Terwijl de hele wereld verbrokkelt

 
image
 
 
image
 
Bob Dylan
Time out of mind
1997

 
 

Vandaag komt ‘Time out of mind’ binnenwandelen als een deel waarin we het geheel kunnen zien. Bij het mixen van de plaat begint Bob Dylan tegen al wie het wil horen lang en in detail te vertellen over vroeger, en dat zal ‘em bij zijn boek ‘Kronieken’ brengen, een autobiografie in stukken.

In de dodehoekspiegel zien we vandaag zelfs dat de man onmiddellijk na het finetunen van de plaat ernstig ziek wordt, voor de hemelpoort staat, erop klopt en geweigerd wordt. Wakker worden doet hij in een decor van Grammys, Plaat-Van-Het-Jaarrecensies en een come backinterview in Newsweek (met de grootlettercover ‘Dylan lives’).
 
image
 
In de jaren na ‘Time out of mind’, weten we ondertussen ook, heeft de man geen enkele stinker meer gemaakt; daar bestaat zelfs een zekere consensus over. Er volgde ook geen enkel meesterwerk meer; dat zullen sommigen betwisten. De 21e-eeuwer Dylan is naar mijn aanvoelen gewoon heel goed, en constant heel goed.

‘Time out of mind’ is net dat beetje meer. Er is vanaf seconde 3 iets aan de hand. Het gerommel komt in twijfelend mineur, wordt op de voet gevolgd door een vol gruis zittend repetitief orgel en door de schuurpapieren zin ‘I’m walking / through streets that are dead’.

De cd komt als een soort contrathema uit het binnenste van een artiest die de duistere diamant heeft gekregen, die ervoor kiest om veel harde waarheid te verdragen, die de handleiding heeft verruild voor de intuïtie, die schijt heeft aan tijdsgeest, vrolijkheid, hipheid, etiquette, optimisme (en omdat het 1997 is, aan Hanson, Puff Daddy en ‘Candle in the wind’), en die in de opener ‘Love sick’ niet een specifieke geliefde lijkt te vervloeken, maar gewoon de liefde zelf. Eén probleem in verband met die liefde: Dylan zit in the thick of it.

Ik herinner me de eerste luisterbeurt – eigenlijk: het eerste pak slaag – maar al te goed. Daar stond ik met mijn Soul Coughing- en Chemical Brothersplaatjes en met mijn paspoort vol stempels. Ik kon hooguit een paar schuttingwoorden prevelen – ‘damn’ en ‘fuck’ als ik het me goed herinner – alvorens eventjes te verstenen. Vandaag klinkt de Dylan van 1997 minder hard – ik zal ouder geworden zijn.
 

 
Mocht Bob Dylan in interviews zo benaderbaar zijn geweest als een gemiddelde talkshowgast – en begrijp me goed: een geluk dat dat niét zo is – dan had iemand met een voornaam Jay of Oprah hem in 1997 kunnen vragen: ‘Sla je op deze plaat niet op de een of andere manier een heel nieuwe richting in?’ En dan had de man, met een voor talkshows verplichte ironie en zelfspot, kunnen zeggen: ‘Mijn vorige platen hadden geen richting, ze wisten gewoon niet waarheen’.

Want wat hadden we sinds het in deze lijst op 111 belande ‘Oh mercy’ uit 1989 gekregen? Anderhalve doenbare song op ‘Under the red sky’, en geen enkele op ‘Good as I been to you’, ‘World gone wrong’ en ‘MTV unplugged’. Dáárvoor? Acht platen waarop de kunstenaar bijna nergens uit zichzelf brak.

Dus nog eens herhalen wat hier en daar een Dylanliefhebber zal betwisten: er was de hele jaren 80 niks, er was plots die goeie, door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Oh mercy’ heet, er was opnieuw lange tijd niks, en toen was er een uit-ste-ken-de, opnieuw door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Time out of mind’ heet.

Is er een verschil tussen beide? Lanois’ U2-Neville Brothers-Peter Gabriel-Acadie-bedelvingswerken zijn op ‘Time out of mind’ iets minder aanwezig. De plaat is minder broeierig. Minder vochtig. Minder bombastisch. Minder New Orleans. Er zijn minder krekels. Minder momenten waarop het te warm is om te slapen. Dat laatste is wellicht onzin, want de studio stond in Miami, en dat is niet het hoge noorden.

