Een snel ronddraaiende ster in haar eindstadium

 
image
 
Joy Division
Unknown pleasures
1979

 

‘Let’s dance to Joy Division / And celebrate the irony / Everything is going wrong / But we’re so happy’ zingen The Wombats in 2007. Prima, maar op hoeveel Joy Divisionsongs kúnnen we eigenlijk dansen? Akkoord, op ‘Love will tear us apart’, een pracht van een single die me altijd aan ‘Go your own way’ van Fleetwood Mac doet denken.

Ook op ‘Transmission’ en ‘Isolation’ valt een beentje te strekken. Misschien lukt het zelfs op ‘She’s lost control’, het enige halfdansante moment op het debuut ‘Unknown pleasures’.

Het verhaal rond ‘She’s lost control’ is bekend: zanger Ian Curtis werkte als Assistant Disablement Resettlement Officer, wat wil zeggen dat hij ergens in Manchester achter een bureau zat om gehandicapte leefloners te activeren. Een meisje met epilepsie, voor wie hij een paar dagen eerder nog had proberen werk te vinden, was aan een aanval overleden, en dat had Curtis geraakt, misschien ook omdat hij uitgerekend zelf op het punt stond om zijn eerste epileptische aanval te krijgen. Het is achteraf verleidelijk om te denken dat de kunstenaar in zijn eigen toekomst keek, of alvast symptomen voelde van wat zich daadwerkelijkheid uren tot soms dagen later als epileptisch insult kan voordoen. Het is zo dat Curtis via deze song zijn rare vlinderdans met de armen vervolmaakte, een act die hem zijn podiumprésence gaf, die de gezichten op stand ‘verbaasd’ zette en die we de epilepsiedans zouden kunnen noemen. Een dans ook waarop we ons op z’n Wombats ironisch zouden kunnen uitleven, maar na een halve minuut in onderstaande video ben ik al vergeten wie die Wombats zijn.
 

 
Zal ik er ook maar JD’s eerste televisie-optreden tegenaan gooien? Granada TV was een zender uit Manchester. De man die de groep inleidt is Tony Wilson, die hun platenbaas zou worden.
 

 
De eerste JD-song die de na-aappunk van de korte aanloop Warsaw overstijgt is niet toevallig de eerste die ze met producer Martin Hannett opnemen, en heet ‘Digital’. Een o zo vaak terugkerend verhaal wordt hier nog eens verteld: gebrekkig materiaal is de weg naar een eigen smoel. Gitarist Bernard Sumner speelt riffs en akkoorden, zijn versterker is defect en werkt alleen als hij op maximum staat. Bassist Peter Hook speelt het gros van de melodieën, maar kan zichzelf op repetities alleen horen als hij hoog speelt. De drums van Stephen Morris klinken hier nog gewoner dan op ‘Unknown pleasures’, ze vlerken nog niet rond, onder en boven dit geluid. Daartussen Ian Curtis: ‘Day in / day out’ en ‘I feel it closing in’.
 

 
Omdat hij ook van 1979 is, besluit ik de film ‘Alien’ nog eens te bekijken. Het vuile, donkere ruimteschip vol uitsteeksels (waarin het monster vol uitsteeksels moeilijk te zien is), de algehele somberte van grijs en zwart (met af en toe een spatje laserstraalgroen) en het dystopische verhaal zitten de sfeer van de plaat op de hielen. De iconische hoes van ‘Unknown pleasures’, een 3D-grafiek van de met een radiotelescoop opgevangen geluiden van een pulsar (een snel ronddraaiende ster in haar eindstadium), doet me heel hard aan het Nostromo-schip van ‘Alien’ denken.

image

Producer Martin Hannett ook, want die leeft in zijn eigen ruimteschip. Tijdens de opnamen van ‘Unknown pleasures’, dat na drie weekends klaar is, laat hij de groep alles eerst spelen zoals ze het voor ogen hadden, waarna hij hen aanmoedigt ook met synthesizers en een drummachine te werken en hen dingen toeroept als ‘Doe het meer cocktailparty’, ‘Een beetje geler’, ‘Groots, maar nederig’, ‘Sneller, maar trager’.

