‘Eid ma clack shaw’

 
image
 
Bill Callahan
Sometimes I wish we were an eagle
2009

 

Fast forward naar song nummer 5. Die heet ‘Too many birds’. Er zitten in die song te veel vogels in één boom. En het wordt almaar erger: ‘And one more bird / Then one more bird / And one last bird / And another’.

Eén laatste merel vindt geen plek om te landen, hij hoopt de plek terug te vinden waar hij ooit rust heeft kunnen vinden, maar dat is met zekerheid niét deze overvolle boom.

Dus vliegt de merel uit om op een steen te slapen (en wellicht slecht te slapen), om daarna tóch terug te keren naar de boom met te veel vogels.

Het laatste stuk tekst is als een woordladder uit te schrijven:

If…
If you…
If you could…
If you could only…
If you could only stop…
If you could only stop your…
If you could only stop your heart…
If you could only stop your heart beat…
If you could only stop your heart beat for…
If you could only stop your heart beat for one heart…
If you could only stop your heart beat for one heart beat’

Misschien zijn de vogels gedachten. Misschien gaan de laatste woorden van ‘Too many birds’ niet over hartkloppingen, maar over gedachten die te veel overnemen. Misschien wil het hoofdpersonage – al is het maar voor één enkele keer – een ander geluid horen, en niet meer vastzitten.
 

 

Wat ook kan: Bill Callahan heeft naar de hoes van de cd ‘Sky blue sky’ van Wilco zitten kijken, en hij heeft toen gedacht: ‘Daar schrijf ik een song over!’

image

De cd ‘Sometimes I wish we were an eagle’ is Bill Callahans tweede soloplaat na de Smogcarrière. De eerste heet ‘Woke on a whaleheart’, de derde ‘Apocalypse’. Dat zegt iets.

De plaat begint met ‘I started out in search of / ordinary things / how much of a tree / bends in the wind’ en eindigt met ‘It’s time to put god away’. Dat zegt ook iets.

Op de hoes staan paarden. Eén keer komt met zekerheid een paard langs. Of beter: wordt aan de paardmetafoor kleur, klank en betekenis ontleend. Het dier heeft last van een zenuwtrek in de schoft en schudt z’n maantop (of voorlak): uiteraard begint de Texaan Callahan met delen van het dier die ik ook in het Nederlands niet kende. Gelukkig steigert het paard ook, en gooit het de achterpoten omhoog. Het krijgt zijn ruiter niet afgegooid, zoals de mens die dit bedenkt zijn herinneringen niet kan afschudden: ‘All these fine memories are fuckin’ me down’.

De verteller droomt in diezelfde song ‘Eid ma clack shaw’ dat hij alleen dróómt dat zijn geliefde hem heeft verlaten; hij landt bij het wakker worden nogal hard in de realiteit. Hij droomt ook een tweede droom, één over een perfecte song: ‘It held all the answers / like hands laid on’. De volgende ochtend vindt hij op het nachtkastje een neergekrabbelde tekst terug: ‘Eid ma clack shaw / Zupoven del ba / Mertepy ven seinur / Cofally ragdah’.
 

 

Het absolute hoogtepunt: ‘All thoughts are prey to some beast’. De winterboom uit de song ziet eruit als hersenen, en de kleine vogels die erin rondhuppelen (of in hun nestje zitten te luisteren naar de anderen) zijn de zachte gedachten en de zoete verlangens van de zanger: spreeuwen, vinken en winterkoninkjes. Aan de horizon verschijnt een grotere vogelvariant: de arend, die aan één blik genoeg heeft om alle zachte gedachten te doen vluchten. De arend denkt: ‘Leeg, die boom. Helemaal voor mij alleen. Misschien bouw ik hier mijn huis. Ik moet gewoon de nestjes van de kleintjes aan mekaar vlechten.’ Maar er blokkeert iets, want alle zoete verlangens en zachte gedachten zijn verdwenen. De arend roept: ‘Ik ben alleen’, en vindt het hoog tijd om de boom te ontvluchten. Na wat moeite lukt dat. De zanger zingt nu dat alle gedachten ten prooi zijn aan een of ander beest. Zou dat beest voor de arend de wind zijn? Als de arend hoog in de lucht zijn eigen roofdier (schaduw?) bekampt, keren de zoete verlangens en zachte gedachten terug naar de winterboom. Ik denk: de arend is een gedachte die veel, soms zelfs alles, overneemt. Daarom gaat volgens mij ook ‘Too many birds’ over gedachten, maar op de vraag ‘Are you sure?’ moet ik ‘Nee’ antwoorden.
 