Er soleert nergens een sax, er wordt geen lap steel naar voren gemixt. In ‘Trying to get to heaven’ komt zelfs Dylans enige mondharmonicamoment er niet schel bovenuit. Egaal producen is meestal geen goed idee. Hier wel. Hier is het allemaal machtig egaal geproducet.

image

Bij het maken van ‘Oh mercy’ was Dylan met lege handen naar Daniel Lanois gegaan. Bij het maken van deze plaat niet. Eerst zijn er de Teatrostudio’s in Californië, waar Dylan met Mark Howard een liveopname mixt en de mogelijkheden van distortion op de mondharmonica ontdekt. Daarna vraagt hij ook zijn stem te vervormen. Onderweg naar de studio hoort hij oude bluesman Little Walter op de radio, en vraagt of hij dát geluid kan krijgen. Dat kan geregeld worden.

Dylan wil ook weten hoe Beck aan zijn sound komt, en er wordt hem verteld dat Beck laat drummen boven een onderbouw van loops. Tony Mangurian, een hiphopdrummer, wordt ingevlogen. De Lanoisploeg begint te werken, Dylan kruipt aan de piano, speelt eerst songs zonder tekst, en zingt dan plots ‘Can’t wait’, bijgestaan door Mangurian die zonder loops drumt. Iedereen blij, ook omdat in het knusse, omgebouwde theatertje het geluid perfect is.

Waarna Dylan meldt dat hij ver van zijn familie wil werken, in de nogal kille Criteriastudio’s in Miami. En dat hij nóg een hoop muzikanten gaat laten overvliegen.

In de studio staat 14 man. De prijs van de kleinste ecologische voetafdruk heeft deze plaat nooit gekregen. Het procédé: Dylan speelt een song nooit twee keer op dezelfde manier: hij begint telkens in een andere toonaard. Opdracht 1: wie niet kan volgen, speelt beter niks dan fouten te maken, want veel takes zitten er niet in. Opdracht 2: geen gesoleer. Olé!

De muzikanten die Dylan meebrengt zijn Jim Keltner, Jim Dickinson, Candy Cashdollar, Augie Meyers en Duke Robillard. Meyers is mijn favoriet: naar zijn Sir Douglas Quintet kan ik drie songs lang luisteren. Van Jim Keltner begrijp ik wat hij bij Ry Cooder doet. Jim Dickinson heeft ooit een plaat van Alex Chilton geproducet die ik goed vind. Daar houdt het ongeveer op.

Maar meer hoeft ook niet. Kijk, het kan nog veel extremer. Als begin 2014 ‘Lost in the dream’ van The War On Drugs aanklopt, moet ik die cd in theorie verschrikkelijk vinden, want ‘I’m on fire’ van Bruce Springsteen is een invloed, de sfeer van Bruce Hornby’s ‘The way it is’ zit in de mix, ik hoor echo’s van Rod Stewart ter hoogte van ‘Young hearts / be free tonight’, van Chris Rea, Tom Petty en Jeff Lynn, ja zelfs van ‘Wishing’ van A Flock Of Seagulls, en iemand hoort er de Dylan van de eighties in, maar té zot moet het niet worden. Punt is: bij zowat al die muziek moet ik dekking zoeken. Tegelijk heeft het geweldige ‘Lost in the dream’ een paar weken opgestaan. Elke dure theorie erover liegt. Het gebeurt gewoon.

De songs van ‘Time out of mind’ dan. Doorheen ‘Standing in the doorway’ waart de geest van ‘Can’t help falling in love’ van Elvis Presley. ‘Million miles’ lijkt alleen een triestige plant, want groeit en groeit, en zelfs de metalige microfoon swingt. ‘Til I fell in love with you’ heeft een bluesgitaar zo sexy als de pieee van Cypress Hill, en er danst ook een geweldige piano mee.

