F.C.’ Deze spionkop wil bloed aan de paal: ‘We live on blood / we are Sparta F.C.’.

9. ‘What about us?’ begint met ‘I am a rabbit from East-Germany’. Toch iémand die terugdenkt aan de konijnen achter de prikkeldraad tussen de west- en de oostmuur in Berlijn. Want wat een drama zeg: eerst generaties lang rustig grazen, en dan een deur die plots opengaat en die een konijnenexodus in gang zet.

10. ‘New puritan’. Een song die mij – werkelijk waar – ooit inzichten heeft gegeven; ondertussen wel vergeten waarover. Mark E. Smith dekt zich tegen zijn eigen écriture automatique in met ‘What do you mean: what’s it mean, what’s it mean?’