 

‘Rococo zephyr’ zou een wuft briesje kunnen zijn dat over Callahan en zijn geliefde vliegt, en toch veel schade aanricht. Of inzichten verschaft: ‘Well I used to be sort of blind / Now I can sort of see’. Op een ‘Eureka’ met een uitroepteken erbij ga je deze man niet gauw betrappen.

In ‘The wind and the dove’ lijkt een relatie écht af te lopen. De breuk neemt zelfs een deel van het toneeldecor mee: ‘I peer through the window gone’.

Als ik nu eens geen tekstdissectie uitvoer en gewoon naar de muziek luister? Bill Callahan heeft erover gezegd: ‘De gitarist speelde nogal ‘on-macho’ gitaar, de drums waren speciaal, de bassist was een vriend van de producer. De strijkers werden achteraf opgenomen, met één microfoon, zoals vroeger. Ik zou er lang kunnen over vertellen, maar is dit interviewtje niet bedoeld als wervende samenvatting voor de flaptekst?’

Callahans groep lijkt in 2009 net terug van een vakantie in Groot-Arabië, maar verwacht niet te veel: ze zijn amper het hotel uit geweest. Lees: heel mooi allemaal, maar verwacht geen wereldmuziek. Het tempo is soms zo gezapig dat herinneringen aan tegelplakkers als speedmetal beginnen te zoemen.

Van hier af vervolmaakt Callahan zijn geheel eigen, tjokvol rare pauzes zittende delivery; denk het onregelmatig kloppend hart van hierboven. Zijn bariton klinkt in de meeste songs als pek.

Het uptempo ‘My friend’ probeert ver weg te blijven van clichés over vriendschap (‘Uit hetzelfde hout gesneden’, die tralala), maar belandt bij steunpilaar en balk van dezelfde galg. Ik denk: ‘Oké!’, en daarna denk ik niks.

In afsluiter ‘Faith/void’ is ‘It’s time to put god away’ de begingedachte. In 2005 zong Callahan: ‘God is een woord / Daar eindigt het argument’, en die waarheid is mij liever dan de gelovigen uit ‘Faith/void’ die ‘kinderen vervloeken en de zieken nog zieker maken’. Zou kunnen gaan over mensen die tegen vaccinatie of embryoselectie zijn. Dat die bestaan kan ik ook in de krant lezen. Maar dan komt er toch iets: ‘A void without a question is just perverse / Like tear gas misters at my grave’. Het idee dat iemand zijn eigen graf ziet liggen. Dat er traangasspuiters werden geïnstalleerd. Dat de mensen die voor zijn graf staan daardoor valse tranen huilen. Is inderdaad pervers. En sort of grappig.

Callahans discografie is een indrukwekkende Alp. Een fragment uit 2003: ‘When they make the movie of your life / They’re going to have to ask you / To do your own stunts / Because nobody nobody nobody / Could pull off the same shit as you / And still come out alright’. Een zeer goeie 21e-eeuwse gedachte.

Op Spotify weinig Bill Callahan. Daarom drie youtubefavorieten:
 

 

 

 

De nepzonnen

 
image
 
Franz Schubert
Winterreise
1827

 

Franz Schubert schrijft meer dan 600 liederen. 44 daarvan zitten verdeeld over twee liederencycli op tekst van de – net als hij – jong gestorven Wilhelm Müller. ‘Die schöne Müllerin’ staat op 57, ‘Winterreise’ op 9.

In beide cycli is de held een tragische figuur die niet meteen overloopt van pragmatisme, en een tocht maakt richting de plek van waar niemand ooit is teruggekeerd, maar in Winterreise is het al van bij Lied 1 gedaan met fris, monter en in de juiste Joy Divisionjas verder huppelen langs beek en boom, met de maan als betrouwbare gezel, ondertussen een zwarte vogel groetend, daarna uitrustend in een hut.
 
image
 
Neenee, het is horrorwinter. Komt daarbij: onze held is van bij het prille begin ‘als vreemde binnengekomen’. Hij weet zelfs dat hij ‘als vreemde zal buitengaan’. Hij is afgewezen en hij beseft het. De moeder van de bruid was zelfs even over een huwelijk begonnen. Hij had beter moeten weten. Hij had op de wind moeten letten die met de windvaan op het dak van het huis van zijn geliefde speelde, zoals het toeval met onze harten.