In ‘Not dark yet’ is de licht pathetische Lanoishandtekening van ‘Oh mercy’ het meest aanwezig, maar het zich immer herhalend orgel van Augie Meyers – zowat overal dé tweede man – wint van al het vol effecten zittende gelapsteel, en de tekst doet de rest: ‘I was born here and I’ll die here against my will / I know it looks like I’m movin’ but I’m standin’ still / Every nerve in my body is so naked and numb / I can’t even remember what it was I came here to get away from’.
 

 
‘Can’t wait’ kijkt van aan de andere kant van de poort naar de (bijna opgegeven) liefde, murmelt een zin die het Leitmotiv van de hele plaat kon zijn (‘That’s how it is / When things disintegrate’), en raar maar waar, vindt ook terwijl die hele wereld verbrokkelt een wonderlijk ritme.

’t Is wel tijdens songs als deze dat ik heb gedacht: dit moet de oudste stem van heel Honderd zijn, maar in werkelijkheid zijn de nestors hier Michael Gira van Swans ter hoogte van ‘The seer’ en de Arvo Pärt van ‘Lamentate’.

De soulman in mij verliest een paar levens omdat ik ‘Make you feel my love’ eerst in de versie van Adele moest horen voor ik het een uitstekende popsong vond, maar wint een leven terug als het mij niet meer kan schelen dat ik stukken tekst van ‘Cold irons bound’ ben vergeten, sta te dansen op deze halfgeconstipeerde hipshake vol bas, orgeltje, reverb, goeie opbouw en fantastisch ritme.
 

 
En dan zijn er de sombere teksten die van de plaat een waarschuwingsbord maken, één met daarop: ‘Niet langs hier’. Een gestrand schip dat een gevaarlijke plaats in het vaarwater aangeeft mag dus ook. Slechts een paar voorbeelden: ‘I’ve been down on the bottom of the world full of lies / I ain’t lookin’ for nothin’ in anyone’s eyes’. ‘Some things last longer than you think they will / There are some kind of things you can never kill’. ‘When you think that you’ve lost everything / You find out you can always lose a little more’. Ik kan de voorbeelden naar goeddunken vermenigvuldigen.

Troost en comedy zijn ver weg, maar daar is gelukkig het 16 minuten durende ‘Highlands’. Augie Meyers zet een Show van Bosmans Jos-pruik op. Dylan is de enige klant in een restaurant in Boston en vraagt aan de serveerster wat hij wil. Waarschijnlijk hardgekookte eieren, zegt ze, en daar begint de absurde conversatie pas.

Als Dylan het restaurant verlaat, wordt het echt weemoedig. Na een zin als ‘Some things in life it just gets too late to learn / Well, I’m lost somewhere, I must have made a few bad turns’ wil je het waarom, het hoe en het door wie niet meer weten: het is gewoon ergens misgelopen, zoals bij iedereen. Het is gewoon herkenbaar.

Wie die sfeer vasthoudt wordt in de somberte beloond met een heel goeie grap: ‘I’m crossing the street to get away from a mangy dog / Talkin’ to myself in a monologue / I think what I need might be a full length leather coat / Somebody just asked me if I’ve registered to vote’.

In de slotzin over de Highlands zit een beetje hoop en veel berusting: ‘There’s a way to get there / and I’ll figure it out somehow / I’m already there in my mind / and that’s good enough for now’ sluit perfect af.

1997 is trouwens een woelig Dylanjaar. In ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, een boek van het jaar 1971, fulmineerde Hunter S. Thompson ooit tegen goeroes: ‘One of the crucial moments of the Sixties came on that day when the Beatles cast their lot with the Maharishi. It was like Dylan going to the Vatican to kiss the Pope’s ring.’ Wel, op 27 september 1997 treedt Bob Dylan op voor paus Johannes Paulus II, en voor veel volk. De zanger opent met ‘Knockin’ on heaven’s door’. De paus zit erbij alsof hij over de zanger de avond zelf nog een beschouwende prozatekst moet maken.

Ik heb Dylan gezien in 2001, in Vorst Nationaal. Het was mijn vierde keer. Hij zong ‘If dogs run free / then why not we?’ Omdat het zeer goed was, durfde ik daarna niet meer te gaan. Of wilde ik niet meer gaan. Of was er te veel ándere muziek. Bovendien: of Bob Dylan al dan niet de ring van de paus heeft gekust, who cares!