Dan begint Hannetts bloedeigen sciencefiction. Hij heeft een toestelletje om gitaargeluiden de kop in te drukken, en beschikt over een AMS 15 bit digitale delaymachine die de snare drum tot Morris’ verbazing in een doosje stopt. Hannett was een met drugs vertrouwde, wat rare visionair die op de een of andere manier zelfs betrokken was bij de ontwerpen van de firma Advanced Music Systems. In het sublieme ‘Insight’ zitten pieew-geluidjes die aan Space Invaders doen denken. De song begint met de liftschacht in het studiogebouw. Opnamen werden in de lift gemaakt, en met Lesleyspeakers die geluid centrifugeren. De Curtis-mantra ertussen: ‘I’m not afraid anymore / But I remember / When we were young’.
 

 
Maar mag opener ‘Disorder’ ook meedoen? Hier cirkelen drums rond zoals drums nooit eerder rondcirkelden, de hoge fonkelbas valt in, dan is er die jeuk- en kriebelgitaar die niks meer met punk of molenwieken of een harde aanslag te maken heeft, tussendoor de rare achtergrondgeluiden van Hannett die nog steeds tot de meest opwindende ambient uit de muziekgeschiedenis behoren, en dan de onwezenlijke bariton van Curtis: ‘I’ve been waiting for a guide to come and take me by the hand / Could these sensations make me feel the pleasures of a normal man?’ ‘Disorder’ klinkt als een stadionrocker in de mist die twee decennia te vroeg is geschreven.
 

 
‘Day of the lords’ is heel wat anders: een rare doommetalsong, geluiden die worden beteugeld, soms een vaal synthesizerzonnetje dat door de wolken priemt.

‘Candidate’ is een traag op gang komend soort dub waarin een gitaar als een hond jankt. Als de instrumenten stilletjes verdwijnen is het alsof een officiële instantie in 1979 het universum voor koud en onverschillig verklaart.

‘New dawn fades’ is het hoogtepunt, de song ook die mij er nooit in doet slagen naast de teksten van Curtis te luisteren. Schuld, wroeging, falen en zelfbewustzijn dat nergens toe leidt, ze zijn allemaal van de partij: ‘It was me, waiting for me / Hoping for something more’.
 

 
‘Shadowplay’, ‘Wilderness’ en ‘Interzone’ herinneren aan het primaire Warsawgeluid. Twee van de drie gebruiken de achtersteegjes van de stad als decor voor vervreemding en eenzaamheid, in eentje wordt er zelfs door de tijd gereisd, maar ook daar valt niet veel goeds te rapen.

Mensen hebben ‘Unknown pleasures’ een verinnerlijkte stadsscan genoemd, een sciencefictionversie van Manchester, een harde pil ook én een door de producer ondoordringbaar gemaakte plaat. Afsluiter ‘I remember nothing’ verklaart de sfeer van ondoordringbaarheid: dit is traag, dof, een echokamer waarin alle verval met mekaar correspondeert. Aan het eind wordt nog met iets gegooid ook.
 

 
Drummer Morris was fan van de proto-elektronica van Can (da’s ook in zijn drumstijl te horen), dus hij vond de Hannettaanpak geweldig. Zanger Curtis was ook tevreden: zijn somberte is in een paar songs opvallend aanwezig.

Maar gitarist Sumner en bassist Hook, die meer de energie van hun optredens op de magneetband wilden, moesten met lede ogen aanzien dat zowat iedereen hun debuut fantastisch vond, alleen zij niet.

Hook later hierover, al lachend: ‘Da’s de enige keer dat wij twee het ooit zijn eens geweest.’
 

That weren’t no dj

 
image

Aphex Twin
Selected ambient works (85-92) (1992)
Selected ambient works Volume II (1994)

 
 

Aphex Twin is Richard D. James. Voor hij beroemd en berucht werd woonde hij op het schiereiland Cornwall, in een heel klein dorpje bij de krijtrotsen. Zijn ouders werkten in een psychiatrisch ziekenhuis. Ma en pa gaven soms LSD aan patiënten. Het overschot namen ze naar verluidt mee naar huis.

Vandaag heeft Richard D. James twee kinderen. Hij woont met zijn familie in een afgelegen, klein dorpje in Schotland. Tussen zijn voorlaatste cd ‘Drukqs’ en het in 2014 uitgebrachte ‘Syro’ liggen 13 jaar, maar in die tussentijd heeft hij niet liggen niksen.