Het zou kunnen dat de moeder ja heeft gezegd, en de vader later zijn veto stelt: hij huwelijkt tenslotte een ‘rijke bruid’ uit. Een andere mogelijkheid: de jonge man is niet alleen omdat hij arm is afgewezen, de potentiële schoonmoeder heeft eerst ja gezegd, maar daarna ingezien dat alleen het onbereikbare en het onwereldse hem interesseert. Ze heeft gehoord dat hij vindt dat verdriet het verstand slijpt en de inborst verhardt. Ze weet met andere woorden dat hij zot is.

Wie de zotte held van Winterreise zoal is? Tekstschrijver Wilhelm Müller creëert een man zonder naam, wiens overpeinzingen over de dood steeds meer resoneren met het winterlandschap waarin hij ronddoolt. In die gedachten duiken soms rare logicakronkels op, ja zelfs belachelijke situaties en regelrechte waanzin.

Müller vat zijn verteller als mensenschuw, hooghartig en ontgoocheld in de liefde. Soms verkeert hij gewoon in een geprikkelde stemming, meestal is hij – zoals we vandaag zouden zeggen – manisch of depressief. Mocht een sponsor naar het verleden kunnen geflitst worden, A.S. Adventure zou geen absurde keuze zijn: de man neemt de hele tijd deel aan door hemzelf georganiseerde extreme outdooractiviteiten. Maar: doet hij eigenlijk zijn beklag over vereenzaming en vergletsjering of wil hij gewoon nooit meer iemand zien? Is hij bang voor de dood of verlangt hij er vooral naar? Voorlopig verdict: ‘Winterreise’ is een bizarre vertelling.
 

 

Vergelijken met popmuziek, ik doe het aldoor bij klassieke muziek. Maar als in Lied 3 tranen uit een gloeiend hart opwellen – als willen ze alle winterijs doen smelten – wordt het moeilijk Del Shannons ‘I’m a-walking in the rain / tears are falling and I feel the pain’ erbij te sleuren. Als de ijsman-in-wording tevergeefs afleiding zoekt, als het blíjft spoken in zijn hoofd, als elk moment donkerder wordt dan al wat voorafging, klinkt dat schrijnend, maar heel anders schrijnend dan pakweg ‘The day the world world went away’ van Nine Inch Nails. Pop- en rockvergelijkingen passen even goed bij Winterreise als caipirinha en voetbalhooliganisme.
 

 

Men kan van het pad afdwalen, the road less traveled by kiezen, maar op de dool zijn in een land van ijs, sneeuw en straffe wind is dat beetje verder van huis.

Wat vaststaat: na een lied of drie kan onze held nergens een spoor van lente en liefde vinden. Alleen een in zijn hart ingevroren beeld van de geliefde blijft over, en als zijn hart ooit smelt, bedenkt hij, zal haar beeld mee smelten. Een lindeboom ruist hem toe, maar hij trekt voort in nacht en vrieswind. Een droom waart over een barre nacht: in de lente smelt de sneeuw samen met zijn tranen, die gloeien tot waar de beek bij het huis van de geliefde komt. Bij het wakker schrikken blijkt de beek natuurlijk bevroren.

Volgen: een dwaallicht en een terugblik die niks opleveren. Pas als hij in een kolenbrandershut rust vindt merkt hij hoe moe hij is. Een tweede lentedroom over bonte bloemen wordt door een haan in de koude realiteit gekraaid. In die echte wereld vraagt hij zich af of de ijsbloemen op de ramen ooit zullen bloeien; ik vermoed bij hoge koorts.

Daarna trekt de wandelaar met vaste pas verder, door niemand begroet. Laat de natuurellende maar komen, denkt hij, verlangend naar een storm die hem zijn echte ellende doet vergeten.

Heel even springt zijn hart op als hij de posthoorn hoort, maar als er geen brief van zijn lief bij zit, kan de postbode opdonderen, zoals in dat lied van Raymond van het Groenewoud – een popmuziekvergelijking die ik er alsnog in wil. Gewoon om even het huis te luchten, want deze liederen klinken soms als seriemoordenaarsmuziek.