Beste moderne pelgrimslied van na ‘Time out of mind’: dat met ‘Ain’t talkin’ / just walkin’ / hand me down my walkin’ cane’. Gaat ondermeer over last hebben van tandpijn in de hiel.
 

 

Soulsville U.S.A.

image

image

Otis Redding
‘The ultimate live Otis Redding show’
1963-1967

Let niet te veel op de cd-titel. ‘The ultimate live Otis Redding show’ bestaat écht als commercieel product, maar met ‘The ultimate live Otis Redding show’ bedoel ik vooral: ‘Van Alles Wat van Otis Redding live’, en eigenlijk zelfs ‘Om Het Even Wat van Otis Redding live’. Ik bedoel dus: als het maar Otis Redding is, en als het maar live is.

Ik moet eerst even in herhaling vallen. Het stuk over mijn nummer 100 – ‘Live At The Apollo’ van James Brown – begint met ‘Sweet soul music’ van Arthur Conley. Met die song begint ook deze ‘Otis Zingt’. Nummer 100 is dus verwant met nummer 1: misschien is Honderd een kwestie van ‘En Ons Einde Is Bepaald Door Ons Begin’.

Dus! Arthur Conley zet in de tekst van ‘Sweet soul music’ eerst de spots op Lou Rawls, Sam and Dave en Wilson Pickett, en daarna op Otis Redding: ‘Singing fa fa fa fa fa fa fa fa / Fa fa fa fa fa fa fa fa’.

In de laatste strofe, die Conley in 1967 nota bene vaak bracht in het voorprogramma van Otis Redding op de Stax/Volt Revue-avonden, zingt de man: ‘Spotlight on James Brown now / He’s the king of them all, yeah’. Op nummer 100 schreef ik: ‘James Brown is de koning, laat dat duidelijk zijn’.

Maar hoe zit dat dan? De king of soul slechts op 100, en een liveplaat van Otis Redding op nummer 1?

Vooreerst, ik durf het James Brown in het eventuele hiernamaals niet te gaan vertellen. Maar Arthur Conley’s song eindigt op ‘Otis Redding got the feeling / James Brown got the feeling’, en dat zijn alle twee waarheden en niks-dan-de-waarheden.

Otis Redding kan lang niet zo ‘mooi’ zingen als Sam Cooke, al probeert hij het wel op zijn prachtige eerste single ‘These arms of mine’. Hij heeft ook veel minder mieren in z’n broek zitten dan James Brown; Redding danst eigenlijk als een zeer houterige speelgoedman. En toch is Otis Redding voor mij ‘the king of them all, yeah’.

Arthur Conley en Otis Redding delen op de Stax/Volt Revue-avonden eenzelfde begeleidingsband: Booker T. and the MG’s. Organist Booker T. Jones en drummer Al Jackson zijn zwart, gitarist Steve Cropper en bassist Lewie Steinberg (vanaf 1965: Donald Dunn) zijn blank. Begin jaren 60 nergens een evidentie, maar zeker niet in Memphis. Afro-Amerikanen uit noordelijker steden, bijvoorbeeld de businessmensen van Atlantic Records die met de Staxplatenfirma gelieerd zijn, spreken over een bezoek aan Memphis als over een reis van minstens 15 jaar terug in de tijd. Rassenscheiding (concreet: aparte scholen, aparte openbare toiletten, aparte restaurantruimtes) wordt er pas opgeheven met De Wet Op De Burgerrechten van 1964. En het is niet vanzelf gegaan.

image

Hoe Stax records is begonnen? Een blanke broer en zus kopen een theatertje op en in het huis ernaast richten ze een platenwinkel in. Eigenlijk willen ze country opnemen en verkopen, maar omdat het een moeilijke wijk is, en de deur voor iedereen open staat (‘We didn’t see colour, we just saw talent’), wordt het een favoriete hangout, een oase en een melting pot.