Als we D. James mogen geloven (het mag, maar het is even riskant als pakweg Bob Dylan geloven) heeft hij thuis keurig gerangschikte stapels onuitgebrachte tracks liggen: experimentele, halfdansante, fluisterzachte én moddervette composities. We krijgen slechts de topjes van al die ijsbergen te horen.

Experimenteren op een podium doet hij ook. Zo dirigeert D. James in 2011 in Polen met de afstandbediening 48 strijkers en 24 zangers via visuals. Als u denkt: de muziek klinkt als het modern klassiek van Krzysztof Penderecki, dat was de bedoeling: de Poolse componist werd in de stad Wroclaw gehuldigd.
 

 
Nog een probeersel dat veel bloed, zweet, tranen en geld heeft gekost? Ooit liet Steve Reich microfoons heen en weer slingeren boven speakers. Reslultaat: een compositie voor feedback. Richard D. James ontdekte een procédé om de feedback naar een bepaalde toonhoogte te stemmen. Toen hij genoeg toonhoogtes had gecreëerd, had hij een orkest van feedbackgeluiden bij mekaar. Hij gebruikte geen slingermicrofoons, maar wel elektronisch versterkte discobollen, waarop laserstralen werden geprojecteerd.

Noot. Hoor ik waar de feedback van toonhoogte verandert? Nee. Lach ik met dit soort experimenten? Evenmin. Ik aanvaard het zelfs als u dit soort muziek liever overslaat.
 

 

 
Wat Richard D. James nog doet? Steevast programmeren op oude samplers: van die lastige, versleten bakken. Hij ontleedt die apparaten graag, en onderweg luistert hij naar alle door de fabrikant voorgeprogrammeerde samples. Als hij oude muzikale helden op gebruik van die preset-samples betrapt wordt hij kregelig. Het grote Aphexdevies is altijd geweest: weg met presets! Alleen met zelf gevonden, liefst helemaal zelf gemaakte geluiden componeren, dat is ’s mans kernfilosofie.

Ter zake!

Er zijn twee platen van Richard D. James die zich nog meer in me nestelden dan het op 103 belande ‘I care because you do’. Het zijn ‘Selected ambient works (85-92)’ en ‘Selected ambient works Volume II’ (dat twee jaar later verscheen, in 1994). Ik zal die twee platen van hier af respectievelijk SAW 85-92 en SAW 2 noemen.

image

1. SAW 85-92

Brian Eno zou in verband met deze verzameling vroege tracks tegen Aphex Twin gezegd hebben: ‘Dit is geen ambient’. En inderdaad: in ‘Heliospan’ wordt zelfs ‘Apache’ van The Incredible Bongo Band gesampled, en de leden van The Incredible Bongo Band dragen liefst twee feestneuzen tegelijk en zijn geen familie van Brian Eno, niet als hij buitenaards spacerockt en ook niet als hij muzak voor wachtkamers maakt.

‘Ptolemy’ leunt op de sfeer van ‘Rock it’ van Herbie Hancock. Wie inscheept voor een tocht op de stoomboot-in-de-mist ‘Hedphleym’ komt eerder in een schilderij van William Turner terecht dan in ambientland. Luidsprekers in een Japans treinstation geven present in het wonderlijke ‘Tha’.

Bijna alle tracks klinken alsof ze in de eindmix geluidskwaliteitsverlies kregen door ze nog eens naar een andere cassette over te trekken.

Ik ken het onwezenlijk mooie ‘Heliospan’ als nummer 7 en het nog briljantere ‘Schottkey 7th path’ – een reis onder water in een bathyscaaf – als nummer 9. De twee tracks samen ken ik als de hoogtepunten die ik telkens opleg als ik iemand wil laten horen hoe fuckin’ geniaal dit is én blijft. Dus doe ik dat ook hier.
 

 

 
Er zat voor mij vroeger veel fantoomklank in deze cd, die ook een all-nighter in 1993 in Brixton Academy in herinnering brengt: een paar 1000 mensen stonden op deze kaduke, roteigenzinnige minisymfonieën voor muziekdoosjes en Duracellkonijn te wachten, maar mijnheer Twin vlijmde en slijpschijfde er liever meedogenlozer op los.