De jonge man mijmert ondertussen over zijn grijze haren, vertrouwt alleen de kraai nog als metgezel (‘Krähe, Krähe, wunderliches Tier’), een laatste blad valt af in de wind, honden verjagen hem uit het dorp, de ochtend moet en zal grauw en koud zijn en ontgoochelt niet, hij negeert alle wegwijzers behalve die ene die staat op de weg zonder terugweg, en hij zoekt een onderkomen op het kerkhof en in de herberg des doods.

Als hij zich nog heel even een god in ’t diepst van zijn gedachten voelt, wordt dat onmiddellijk afgedaan als een manisch moment. Hij veracht de waargenomen bijzonnen aan de hemel – heel knap gedaan trouwens, om dit optisch fenomeen (dat zich voordoet als de witte winterzon door de wolken priemt en op de ijskristallen gereflecteerd wordt), in de finale te laten opdoemen, mogelijk als een dwaze utopie. De man verlangt in het toneeldecor van dat helle licht alvast naar de duisternis, hoort een arme draailierspeler die op het ijs staat en wiens geldschaaltje altijd leeg blijft, en vraagt ‘em: ‘Wunderlicher Alter / Soll ich mit dir geh’n? / Willst zu meinen Liedern / Deine Leier dreh’n?’ Doek!
 

 

In de pianobegeleiding klinken bevriezende tranen ondertussen echt als bevriezende tranen. Hondengeblaf aan het begin van ‘Im Dorfe’ en het gedraaf van postkoetspaarden in ‘Die Post’ geven ook present. ‘Frühlingstraum’ is lieflijk in de droom en zwaar op de hand als de realiteit aanklopt.

Als de man in het verbluffend goeie ‘Erstarrung’ in de sneeuw op de plek waar hij ooit met zijn geliefde wandelde vergeefs zoekt naar een spoor van haar, de bodem wil kussen en door ijs en sneeuw wil dringen, is die wanhoop en waanzin in de begeleiding te horen. Als hij in gepeins is verzonken of het doodsverlangen overneemt, wordt de zangpartij veel spaarzamer opgevangen. Als het hem brandt onder beide zolen, staan ook de toetsen in brand in ‘Rückblick’. Als het hem in ‘Irrlicht’ niet meer kan schelen of hij doodgaat of niet, zit de piano al in de sfeer van de afsluiter, en dus in het spoor van de vriesdood: met een beetje verbeelding hoor je daar zelfs de starre vingers van de draaiorgelman.

’t Is eigenlijk al een lied eerder afgelopen als die nepzonnen opduiken en het licht zachtjes in de piano verdwijnt: de steeds meer van z’n eigen lichaam in het winterlandschap overvloeiende man wil zich aan dat wegdeemsterende licht zelfs niet meer warmen: ‘Im Dunkeln wird mir wohler sein’.

Trouwens, al maar goed dat hij sterft, want in de twee liederen dáárvoor is er geen bed vrij in de herberg van de dood (de piano speelt een dodenmarsje met een hatelijk lichte boventoets) en neemt de wandelaar zijn stok opnieuw ter hand in ‘Mut!’, een song die vrolijk en monter de wereld in marcheert, alsof er een romantische liedcyclus gaat beginnen. Dé vraag luidt hier of de kunstenaars alleen hun personage de zotskap op zetten, of ook zichzelf.

Franz Schubert creëert qua vorm een indrukwekkende downward spiral voor piano en stem. Ik kan u voorstellen aan tenor Ian Bostridge, maar wie – zoals ik gaandeweg – verkiest naar Dietrich Fischer-Dieskau te luisteren, hoort liever een bariton en neemt genoegen met af en toe een trager tempo.

Stand van zaken volgens het verstand: piano, zang, tekst, vorm en inhoud liggen prachtig in mekaars verlengde. Tussenstand volgens het hart: Geniaal!
 

 

Als Schubert zijn winterreis voor vrienden speelt, reageren die met ongeloof. Sommigen keren zich in angst af. De vader maakt in december 1828 een doodsbericht: ‘Des namiddags te 3 ure ontsliep tot een beter leven mijn innigst beminde zoon Franz Schubert, toonkunstenaar en componist, na een korte ziekte en het ontvangen van de heilige sacramenten der stervenden, in het 32e jaar van zijn leven.’ Iemand schrijft: ‘Van welke rijke, onontgonnen schatten heeft zijn dood ons beroofd?’ Inderdaad.
 