Het begint met The Veltones en Rufus en Carla Thomas. Daarna is Stax een bescheiden hitfabriek, één die het commercieel tegen het Detroitse Motownlabel moet afleggen. Maar vooral: al die namen van die Staxartiesten, zeg! Ik kan ze gewoon niet onthouden. Laat ik in één moeite door ook toegeven: ik weet niet wanneer The Mar-Keys veranderen in The MG’s, evenmin of The Mar-Keys later louter de blazerssectie worden, ik vraag me nergens af waar en wanneer er één dan wel twee tenorsaxofonisten meespelen, ik heb er geen flauw benul van wie meedeed in Reddings latere begeleidingsband The Bar-Kays, het woord Kays dit keer niet met een ‘e’ maar met een ‘a’.

image

Wat ik wel weet: Stax-huisorkest The Mar-Keys heeft – onder de naam Booker T. and the MG’s – begin jaren 60 al een hit met ‘Green onions’ als op een dag een lange, struis gebouwde zwarte chauffeur/roadie van een groepje uit Georgia na de opnamen vraagt of hij ook iets mag zingen: ‘These arms of mine’ wordt de eerste Otis Reddinghit.

De meeste Staxsingles van Redding zullen hits worden. Naar Staxsingles van onbekender gebleven anderen luisteren is een paar keer jezelf de vraag horen stellen: ‘Hoezo, géén hit geweest?’

Het land dat als eerste compleet plat gaat voor de traan in Otis Reddings stem is Groot-Brittannië. De naar a deeper shade of soul verlangende anorakjes-op-Vespas die we Mods noemen zijn de schuldigen. Een groter blank tienerpubliek volgt: het koopt in bruin kaftpapier gestoken singletjes waar, behalve titel en uitvoerder, niks op staat. Als er een lp verschijnt is het er één met een blonde vrouw op de hoes. Men weet in Europa gewoon niet hoe Otis Redding eruit ziet.

Voor Redding en gevolg, die – als ze in 1963 en 1964 in het kleine-clubcircuit door de States toeren – op sommige plekken in gescheiden ruimtes hebben moeten eten, worden aan de Londense luchthaven limousines voorgereden: geschenkje van The Beatles. Ook de rest van Europa behandelt hen als sterren. Op Youtube staat een heel concert van de Stax/Volt revue in Noorwegen dat switcht van aandoenlijk naar fenomenaal. Er is op youtube ook een respectvol Parijs in zwartwit, en Londense Otismania in kleur. Voor wie aan vinyl of cd wil blijven plakken: de neerslag op lp die ‘Live in Europe’ heet is zéér goed.

De op nummer 1 belande ‘Ultimate live Otis Redding show’ zit als laatste van vier cd’s in een box die ‘Otis! The definitive Otis Redding’ heet. Ik moet nog iets bekennen: het is zeer lang geleden dat ik nog eens naar de drie cd’s met de studiohits heb geluisterd.

Nog eens: u moet niet per se op zoek naar dié ultieme live-cd in dié box. ‘Ultimate live’ is gewoon een samenraapsel van verschillende optredens. Het plukt uit ‘Live in Europe’, maar evengoed uit 1964- en 1966-concerten in de States. Op ‘Ultimate live’ loopt een songversie uit 1964 over in een bindtekst van 1967. Veel van mijn favoriete opnamen zijn blijkbaar in de Whisky A Go Go gemaakt, in het L.A. van 1966. ‘Otis Redding in person live at the Whisky A Go Go’ is een zéér, zéér goeie plaat. Op Spotify heet een variant erop ‘Live on the Sunset Strip’.

image

Met de vinnige pre-breakbeat en uitdrijvingsmuziek van James Brown heeft Reddings soul niet veel te maken. De tragere songs zijn gospels die met de voetjes op de grond beginnen en trapje voor trapje waanzinniger en waanzinniger worden. Trouwens, snel of traag, als Redding mij nog maar gewoon heel even aanspoort met ‘One more time a little louder’ of ‘Keep it goin, don’t stop’ heeft hij al gewonnen van al de rest. Ik ben dus nogal te vinden voor deze man.

Reddings versies van ‘Daytripper’ van The Beatles en ‘Satisfaction’ van de Stones, die niet meteen overlopen van respect voor de teksten van de originals, zijn voorbeelden van snelle songs. ‘Can’t turn you loose’ is een waanzinnige sprint van ‘Bullet Otis’ die bij wijze van spreken binnen de 10 seconden fotofinisht.

De break van ‘Can’t turn you loose’ is heel kort, Otis zegt erin: ‘I know you think I’m a gonna stop now / ain’t gonna stop / ain’t no stop / we’re goin’ one more time’, als zit hij gevangen tussen complete uitputting en de drang om plichtbewust voort te maken waarmee hij nu eenmaal is geboren… en daarna gaan we opnieuw een gang. Thát’s entertainment!

Meest voorkomende woorden in de sprintsongs: ‘Gotta-gotta-gotta’. Meest opduikende slagzin: ‘Sock it to me’. Op deze cd staan 22 songs, terwijl Redding er op één avond nooit meer dan 10 heeft gedaan. De hele zwik in één keer beluisteren is alleen mogelijk voor wie traint voor een belangrijke bokswedstrijd.

Reddings bindteksten zijn veel meer dan rustmomenten. Ze zijn niet alleen onderhoudend, maar ook essentieel. ‘Let your hair down!’ ‘Get Soulful! Get your shoes on off!’ ‘Just holler loud as you wanna!’ De raarste: ‘We’re gonna eat next week’.

Je hoort ook dat optreden een waar plezier is. Na ‘Right now I’d like to introduce you to a ballad song / a song that what we call Soul’ laat iemand in het publiek een ‘Yeaah’ horen die van heel diep komt en moet Redding lachen. ‘Chained and bound’ wordt ergens aangekondigd met ‘We’re gonna do a song that you’ve never heard before’. Iemand moet terugroepen: ‘Says who?’, want Redding antwoordt ‘Says me’, en lacht opnieuw. Aan het eind van de song zegt Otis: ‘See how hard we have to work to eat?’

Redding heeft zich altijd eerlijk ge-out als entertainer, en als niks meer dan entertainer. Als er één artiest in Honderd staat voor wie ontegensprekelijk geldt wat Tröckener Kecks ooit zongen, namelijk ‘Hij doet het / 1 voor het geld / 2 voor de show / en 3 voor het publiek’, is hij het.

Dat wil niet zeggen dat het geen pijn doet: ‘Just one more day’, in de versie van 9 april 1966 in de Whisky A Go Go, doet enórm veel pijn. Zie ook: ‘I’ve been loving you too long(to stop now)’ en ‘Pain in my heart’.

‘Try a little tenderness’ is in 1967 op veel plaatsen terecht de concertafsluiter. Als het pijn doet in de stem, doet het ook pijn in de blazers van eh, The Mar-Keys, met wie de zanger het meest in gesprek is.

Over die blazers! The MG’s zijn geweldig, Reddings stem ook, maar zonder de blazers stond Redding niet op 1. Mijn argumentatie, kort: de beste blazers ter wereld zijn de blazers van het Staxlabel en dat zijn The Mar-Keys. De beste Staxsingles zijn die van Otis Redding. De beste Reddingblazers zijn die van zijn liveplaten.

Redding & Co zijn in 1967 de enigen die een kostuum dragen op het hippiefestival Monterey: een ware triomf, hoewel de groep de set moet inkorten.

Redding belandt onmiddellijk na dat concert thuis in de sofa, in zijn ranch; Redding is a southern man. Hij heeft serieuze stemproblemen, is in de war van de love crowd, luistert naar ‘Sgt. Pepper’s lonely hearts club band’ van The Beatles en schrijft ‘(Sittin’ on) The dock of the bay’, een klein wonder en een muzikale koerswijziging die niet door iedereen bij Stax records wordt toegejuicht.

Redding stort – samen met zijn begeleidingsgroep The Bar-Kays – neer met z’n privé-propellervliegtuig, en staat overal postuum op 1: ‘Watching the ships roll in / Then I watch ‘em roll away again, yeah’. En ook: ‘Sittin’ here resting my bones / and this loneliness won’t leave me alone / it’s two thousand miles I roamed / Just to make this dock my home’. De door dpfreddy12’s geposte lyric-video is wat dat moet zijn. In het Engels: ‘Excellent job!’