Het is het Gentse R&S-records dat ‘Selected ambient works (85-92)’ en een hoop vroege Aphexmaxi’s heeft uitgebracht. Zie ook ‘Klavierwerke’ van James Blake (samen een paar tracks die niet voor het echte debuut ‘James Blake’ moeten onderdoen) dat niet zo lang geleden bij datzelfde R&S uitkwam. Dat betekent dat de mannen en vrouwen van dat label alvast bij de eersten ter wereld waren die oor hadden naar twee (!) super-super-supertalenten, en dat R&S dus z’n plek in de geschiedenisboeken al lang verdiend heeft.

Of D. James zelf naar ‘SAW 85-92’ luistert?, vroeg Koen Poolman ‘em niet zo lang geleden in OOR. Het antwoord: ‘Heel veel. Maar niet naar de plaatversie die jullie kennen. In mijn computer staan alle tracks in de chronologische volgorde van opname opgeslagen. Mijn eigen muziek is altijd mijn favoriete muziek geweest. Het is een soort dagboek waarin ik kan terugblikken op mijn jeugd. Ik zou niet zonder die tracks kunnen.’

 
image
 

2. SAW 2

Toen ‘SAW2’ uitkwam begreep ik er geen snars van. De eerste percussie valt na een half uur, in track 5. Die track heet gewoon 5. Die ervoor heet 4. Die erna 6. Alleen de track ‘Blue calx’ heeft een naam.

Er hoort een nerd-verhaal uit de begindagen van internet bij ‘SAW2′. Op grond van de wazige micromacro-foto’s op de hoes (die naar cirkeldiagrammen verwezen op het vinyl zelf; taartstukken waarvan de grootte overeenstemde met de lengte van de tracks) gaven fans op internetfora elke track een naam. Makkelijkst herkenbaar zijn ‘Domino’, ‘Tree’, ‘Curtains’ en ‘Radiator’. Nog steeds geen idee welke foto bij ‘Weathered stone’, ‘Hexagon’ en ‘Window sill’ hoort.

image

‘SAW 2’ is eigenlijk een micromacro-ervaring: het gaat hier ruim twee uur lang van zeer weids naar zeer claustrofobisch. Ik ken Brian Eno’s mening over deze plaat niet, maar als hij vindt dat een paar tracks heel goed hun best doen om de stijl van zijn eigen ‘Apollo’-plaat na te bootsen ga ik ‘em geen ongelijk geven. ‘SAW 2’ doet ook aan ‘Twin peaks’ denken, en soms aan ‘The shining’. Ik voel dikwijls de drang opkomen om Mark Rothkoschilderijen te googlen, maar ik ben te dom om uit te leggen waarom.
 

 

 

Aphexecho’s weergalmen tegenwoordig overal. Eén sondtrackvoorbeeld uit de duizend: zijn track ‘Jynweythek’ waart in Sophia Coppola’s ‘Marie Antoinette’ door de gangen van het Paleis van Versailles.

Er zijn ook de Youtubecovers van de London Sinfonietta en Alarm Will Sound: klassieke ensembles die meticuleus Aphextracks van de partituren aflezen. Iemand moet dan ook ergens Pretty good, yeah roepen, omdat die onzin ooit in een elektronisch miniatuurtje is gekropen.

Bovenal zijn er de honderden solopianisten en -gitaristen die van Richard D. James én een eenmansVelvetUnderground én zowat de bekendste moderne, zogenaamd ernstige componist van deze tijd aan het maken zijn. Terecht!

In 2014 is Aphex Twin dus de retour met ‘Syro’. Richard D. James is er een tijdlang in geslaagd me onderweg naar en van het werk naar een magnifieke plaat te doen luisteren: soms een upgrade van Detroit techno, een enkele keer worden de wortels van drum and bass nog eens blootgelegd. Er wordt eigenlijk heel de tijd haasje-over gespeeld tussen al mijn favoriete Aphexen. De weelderige productie doet – na al die kraakpanden en caravans waar Aphex vroeger in woonde – denken aan een comfortabele passiefwoning.