 

Iemand klopt aan en zegt: vergeet wat u weet. De man heet professor Hufschmidt. Hij zegt: Gemiddelde levensverwachting in die tijd in de Weense voorstad Himmelpfortgrund waar Schubert opgroeide: 30. Bij de componist thuis: 14 kinderen, die in één kamer leefden. Aantal kinderen dat in leven bleef: 4. Schubert een naïef, dromerig kunstenaar? Niks van. Hij is een zelfstandig, onafhankelijk scheppend componist, op een bepaalde manier zowat de eerste in zijn vak. Hij verdient een beetje geld met uitgaven van zijn werk. Wat hij niet had: de mogelijkheid om zijn werken in het openbaar uit te voeren. Aan de kerk kon hij zijn producten onmogelijk slijten, progressieve burgerij was er in Wenen toen amper. We zitten midden in het zeer conservatieve restauratiebeleid van Metternich. Overal censuur, overal – echt waar – cultuurcontroleurs. Schubert kent de censuur die zijn tekstleverancier Müller al heeft meegemaakt, is aan een razzia ontsnapt die in zijn kennissenkring heeft plaatsgevonden, mag van de censoren een opera niet laten uitvoeren. De Schubertiades – zelfgeorganiseerde avonden voor gelijkgestemden – zijn bescheiden weerstandsactiviteiten. De winter in Winterreise zou een metafoor zijn voor het reactionaire beleid. Als in ‘Hoffnung’ hier en daar nog een blad aan de boom hangt, zijn dat schaarse oppositiestemmen. Onzin? Wie is hier op de vlucht en waarom? Dit is een onvrijwillig soort reizen. Er wordt op het graf van de hoop geweend, de held trekt altijd verder en verder, verlaat bijvoorbeeld de valse rust van het kerkhof. In het 47 fantastische seconden durende ‘Der stürmische Morgen’ ziet de Wandelaar in de rode ochtendhemel zijn eigen lot geschilderd: ‘Niets anders dan de winter / De winter, koud en wild!’.
 

 

Ik weet natuurlijk niet of die professor Hufschmidt gelijk heeft. Ik ben geneigd hem minder van de pot gerukt te vinden dan iemand die ervan overtuigd is dat de WTC-torens door de CIA of de Mossad zijn neergehaald. Ik kan bijvoorbeeld op eigen kracht horen dat de Wanderer vanaf ‘Der stürmische Morgen’ alleen is, maar wat ik niet gehoord had, terwijl 1000 cimbalen het lieten rinkelen, is de laatste vraag in het laatste Lied: ‘Wil je mijn liederen op jouw draailier spelen?’ betekent ‘Wil je op mijn tekst jouw muziek maken?’, en is een vraag van Müller aan iemand als Schubert, twee mensen die mekaar overigens nooit hebben ontmoet.

‘Deze muziek klinkt niet slechts alsof’, zegt Hufschmidt. ‘Zij is de muziek van een draailier. Schubert heeft alles moeten afleren, en muziek van en voor de armen gemaakt. Schubert is zelf de arme lierdraaier geworden.’ En nu hoor ik het verhaal anders: de vreemdeling, het bord met verboden toegang, de opgedroogde tranen, het verdringen der slechte herinneringen, de omgekeerde wereld, de slaapdorpen, de politieke ingeslapenheid, het noodlot, de terugval, het ondanks alles Im Rhythmus Bleiben, het doorgaan tot we aan het gaatje zijn. Saillant detail: tekstschrijver Müller, dé grote inspiratie voor Heinrich Heine, die ook de politieke toer op zal gaan, wordt – dat heb ik overal kunnen vaststellen – tot vandaag als middelmatig dichter geportretteerd. Kan natuurlijk evengoed zijn: een politiek onwelgevallige kunstenaar die als middelmatig wordt weggezet. Trouwens, een versie van de fenomenale Leiermann-afsluiter voor draailier en bariton met een streektaaltongval, da werkt wel.
 

 

De Winterreisebewerkingen. ‘Der Leiermann’ hoor ik op Youtube door een gitarist brengen, door een deathmetalgroep en door een Depeche Mode-achtige, ja zelfs door Blixa Bargeld, haar keurig gekamd en rechtstaand naast de piano.

In de Franz Liszttranscripties van de hele ‘Winterreise’ hoor ik veel te veel moeite doen, voor de Hans Zenderbewerking voor elektronicabovenbouw is de term ‘interessant’ uitgevonden, voor de Herman Van Veenversie het beleefde excuus ‘Niet aan mij besteed’.

Met de door Jan Rot geopperde idee dat de held uit de beste liederencyclus aller tijden een bomberjack zou moeten dragen in plaats van de lange overjas die ‘de wandelaar boven de nevelen’ in dat schilderij van Caspar David Friedrich aan heeft, ben ik het alleen in theorie eens. Wat Ian Bostridge en pianist Julius Drake vandaag doen is vanzelf modern, anders, helderder, van deze tijd. Het is het gezwinde tenortoontje dat soms luchtig is, Bostridges houding boven de piano (de man ziet er een beetje uit als een kraanvogel), de zoveel betere opnamen van vandaag die de details in de gevarieerde pianostemmingen anders uitlichten dan op platen van vroeger.

Kijk, als ik een hiphopper met zijn eenzaamheid en doodsdrift wil horen worstelen, zal ik ‘em in de afdeling hiphop proberen op te snorren. Is dat afgesproken?

Besluit. Via een fictief personage dat niet gewoon doodgaat, maar traag en spoorloos verdwijnt nadat er niks meer is dat hem hier houdt, is mijn hoofd in der Tiefe gegaan. Daarna zegt iemand me: ‘Verman je, Stupid! Het is gewoon politiek-maatschappelijke kritiek.’ Volgens die professor denken we veel te veel dat muziek uit de hemel komt gevallen, terwijl iemand haar ooit ergens heeft gemaakt, en de vragen ‘Wie?’, ‘Voor wie?’ en ‘Waarom?’ bijna nooit gesteld worden.

Ik heb mijn gedachten heel anders over dit kunstwerk weten gaan na die politieke interpretatie. Tegelijk wint in mijn hoofd de gedachte dat het louter strijd is tussen doodsangst en doodsverlangen, zij het nipt en na verlengingen.

Eén ding is echt zeker: het diepzeeduikrecord van Honderd staat op naam van Winterreise.
 

 

 

‘A nuclear error / But I have no fear’

 
image
 
The Clash
London calling
1979

 
 

In 1979 vat The Clash op ‘London calling’ de tijdsgeest van het Londen en Engeland van stakingen, stroompannes, Koude Oorlogparanoia en grootstedelijk racisme, terwijl ze in twee verschillende studio’s vakkundig proberen te ontkennen dat ze failliet zijn na een Amerikaanse tournee; ze zitten zelfs zonder management.

Dat heeft één voordeel: het turning rebellion into money-verwijt dat ze naar anderen hebben uitgestuurd is op henzelf niet van toepassing. Zijn ze doodongelukkig? Nee. In Amerika hebben ze in een hotel gelogeerd waar James Dean nog is geweest, hebben ze het graf van Bruce Lee bezocht, en werden ze geapprecieerd om wat ze zijn: ze krijgen niet – zoals in het thuisland – het label van ‘te punk’ of ‘niet punk genoeg’. Naar verluidt was die punkpolitie er écht: punk moest zo en zo. The Clash riep terug: ‘Punk is spelen wat je wil spelen’.

De ambitie is trouwens: uit het harnas van het genre breken met reggae, jazz, swingjazz, vroege rock’n’roll en feestmuziek die op de London Carnival wordt gedraaid. The Clash is nooit helemaal rechttoe-rechtaan geweest. Hun beste song vóór ‘London calling’: ‘White man in Hammersmith Palais’, over een all-nighter in Londen, met op de affiche for the first time from Jamaica: Dillinger, Leroy Smart, Delroy Wilson en vele anderen. De song is steengoeie blanke reggae waarboven Joe Strummer zich druk maakt, want naar zijn smaak hoort-ie die avond niet voldoende roots rock rebel-riddims voorbijkomen. Het mondmuziekje biedt ondertussen twee odes: één aan de mondharmonica van Bob Dylan, één aan de melodica van Augustus Pablo.
 

 
In de States heeft The Clash getoerd met Bo Diddley, Lee Dorsey, Sam and Dave en The Cramps. Enorm veel blazers op ‘London calling’; die zijn van The Irish Horns. Er wordt piano en orgel gespeeld. Er wordt enorm veel gejat. In het verlengde van ‘London calling’ zijn via moderne media originals van de Britse rocker Vince Taylor (‘Brand new cadillac’) en van reggaelegende Danny Ray (‘Revolution rock’) te ontdekken.

Iemand maakt me blij door het draaiende singletje van ‘Wrong ‘em Boyo’ van The Rulers te filmen: The Clash lenen in hun versie na een halve minuut ook een feestneus van The Specials. De dokter die ter sprake komt in ‘Rudie can’t fail’ is Dr. Alimentado, wiens ‘Poison flour’ berichtte over giftige bakbloem in Kingston, een song die Strummer inspireerde om zoals Jamaicaanse toasters te berichten over wat zich in zijn gezichtsveld afspeelde.

J.J. Jacksons beestige soulsong ‘But it’s alright’ staat model voor het door Mick Jones gezongen ‘Train in vain’, een klein monument. Laurel ‘the godfather of ska’ Aitken is ook ergens een invloed, maar ik ben vergeten waar. Treffend tekstmoment dat illustreert hoe ver de groep van hun hardste songs uit de begindagen verwijderd is: ‘Playing requests now on the bandstand / El Clash combo / Weddings, parties, anything / And Bongo Jazz a speciality’.
 

 
Waar gaat de single ‘London calling’ over?
 
image
 
De titel is een verwijzing naar ‘This is London calling’, waarmee de kortegolfuitzendingen van de BBC World Service begonnen die in wereldoorlog II ook in het Duits en het Nederlands informatie en moed gaven.

Goed, maar is het ‘nuclear era’ of ‘nuclear error’? Het ongeval eerder dat jaar in de Three Mile Island-kerncentrale doet ‘error’ aanvinken. In verband met de S.O.S. ‘London is drowning / I live by the river’: zou met een gerucht te maken hebben dat de Russen van plan waren een atoombom in het Kanaal te droppen die een golf ging veroorzaken die Londen zou wegspoelen. ‘But I have no fear’ zou gelijke tred kunnen houden met don’t be afraid of atomic energy van Bob Marley van een jaar erna. De ‘o-o-o-o-o-ooooow’ is mogelijk een ode aan de perfect in profiel voor een volle maan poserende Awhooooooo van Warren Zevons ‘Werewolves of London’ van een jaar ervoor.

Verder mag je er niet té veel in lezen: ‘London calling’ is een hoop shockmetafoortjes die punkgewijs teruggesmeten worden naar goegemeente, machthebbers en Dire Straits, een slimmere variant van de opgestoken middenvinger en de opgespelde swastika.

De messcherpe gitaar, de beestige melodie, de superefficiënte drum en bas, ze zijn van een groep die lang in het duister heeft getast en plots het licht ziet, die zichzelf in een hoek heeft geschilderd maar zich er op indrukwekkende wijze uit vecht.
 

 
Nog één ding over die wereldsingle. Iemand die zich Stro Jummer noemt weet op internet dat het laatste woord van de single ‘London calling’ in de zin ‘I never felt so much alike alike alike alike’ niet alike is, maar a-like.

Komt uit een nummer 1-hit van de Britse fiftiesrocker Tommy Steele, die inderdaad ‘I never felt a-more a-like a-singing the blues’ zingt, een zin die Joe Strummer live al eens letterlijk zo bracht, maar die op plaat – mogelijk om copyrightredenen – is ingekort. Dat blijkt gewoon te kloppen. Dank, Stro Jummer.
 

 
‘Death or glory’ is een van de andere vinnige rockers, die zou kunnen gaan over de lower class die vlakbij de Theemsoever woont: ‘Love ‘n’ hate tattooed across the knuckles of his hands / Hands that slap his kids around ‘cause they don’t understand how / Death or glory / becomes just another story’. Het raarste stuk tekst komt ook uit die song: ‘I believe in this and it’s been tested by research / He who fucks nuns will later join the church’. Vooral ‘tested by research’ is uitstekend.
 

 
Het naakte uur van de wapens is tijdens de eerste opnamen (de Vanillatapes) nog niet aangebroken. The Clash rent op de nogal doffe demo’s als een kudde achtervolgde beesten over de stoppelvelden. Maar in studio 2 blijft de garde wel stilstaan en uitverdedigen. Plots is de sfeer er één van gooien met alles wat ze hebben, naar hun vijanden, denkbeeldig of niet.

De zeer belangrijke man die hen ertoe dwingt niet zomaar alles te geven, maar nóg een extra tandje bij te steken, is ene Guy Stevens. De platenindustrie liet in die dagen twee lijvige dossiers tegen de man circuleren: op map 1 stond ‘Persona non grata’, op map 2 ‘Totáál Ontoerekeningsvatbaar’. Guy wie? Stevens is in de vroege jaren 60 een hautaine Mod, een belangrijk dj, een man die rauwe Amerikaanse soul en rhythm and blues aan de Britten probeert te slijten, iemand die The Who mee aan z’n geluid helpt, de groep Free producet en Mott The Hoople vanuit het niets uit de grond stampt. In de Clash-studio is hij zijn beloofde ontoerekeningsvatbare zelf.

Vooral bassist Paul Simonon, die technisch het meest moeite heeft met de overgang van ram- en beukpunk naar dit professionele geluid, heeft liever een zot als Stevens die hem op geen enkel moment z’n technische beperkingen kwalijk neemt, maar wel met ladders gooit en ongevraagd aan een worstelwedstrijd op leven en dood begint; ik verzin niks. Simonons grootste angst is een Amerikaan die hem beleefd vraagt of hij de partij nog eens kan inspelen. Direct gevolg: Simonon schrijft ‘Guns of Brixton’, hier een van de essentials. Ook de rest van de groep heeft het in verband met Guy Stevens over een ‘maximum aan emotie’ en een ‘directe psychische injectie’.
 

 
The Clash in 1979! En maar verder schrijven, repeteren en bijschaven, zo hard en constant dat ze zelfs geen tijd hebben om te gaan kijken naar die film over de bemanning van het transportvrachtschip Nostromo die wakker wordt in een zonnestelsel ver van huis, en die kennismaakt met buitenaards leven dat niet op een gezellige close encounter uit is, maar het lichaam van de mens wil gebruiken om er een weerzinwekkend H.R. Gigermonster mee te baren.

Nee, in plaats daarvan liever Guy Stevens ‘Il y a plus en vous’ horen roepen en hem gelijk geven. Ondertussen wurmt Mick Jones zich een paar keer naar voren: in ‘I’m not down’ wil hij vanuit een bodemdepressie naar wolkenkrabberhoogten, in ‘The card cheat’ klinkt de groep Spectoriaans (zoals Springsteen in die dagen) en lijkt Mick Jones’ stem op die van Jarvis Cocker. ‘Four horsemen’ en ‘Hateful’ zijn twee Joe Strummerhoogtepunten van hetzelfde wereldniveau.

De hoes is een vette knipoog naar de groene en roze letters van het Elvis Presleydebuut. Ambitie: de laatste rockplaat maken. De gitaar van Presley steekt omhoog, de bas van Paul Simonon staat op het punt in de prak geslagen te worden. De werktitel van ‘London calling’ was The last testament.

Ik ben vergeten Topper Headon te vermelden. Wat een drummer!
 
image
 
Beste momenten ná ‘London calling’: de papa-san en de mama-san van ‘Straight to hell’, de intro ‘This is another public service announcement (with guitars)’ van ‘Know your rights’ en de beste raps uit ‘The magnificent seven’: ‘Wave bub-bub-bub-bye’ en ‘Brr-bu-bu-bu-bu-bu / cheeseboiger’. Plus: de Spaanse les tussen de regels van ‘Should I stay or should I go’.

Ach, doe maar gewoon alles, maar doe vooral ‘London calling’!! Ik heb zin in nog een uitroepteken! En nog twee!!

Nog dit: Winston Churchill schreef in de maanden mei en juni 1940, periode waarin in deze regio de klotenazi’s binnenvielen, drie wereldberoemde speeches. De koppen ervan passen alle drie perfect bij ‘London calling’. Blood, toil, tears and sweat kenschetst de Clash-inspanningen in de studio. This was their finest hour is gewoon een objectief eindoordeel over ‘London calling’. Ook We shall fight on the beaches kan gepast betalen, want de grootspraak aan het eind van ‘Four horsemen’ luidt: ‘We reach the beaches other armies cannot reach!’ Kruispuzzel opgelost.

In verband met Operatie Overlord van een paar jaar later in Normandië wil ik alle betrokken geallieerden bedanken – u moet die slachtoffercijfers eens googlen – maar in het bijzonder de Britten omdat ze in de lange aanloop naar de bevrijding via die bakelieten bakken genaamd radio’s een ‘This is London calling’-boodschap hebben uitgestuurd naar de wereld, en dus ook naar bezette gebieden.

Bijna vier decennia later kwam uit mijn transistor ‘Radio Clash, on pirate satellite’. Londen zond opnieuw een boodschap to the faraway towns. Een boodschap om I read you en Loud and clear naar terug te roepen, dit keer gelukkig met minder gevaar voor eigen leven.