Voor Stax is Reddings dood niet de enige ramp. In de deal met Atlantic records zijn de kleine lettertjes niet goed gelezen. Uitgerekend in het met Staxgeld gerunde Lorraine hotel, een hangout voor de zwarte bovenklasse, wordt Martin Luther King, die naar Memphis afzakt om stakende vuilnismannen een hart onder de riem te steken, doodgeschoten. Een slagschaduw valt over de grote steden. Stax krijgt in de steeds gevaarlijker wordende slechte wijk zeer concrete doodsbedreigingen en moet zware gangsters aanspreken om artiesten te beschermen.

De Staxmuziek wordt ook anders: protodisco op z’n Johnnie Taylors, gepimp à la Isaac Hayes. Het singletje ‘Mr. Big stuff’ van Jean Knight is geweldig: vleugje seventiesfunk, een typisch Staxritme en daarboven die blazers, simpel en toch rauwer en spannender dan heel Motown samen. Memphis, dat Soulsville U.S.A. heet, leeft heel even op en wint nog één keer van Hitsville U.S.A., de Detroitse assemblagelijn die we als Motown kennen.

Maar het gaat verder bergaf: excessen met dure auto’s, bontjassen en veel te veel cash geld leiden tot bankroet. Het is gedaan.

image

Ik ben zo blank als een biggetje, maar met een nummmer 1 als deze moet ik Mos Def wel gelijk geven als hij rapt: ‘When I want some rock and roll / I go to Otis Redding to get some soul’.

Ik had hier nog iets in gedachten met de Memphis Horns die met iedereen hebben gespeeld (als je Elvis Presley, Peter Gabriel, Robert Cray, U2, Rod Stewart én Primal Scream samen op je cv hebt staan, mag je iedereen zeggen), met Sharon Jones, Charles Bradley en vele anderen die de soul uit Soulsville naspelen en ook in de livevorm als Stax/Volt-Revue uit de poppenkast komen, met Elvis Costello die ooit zei dat de Staxsound dé grote soulinspiratie was voor zijn Attractions, met RZA van Wu-Tang Clan die Staxsingles plundert met de pink omhoog terwijl de sample van Jay-Z en Kayne West in ‘Otis’ te veel all over the place is, …

… maar het is gedaan. Es ist aus. Bedankt om te lezen, te luisteren, te reageren, te delen ook. Mijn excuses aan de mensen die – omdat ze in huis een probleem hadden – ‘scheuren in het stucwerk’ googleden en op mijn Rage Against The Machinebericht met die titel zijn beland.

Keep on rockin’ in the free world! ThankYouGoodnight.

image

‘If there’s hell below, we’re all going to go’

 
image
 
Curtis Mayfield
Curtis
1970

 

Curtis Mayfield is in de tweede helft van de jaren 60 een zwarte popster met een bril die close harmony zingt bij The Impressions.

We bevinden ons in Chicago, in de slechte buurt, in een eenoudergezin, on the other side of the tracks. Mayfield schrijft de meeste hits van The Impressions zelf. Die songs zeggen in de loop der jaren steeds minder ‘It’s all right / have a good time’, ze beloven steeds meer ‘Power to the people’. Op de radio wil men van dat engagement niks weten: te subversief.

Er gebeurt nog iets: Mayfield, die een indrukwekkende falsetto heeft, gitaar heeft leren spelen van een linkshandige en naar verluidt zijn instrument gelijkstemde op de hoge toetsen van zijn piano, krijgt er met de beste wil van de wereld geen drieminutendoowop en -gospel meer uit. Hij gaat solo, en wil moddervette funk laten horen, maar ook tussen blazers en strijkers een harp opstellen. Het leidt tot briljante orkestraties op zijn debuut ‘Curtis’, plaat die hij min of meer zelf producet en op zijn eigen label uitbrengt. In 1970 nog wel! Een jaar voor ‘What’s going on’ van Marvin Gaye. Drie jaar voor ‘Innervisions’ van Stevie Wonder.

De Mayfieldteksten scanderen soms ‘Move on up’ en ‘Keep on pushin’. Meestal zijn ze harder. Mooiste omschrijving van de gettowanhoop: ‘We the people who are darker than blue’. In die song valt halfweg een ritme binnen waarin stoot- en trekblazers een belangrijke bijrol spelen (en het niveau van een Fela Kutiplaat halen). Dat ritme wordt daarna opgehapt door een harp en door een tekst die in die jaren al waarschuwt voor brothers die mekaar naar het leven staan: ‘When the time comes and we are really free / There’ll be no brothers left you see’.
 

 
Op ‘Curtis’ staat ook een treffende, realistische omschrijving van de andere kant van de stad, waar het moeilijk is om nog iets goeds voor mekaar te krijgen: ‘I’m from the other side of town / I never learned to share or how to care / I never had no teachings about being fair / Depression is part of my mind / The sun never shines / On the other side of town’. Ook ervaringsdeskundig waargenomen: ‘The need here is always for more / There’s nothing good in store’. Mayfield zingt het met die prachtige hoge stem van ‘em. De muziek kruipt vanuit een sprookjesharp en een donderregen naar boven, waar een soulmuziekje van strijkers geweldige tegenritmes krijgt. Daarna blazers. Conga’s alweer. Mijn favoriet!
 

 
‘Move on up’ is het funky dansbeest van de plaat en zit vol Gotta keep on pushin’-hoop. Mayfield is als zeer geëngageerde mens altijd aan de gematigde kant van Martin Luther King en Black Power blijven staan en nooit overgezwommen naar de radicale oever van Malcolm X en de Black Panthers. Dat hoefde ook niet, want hij wás al z’n eigen losgeslagen projectiel! De man bracht bijvoorbeeld opener ‘(Don’t worry) If there’s hell below, we’re all going to go’ als single uit: een van de donkerste funksongs ooit. In de intro zegt een depressieve vrouw dat ze heeft zitten lezen in ‘De openbaring van Johannes’, en de muziek klinkt de hele tijd als de stem die ons in die apocalyps toespreekt met de kracht van een bazuin. De overbekende intro luidt: ‘Sisters, niggas, whities, jews, crackers! / Don’t worry, if there’s hell below, we’re all going to go!’
 

 
Mayfield is enorm veel door hiphoppers gesampled, lees ik ergens, maar na wat opzoekwerk blijkt helaas dat de meesten hem een keer te veel op dezelfde plaats bestelen, en slechts één seconde lang. Ultramagnetic MC’s, N.W.A., Tupac, Nas, Kanye West, The Notorious B.I.G., Jay-Z, Del Tha Funky Homosapien: allemaal samplen ze ‘Don’t worry’ op seconde 37, maar alleen om dat woordje ‘niggas’ te jatten. Beetje triest. De Mayfieldcovers van Bran Van 3000, Lauryn Hill, zelfs die van The Jam en Mark Eitzel, ze steken bij mij nergens het licht aan. En wat maken Angélique Kidjo, Bono en John Legend eigenlijk van ‘Move on up’? Om nog te zwijgen van die all over the place-sample van ‘The makings of you’ in een song van Kanye West en Jay-Z.

Ik begin dus stilletjes aan te denken dat echt niemand in de buurt komt van Curtis ter hoogte van ‘Curtis’. Maar dan kom ik bij ‘Pusherman’ uit, een song die Mayfield in 1972 voor de film ‘Super Fly’ maakte. Hij had de rushes van de film al bekeken en vond dat gangsters en pooiers er te nadrukkelijk in verheerlijkt werden, dus gaf hij tegengas in harde lyrics die iedereen op z’n verantwoordelijheid wijzen, ook de potentiële drugsklant: ‘I’m your momma, I’m your daddy / I’m that nigga in the alley / I’m your doctor when in need / Want some coke? Have some weed / You know me, I’m your friend / Your main boy, thick and thin / I’m your pusherman’.

Het beste eresaluut aan de man komt van – of all people – Eminem, die in ‘I’m Shady’ rapt: ‘I got mushrooms, I got acid, I got tabs and aspirin tablets / I’m your brother when you need, some good weed to set you free / You know me, I’m your friend, when you need a minithin / I’m Shady’. Minithin blijkt een in die tijd populair vitaminepreparaat dat overal te krijgen was en dat deed wat die andere drugs ook deden. Hoe verdomd goed was die Eminem, zeg, van aan zíjn andere kant van de sporen, in het blanke trailerpark waar veel mensen op hun eigen manier darker than blue waren!

Eminem wist wellicht ook: áls er al een hel bestaat, dan gaan we er met z’n allen naartoe, so don’t worry! En ondertussen: keep it gangsta!