‘Syro’-afsluiter ‘Aisatsana’ reken ik tot zijn beste composities. Hieronder beelden van de ‘Aisatsana’-première in 2012 in Londen. De trage ritmes lijken op die van Erik Satie, de piano zit op een schommel en na 45 seconden houdt de rookmachine er eindelijk mee op andere geluiden te overstemmen:
 

 
Eén keer heb ik Richard D. James geïnterviewd, in 1992, in het American Hotel in Amsterdam. Toen we uit de lift stapten, keken we uit op een lange gang. D. James wees naar de patronen van de hoteltapijten. ‘The shining’, zei hij. We zijn geen spokende meisjestweeling tegengekomen. ’s Mans hotelkamer was ook geen REDRUM. Maar de toon was wel gezet.

In 2014 lees ik het zéér goeie Aphexinterview dat Koen Poolman voor OOR deed: ‘Het draait allemaal om concentratie. Ken je die scene in ‘The shining’ waarin Jack Nicholson zit te typen en zijn vrouw komt binnen? Dat ben ik. Als ik ergens mee bezig ben en ik word gestoord, dan zie ik altijd die scene voor me. You’re distracting me! Dan wil ik een bijl pakken en erop los hakken.’

Verbaast me niks. Ik herinner me een cd-cover uit 1996.
 
image
 
Trouwens! Hoe het technisch precies in z’n werk is gegaan weet ik niet, maar beide ambientselecties en ál mijn andere Aphexfavorieten werden door de immer zijn tijd lichtjaren vooruit zijnde David Bowie al in 1972(!) gerecenseerd in de song ‘Starman’: ‘That weren’t no dj, that was hazy cosmic jive’.
 

 

 

Witvlakken en weggegomde lettergrepen

 
image
 
Yabby You
Jesus Dread (1972-1977)
1972-1977

 

Van reggae naar dubreggae. Van dubreggae terug naar reggae. Verloren lopen in dat oneindige tussenland is onvermijdelijk.

Komt daarbij: ik ken niet vanaf seconde 3 al mijn Congos uit mijn Abyssinians (en m’n Soul Syndicates nog minder uit m’n Studio One dj’s), maar ik weet wel: dé must is de ‘Arkology’-verzamelaar van Lee Scratch Perry.

Laten we eerst een halve minuut doorheen de Spotifyplaylist van Lee Scratch Perry scrollen en veelzeggende songtitels sprokkelen. Super Ape. Excaliburman. ExPerryments (sic) In The Black Ark. The Upsetter. Panic In A Babylon. Judgement In A Babylon. Secret Laboratory. Ape-ology. Bionic Rats. Free Up The Prisoners. Free Up The Weed. I am a psychiatrist. I Am A Madman. Wat die laatste song betreft: het spreekt voor zich dat de Madman Dubwise-remix nóg beter is.

Terug naar Lee Scratch Perry’s ‘Arkology’-driedubbelaar. Hoe daarop de theorie wordt geïllustreerd van dat enorm hete punt waaruit het dubheelal big banggewijs is ontstaan!

Hoe Perry the upsetter, of the shepherd, of the organiser heel gemeen eerst kleine woorden weggomt, en er dan nóg een lettergreep uithaalt: ‘Onward, forward, don’t step backward… Onward forward… On… O… Yeah…’

In de grumblin’ dub van ‘Police and thieves’ bijvoorbeeld blijft alleen ‘Pol-olol…………………….Oh yeah… Poli…………….. Oh yeah’ over. Het geheugen puzzelt de rest soms bij, soms niet. Ook in de muziek zitten witvlakken: een komen en gaan van maximaal vier sporen klank, maar wat een toverbol!
 

 

Ik, hier voor de goede orde gewoon een ik zoals alle andere ikken, vind Yabby You de beste van de reggaeklas, en zet You’s héél gevarieerde ‘Jesus Dread 1972-1977’-verzamelaar op 32.
 
image
 
Een controversiële voorkeur kan je Yabby You op het eerste gezicht niet noemen, want in reggaeland doet iedereen het met iedereen: King Tubby en Tommy McCook zijn op ‘Jesus Dread’ de vier meesterhanden, en Lee Scratch Perry en Augustus Pablo komen een keer langs.

Dat van die grote variatie is nergens overdreven. ‘Conquering lion’ en ‘God is watching you’ zijn welwillender dan het nogal dreigende ‘Jah Vengeance’. ‘Warn the nation’ is van het niveau van het beste van Bob Marley; de ‘Honey dub’ ervan is briljante tekstboekdub.

Bij song 14 van de 40 aangekomen weet ik: er kan nog een orgel, een saxofoon, een trompet of een trombone langskomen, die even later mogelijk in een dubgat verdwijnen. Er komt nog muziek die heel hard op die van The Congos lijkt, én muziek die daar niks mee te maken heeft. Dillinger en Trinity toasten alsof hun leven ervan af hangt. Waarna de storm opnieuw gaat liggen, en er een deuntje bij is waarmee Sesamstraat zou kunnen beginnen.

Ter hoogte van nummer 106 in ‘Honderd’ (Augustus Pablo’s ‘King Tubby Meets Rockers Uptown’) opperde ik: ‘Reggaeteksten = oud testament + een Messias die niet aan het kruis stierf.’

Yabby You heet Vivian Jackson en is de uitzondering op de rastaregel. Zijn tweede bijnaam: Jesus Dread. De man is een christenrasta. Ik geloof sowieso geen snars van al dat ge-Rastafari, en natuurlijk sta ik even skepptisch tegenover een rasta die in de zoon van de timmerman gelooft. En hoe! Jackson had zelf een vader die timmerman was. Op z’n 12e (!) verliet hij zelfs het ouderlijke huis in een getto van Kingston om een discussie op te starten met de plaatselijke schriftgeleerden (‘Me hold on to my opinion, an’ dem hold on to dem opinion, till it become boring’).

Jackson maakte een storm mee die hem engelen stuurde die zongen: ‘Be You .. Yabby, Yabby You’. Hij veranderde van naam, en lulde zich een studio in. De enige zekerheid die wij vandaag hebben: een uitstekend refrein viel toen uit de lucht.

Ik geniet in rastaland van het Yabby Youvoordeel van de verandering: bij hem niet om de drie regels ‘Haile Selassie, een keizer ja dat was-ie’. Integendeel, in ‘Walls of Jerusalem’ gaat het echt over Jezus van Nazareth: ‘Upon that hill, they crucified our God’. Maar niet altijd: Marcus Garvey, de voorspeller van de messias Selassie, krijgt ook op deze plaat zijn standbeeld. You en z’n posse hebben het niet de hele tijd over Babylon, maar omdat het christendom het Oud Testament niet heeft weggegooid zit ook bij hen tussen kick en snare de belofte om dat Bijbelse oord van ballingschap te ontvluchten, mogelijk zelfs te vernietigen.

Als ik goed kan volgen zeggen sommige rasta’s: Jezus en Haile, één strijd. Anderen beweren dat het twee verschillende geloofsopvattingen zijn. En de rest gaat naar Reggae Geel voor het bier.

Ik schrap in mijn hoofd al de ‘Conquering lion’-teksten over de 72 verschillende naties die buigen voor de glorie van Jah. Het zal mij worst wezen wie de Koning der Koningen en de Heer der Heren en de overwinnende Leeuw van Juda zijn, dus die lyrics schilder ik ook weg.

Ik hou een ge-wel-dig ritme over waarboven de in 2010 overleden Vivian Jackson, hier op zijn eerste single geholpen door King Tubby en met aan zijn zijde bassist Aston ‘Family Man’ Barrett, drummer Leroy ‘Horsemouth’ Wallace en gitarist Earl ‘Chinna’ Smith, komt zingen: ‘Be You .. Yabby, Yabby You … La la la la la, la la la la la…’.
 

 

Ik neem een koud biertje uit de koelkast. Buiten is het aanzienlijk fris. Doet me eraan denken: voor de nummers 31, 30, 29 en 28 zal ik sjaal, muts en handschoenen nodig hebben. Eén enkele keer omdat het kwik serieus onder nul duikt en er geen kruimel brood meer in huis is, in de drie andere gevallen omdat de artiesten de duistere diamant hebben gekregen.

Dus! Nog even in de laatste avondzon van mijn allerfavorietste dubtrack gaan staan, één uit de ‘Hoera geen tekst’-categorie: