De nepzonnen

 
image
 
Franz Schubert
Winterreise
1827

 

Franz Schubert schrijft meer dan 600 liederen. 44 daarvan zitten verdeeld over twee liederencycli op tekst van de – net als hij – jong gestorven Wilhelm Müller. ‘Die schöne Müllerin’ staat op 57, ‘Winterreise’ op 9.

In beide cycli is de held een tragische figuur die niet meteen overloopt van pragmatisme, en een tocht maakt richting de plek van waar niemand ooit is teruggekeerd, maar in Winterreise is het al van bij Lied 1 gedaan met fris, monter en in de juiste Joy Divisionjas verder huppelen langs beek en boom, met de maan als betrouwbare gezel, ondertussen een zwarte vogel groetend, daarna uitrustend in een hut.
 
image
 
Neenee, het is horrorwinter. Komt daarbij: onze held is van bij het prille begin ‘als vreemde binnengekomen’. Hij weet zelfs dat hij ‘als vreemde zal buitengaan’. Hij is afgewezen en hij beseft het. De moeder van de bruid was zelfs even over een huwelijk begonnen. Hij had beter moeten weten. Hij had op de wind moeten letten die met de windvaan op het dak van het huis van zijn geliefde speelde, zoals het toeval met onze harten.

Het zou kunnen dat de moeder ja heeft gezegd, en de vader later zijn veto stelt: hij huwelijkt tenslotte een ‘rijke bruid’ uit. Een andere mogelijkheid: de jonge man is niet alleen omdat hij arm is afgewezen, de potentiële schoonmoeder heeft eerst ja gezegd, maar daarna ingezien dat alleen het onbereikbare en het onwereldse hem interesseert. Ze heeft gehoord dat hij vindt dat verdriet het verstand slijpt en de inborst verhardt. Ze weet met andere woorden dat hij zot is.

Wie de zotte held van Winterreise zoal is? Tekstschrijver Wilhelm Müller creëert een man zonder naam, wiens overpeinzingen over de dood steeds meer resoneren met het winterlandschap waarin hij ronddoolt. In die gedachten duiken soms rare logicakronkels op, ja zelfs belachelijke situaties en regelrechte waanzin.

Müller vat zijn verteller als mensenschuw, hooghartig en ontgoocheld in de liefde. Soms verkeert hij gewoon in een geprikkelde stemming, meestal is hij – zoals we vandaag zouden zeggen – manisch of depressief. Mocht een sponsor naar het verleden kunnen geflitst worden, A.S. Adventure zou geen absurde keuze zijn: de man neemt de hele tijd deel aan door hemzelf georganiseerde extreme outdooractiviteiten. Maar: doet hij eigenlijk zijn beklag over vereenzaming en vergletsjering of wil hij gewoon nooit meer iemand zien? Is hij bang voor de dood of verlangt hij er vooral naar? Voorlopig verdict: ‘Winterreise’ is een bizarre vertelling.
 

 

Vergelijken met popmuziek, ik doe het aldoor bij klassieke muziek. Maar als in Lied 3 tranen uit een gloeiend hart opwellen – als willen ze alle winterijs doen smelten – wordt het moeilijk Del Shannons ‘I’m a-walking in the rain / tears are falling and I feel the pain’ erbij te sleuren. Als de ijsman-in-wording tevergeefs afleiding zoekt, als het blíjft spoken in zijn hoofd, als elk moment donkerder wordt dan al wat voorafging, klinkt dat schrijnend, maar heel anders schrijnend dan pakweg ‘The day the world world went away’ van Nine Inch Nails. Pop- en rockvergelijkingen passen even goed bij Winterreise als caipirinha en voetbalhooliganisme.
 

 

Men kan van het pad afdwalen, the road less traveled by kiezen, maar op de dool zijn in een land van ijs, sneeuw en straffe wind is dat beetje verder van huis.

Wat vaststaat: na een lied of drie kan onze held nergens een spoor van lente en liefde vinden. Alleen een in zijn hart ingevroren beeld van de geliefde blijft over, en als zijn hart ooit smelt, bedenkt hij, zal haar beeld mee smelten. Een lindeboom ruist hem toe, maar hij trekt voort in nacht en vrieswind. Een droom waart over een barre nacht: in de lente smelt de sneeuw samen met zijn tranen, die gloeien tot waar de beek bij het huis van de geliefde komt. Bij het wakker schrikken blijkt de beek natuurlijk bevroren.

Volgen: een dwaallicht en een terugblik die niks opleveren. Pas als hij in een kolenbrandershut rust vindt merkt hij hoe moe hij is. Een tweede lentedroom over bonte bloemen wordt door een haan in de koude realiteit gekraaid. In die echte wereld vraagt hij zich af of de ijsbloemen op de ramen ooit zullen bloeien; ik vermoed bij hoge koorts.

Daarna trekt de wandelaar met vaste pas verder, door niemand begroet. Laat de natuurellende maar komen, denkt hij, verlangend naar een storm die hem zijn echte ellende doet vergeten.

Heel even springt zijn hart op als hij de posthoorn hoort, maar als er geen brief van zijn lief bij zit, kan de postbode opdonderen, zoals in dat lied van Raymond van het Groenewoud – een popmuziekvergelijking die ik er alsnog in wil. Gewoon om even het huis te luchten, want deze liederen klinken soms als seriemoordenaarsmuziek.

De jonge man mijmert ondertussen over zijn grijze haren, vertrouwt alleen de kraai nog als metgezel (‘Krähe, Krähe, wunderliches Tier’), een laatste blad valt af in de wind, honden verjagen hem uit het dorp, de ochtend moet en zal grauw en koud zijn en ontgoochelt niet, hij negeert alle wegwijzers behalve die ene die staat op de weg zonder terugweg, en hij zoekt een onderkomen op het kerkhof en in de herberg des doods.

Als hij zich nog heel even een god in ’t diepst van zijn gedachten voelt, wordt dat onmiddellijk afgedaan als een manisch moment. Hij veracht de waargenomen bijzonnen aan de hemel – heel knap gedaan trouwens, om dit optisch fenomeen (dat zich voordoet als de witte winterzon door de wolken priemt en op de ijskristallen gereflecteerd wordt), in de finale te laten opdoemen, mogelijk als een dwaze utopie. De man verlangt in het toneeldecor van dat helle licht alvast naar de duisternis, hoort een arme draailierspeler die op het ijs staat en wiens geldschaaltje altijd leeg blijft, en vraagt ‘em: ‘Wunderlicher Alter / Soll ich mit dir geh’n? / Willst zu meinen Liedern / Deine Leier dreh’n?’ Doek!
 

 

In de pianobegeleiding klinken bevriezende tranen ondertussen echt als bevriezende tranen. Hondengeblaf aan het begin van ‘Im Dorfe’ en het gedraaf van postkoetspaarden in ‘Die Post’ geven ook present. ‘Frühlingstraum’ is lieflijk in de droom en zwaar op de hand als de realiteit aanklopt.

Als de man in het verbluffend goeie ‘Erstarrung’ in de sneeuw op de plek waar hij ooit met zijn geliefde wandelde vergeefs zoekt naar een spoor van haar, de bodem wil kussen en door ijs en sneeuw wil dringen, is die wanhoop en waanzin in de begeleiding te horen. Als hij in gepeins is verzonken of het doodsverlangen overneemt, wordt de zangpartij veel spaarzamer opgevangen. Als het hem brandt onder beide zolen, staan ook de toetsen in brand in ‘Rückblick’. Als het hem in ‘Irrlicht’ niet meer kan schelen of hij doodgaat of niet, zit de piano al in de sfeer van de afsluiter, en dus in het spoor van de vriesdood: met een beetje verbeelding hoor je daar zelfs de starre vingers van de draaiorgelman.

’t Is eigenlijk al een lied eerder afgelopen als die nepzonnen opduiken en het licht zachtjes in de piano verdwijnt: de steeds meer van z’n eigen lichaam in het winterlandschap overvloeiende man wil zich aan dat wegdeemsterende licht zelfs niet meer warmen: ‘Im Dunkeln wird mir wohler sein’.

Trouwens, al maar goed dat hij sterft, want in de twee liederen dáárvoor is er geen bed vrij in de herberg van de dood (de piano speelt een dodenmarsje met een hatelijk lichte boventoets) en neemt de wandelaar zijn stok opnieuw ter hand in ‘Mut!’, een song die vrolijk en monter de wereld in marcheert, alsof er een romantische liedcyclus gaat beginnen. Dé vraag luidt hier of de kunstenaars alleen hun personage de zotskap op zetten, of ook zichzelf.

Franz Schubert creëert qua vorm een indrukwekkende downward spiral voor piano en stem. Ik kan u voorstellen aan tenor Ian Bostridge, maar wie – zoals ik gaandeweg – verkiest naar Dietrich Fischer-Dieskau te luisteren, hoort liever een bariton en neemt genoegen met af en toe een trager tempo.

Stand van zaken volgens het verstand: piano, zang, tekst, vorm en inhoud liggen prachtig in mekaars verlengde. Tussenstand volgens het hart: Geniaal!
 

 

Als Schubert zijn winterreis voor vrienden speelt, reageren die met ongeloof. Sommigen keren zich in angst af. De vader maakt in december 1828 een doodsbericht: ‘Des namiddags te 3 ure ontsliep tot een beter leven mijn innigst beminde zoon Franz Schubert, toonkunstenaar en componist, na een korte ziekte en het ontvangen van de heilige sacramenten der stervenden, in het 32e jaar van zijn leven.’ Iemand schrijft: ‘Van welke rijke, onontgonnen schatten heeft zijn dood ons beroofd?’ Inderdaad.
 

 

Iemand klopt aan en zegt: vergeet wat u weet. De man heet professor Hufschmidt. Hij zegt: Gemiddelde levensverwachting in die tijd in de Weense voorstad Himmelpfortgrund waar Schubert opgroeide: 30. Bij de componist thuis: 14 kinderen, die in één kamer leefden. Aantal kinderen dat in leven bleef: 4. Schubert een naïef, dromerig kunstenaar? Niks van. Hij is een zelfstandig, onafhankelijk scheppend componist, op een bepaalde manier zowat de eerste in zijn vak. Hij verdient een beetje geld met uitgaven van zijn werk. Wat hij niet had: de mogelijkheid om zijn werken in het openbaar uit te voeren. Aan de kerk kon hij zijn producten onmogelijk slijten, progressieve burgerij was er in Wenen toen amper. We zitten midden in het zeer conservatieve restauratiebeleid van Metternich. Overal censuur, overal – echt waar – cultuurcontroleurs. Schubert kent de censuur die zijn tekstleverancier Müller al heeft meegemaakt, is aan een razzia ontsnapt die in zijn kennissenkring heeft plaatsgevonden, mag van de censoren een opera niet laten uitvoeren. De Schubertiades – zelfgeorganiseerde avonden voor gelijkgestemden – zijn bescheiden weerstandsactiviteiten. De winter in Winterreise zou een metafoor zijn voor het reactionaire beleid. Als in ‘Hoffnung’ hier en daar nog een blad aan de boom hangt, zijn dat schaarse oppositiestemmen. Onzin? Wie is hier op de vlucht en waarom? Dit is een onvrijwillig soort reizen. Er wordt op het graf van de hoop geweend, de held trekt altijd verder en verder, verlaat bijvoorbeeld de valse rust van het kerkhof. In het 47 fantastische seconden durende ‘Der stürmische Morgen’ ziet de Wandelaar in de rode ochtendhemel zijn eigen lot geschilderd: ‘Niets anders dan de winter / De winter, koud en wild!’.
 

 

Ik weet natuurlijk niet of die professor Hufschmidt gelijk heeft. Ik ben geneigd hem minder van de pot gerukt te vinden dan iemand die ervan overtuigd is dat de WTC-torens door de CIA of de Mossad zijn neergehaald. Ik kan bijvoorbeeld op eigen kracht horen dat de Wanderer vanaf ‘Der stürmische Morgen’ alleen is, maar wat ik niet gehoord had, terwijl 1000 cimbalen het lieten rinkelen, is de laatste vraag in het laatste Lied: ‘Wil je mijn liederen op jouw draailier spelen?’ betekent ‘Wil je op mijn tekst jouw muziek maken?’, en is een vraag van Müller aan iemand als Schubert, twee mensen die mekaar overigens nooit hebben ontmoet.

‘Deze muziek klinkt niet slechts alsof’, zegt Hufschmidt. ‘Zij is de muziek van een draailier. Schubert heeft alles moeten afleren, en muziek van en voor de armen gemaakt. Schubert is zelf de arme lierdraaier geworden.’ En nu hoor ik het verhaal anders: de vreemdeling, het bord met verboden toegang, de opgedroogde tranen, het verdringen der slechte herinneringen, de omgekeerde wereld, de slaapdorpen, de politieke ingeslapenheid, het noodlot, de terugval, het ondanks alles Im Rhythmus Bleiben, het doorgaan tot we aan het gaatje zijn. Saillant detail: tekstschrijver Müller, dé grote inspiratie voor Heinrich Heine, die ook de politieke toer op zal gaan, wordt – dat heb ik overal kunnen vaststellen – tot vandaag als middelmatig dichter geportretteerd. Kan natuurlijk evengoed zijn: een politiek onwelgevallige kunstenaar die als middelmatig wordt weggezet. Trouwens, een versie van de fenomenale Leiermann-afsluiter voor draailier en bariton met een streektaaltongval, da werkt wel.
 

 

De Winterreisebewerkingen. ‘Der Leiermann’ hoor ik op Youtube door een gitarist brengen, door een deathmetalgroep en door een Depeche Mode-achtige, ja zelfs door Blixa Bargeld, haar keurig gekamd en rechtstaand naast de piano.

In de Franz Liszttranscripties van de hele ‘Winterreise’ hoor ik veel te veel moeite doen, voor de Hans Zenderbewerking voor elektronicabovenbouw is de term ‘interessant’ uitgevonden, voor de Herman Van Veenversie het beleefde excuus ‘Niet aan mij besteed’.

Met de door Jan Rot geopperde idee dat de held uit de beste liederencyclus aller tijden een bomberjack zou moeten dragen in plaats van de lange overjas die ‘de wandelaar boven de nevelen’ in dat schilderij van Caspar David Friedrich aan heeft, ben ik het alleen in theorie eens. Wat Ian Bostridge en pianist Julius Drake vandaag doen is vanzelf modern, anders, helderder, van deze tijd. Het is het gezwinde tenortoontje dat soms luchtig is, Bostridges houding boven de piano (de man ziet er een beetje uit als een kraanvogel), de zoveel betere opnamen van vandaag die de details in de gevarieerde pianostemmingen anders uitlichten dan op platen van vroeger.

Kijk, als ik een hiphopper met zijn eenzaamheid en doodsdrift wil horen worstelen, zal ik ‘em in de afdeling hiphop proberen op te snorren. Is dat afgesproken?

Besluit. Via een fictief personage dat niet gewoon doodgaat, maar traag en spoorloos verdwijnt nadat er niks meer is dat hem hier houdt, is mijn hoofd in der Tiefe gegaan. Daarna zegt iemand me: ‘Verman je, Stupid! Het is gewoon politiek-maatschappelijke kritiek.’ Volgens die professor denken we veel te veel dat muziek uit de hemel komt gevallen, terwijl iemand haar ooit ergens heeft gemaakt, en de vragen ‘Wie?’, ‘Voor wie?’ en ‘Waarom?’ bijna nooit gesteld worden.

Ik heb mijn gedachten heel anders over dit kunstwerk weten gaan na die politieke interpretatie. Tegelijk wint in mijn hoofd de gedachte dat het louter strijd is tussen doodsangst en doodsverlangen, zij het nipt en na verlengingen.

Eén ding is echt zeker: het diepzeeduikrecord van Honderd staat op naam van Winterreise.
 

 

 

Groot-Rusland

 
image
 
Peter Ilyich Tsjaikovski
Romances
1856-1893
Christianne Stotijn en Julius Drake

 

Ik zou kunnen zeggen: ‘Er staan 22 klassieke platen in Honderd, maar dan reken ik die van John Cale, Aphex Twin, Brian Eno & David Byrne, Swans en Sun Ra niet mee, en die van George Gershwin wel. Doe ik daardoor aan hokjesdenken? Veel erger, het is regelrechte idiotie.

Ik stel een andere breuklijn voor. In 1876 nam Alexander Graham Bell een (omstreden) uitvinderspatent op ‘de telefoon’, een combinatie van microfoon, elektromagneet, strakgespannen membraan, wisselstroom en luidspreker waarmee Bell zijn assistent aan de andere kant van het huis opbelde om te zeggen: ‘Ik wil u nu onmiddellijk spreken, kom naar hier’. De assistent liep onmiddellijk naar Bell.

Hoeveel verzamelingen composities van na de Belluitvinding in de lijst staan? 93. Cd’s met muziek die dateert van voor 1876: amper zes! Er blijft er inderdaad eentje over, want de verzamelde romances van Tsjaikovski zijn de enige aanwezige hoop songs die voor én na 1876 zijn geschreven.

Op z’n 16e schreef de man het prachtige ‘Moy geniy, moy angel, moy drug’ (‘Mijn beschermer, mijn engel, mijn vriend’), dat dateert van 1856. Maar er staan op deze cd ook twee composities uit Tsjaikovski’s stervensjaar 1893. In die liederen rinkelt uiteraard nergens een telefoon.

Een zomermiddag in het Brusselse Conservatorium halfweg het eerste decennium van de 21e eeuw. Ik zit tussen mensen die bijna allemaal ouder zijn dan ik – een hele prestatie, want de meesten op aarde zijn dat niet. Opvallend veel aanwezigen dragen iets beigekleurigs. De klapstoeltjes zijn gemaakt in een tijd waarin mensen niet groter werden dan 1 meter 70. Op de balkons is er nog minder beenruimte. De middagconcerten kaderen in Midi Minimes, een festival dat twee zomermaanden lang voor bijna geen geld elke weekdag een tik van een half uur uitdeelt, net genoeg voor een strijkkwartet, twee sonates, of iets uit Turkmenistan.

In de brochure zie ik ‘Liederen van Tsjaikovski’ staan, waarvan ik er geen enkel ken. Een wel zéér frêle vrouwtje, de ribben duidelijk zichtbaar door een groen zijden kleedje, gaat naast een piano staan en zingt ‘Ochego?’ – ‘Waarom?’ in het Russisch – en ik weet in de verste verte niet hoe ze het doet, maar ’t is alsof ik in de trein door een groot land sjok, en dat land heeft berkenbomen en een aangeboren talent voor melancholie. Groot-Rusland is het juiste antwoord.

Vandaag begrijp ik het iets beter: Tsjaikovski is doorgaans een ballet met een zwarte en een witte zwaan, een vioolconcerto dat heel de tijd blinkt van de virtuoze trots, een pompeuze wereld gevolgd door staande ovaties. Deze liederen maken zich onnoemelijk veel kleiner.

Mezzosopraan Christianne Stotijn en pianist Julius Drake, die overigens niét de uitvoerders zijn die me in het Brusselse Conservatorium de weg hebben gewezen, openen hun cd ‘Romances’ ultragracieus via ‘Onder het kabaal van het bal’. In de piano ontmoeten twee dansers mekaar op een gemaskerd bal. Aan het eind gaan ze uit mekaar. Van een tweede ontmoeting komt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niks.
 

 

Bij romance 2, die middenin losbarst en later opnieuw gewoon ademhaalt, ervaar ik het dubbele gevoel dat ik ook heb bij een gitzwart groepje uit Manchester dat hoger in de lijst staat en daarom nog niet bij naam genoemd mag worden: ik voel me weggetrokken worden, maar op superprofessionele wijze.

Het lied ‘Zoals op hete as’ vergelijkt de ellende van de dichter met een langzaam in hete as smeulend manuscript. Wens: een vlam die alles sneller opbrandt. In het Russisch: Kak nad gorjacheju zoloj. In het Cyrillisch: Как над горячею золой.

Ik besluit niet overal alles te gaan opzoeken, en bijvoorbeeld naar de binnen tuimelende piano van het snel rustiger wordende ‘Verzoening’ te luisteren en teksten te horen die klinken als Bwa vasjna moiou shente iszjitavela; mijn geheel eigen verzonnen peuter-Russisch.

Van ‘Wiegelied’ lees ik wel nog de vertaling: de wind, de arend en de zon waren ingehuurd om ‘Slaap kindje slaap’ te zingen, maar de arend vloog naar huis, en de zon verborg zich onder water. De wind moet bij zijn moeder een reden opgeven voor zijn afwezigheid: ‘Ik joeg niet op de golven van de zee / ik heb het goud van de sterren niet aangeraakt / ik heb op een kindje gepast / en zijn wiegje geschommeld’.

Het in de eindsprint aanwezige koekoekslied blinkt evenmin uit in diep gepeins van een in eenzaamheid gedompelde mens. Maar de meeste songs wel: ‘Terug zoals voordien alleen’ bijvoorbeeld heeft duidelijk meer dan één regendag in november achter de rug.
 

 

Volgens Christianne Stotijn ligt heel de cd die ze met Julius Drake maakte in het lied ‘Mijn beschermer, mijn engel, mijn vriend’ besloten. Haar uitleg: ‘De ik-figuur ervaart een spiritueel contact en put daar troost uit en dat gaat enorm diep. Zo’n lied hoef je bijna niet te zingen, fluisteren volstaat.’
 

 

Stotijn voegt er aan toe dat hier – een paar uitzonderingen daargelaten – zeer bewust de meest verstilde Tsjaikovskiliederen zijn geselecteerd en dat alles vrij licht en minimaal wordt opgediend. Ik vind op cd en op Youtube geen enkele versie van deze werken die van zoveel bombast zijn ontdaan in de stem, en waaruit zoveel tierlantijntjes zijn weggevallen in de piano. Nuance: ik heb mijn mening niet getoetst aan die van de gemiddelde Rus(sin), maar ik vermoed dat die het meer heeft voor de variant in onderstaande video. Ik hou het bij deze versie geen twee minuten uit:
 

 

Tsjaikovski is in Rusland een versteend genie wiens grote werk bij het meest bombastische en hyperromantische van de muzikale canon hoort, en mede daarom is er heel wat te doen geweest rond de postume coming out van ’s mans homofilie. Nieuwe interpretaties stellen dat zijn genie ‘derhalve volledig wortelt in zijn onorthodoxe oriëntatie’. Is daarom de onvervulbaarheid van de homoseksuele liefde hier het onderwerp? Ik hoor rekenschap afleggen, maar geen idee waarover.
 

 

De hele wereld is groen

 
image
 
Franz Schubert
Die schöne Müllerin
1823

 

Het Müllerin-verhaal kort en cynisch? Tekst: Wilhelm Müller. Muziek: Franz Schubert. Jongen raakt Meisje niet aan, spreekt zelfs niet tegen haar, is maar een knecht. Meisje is de dochter van de baas. Jongen wordt jaloers als een jager Meisje het hof maakt, wordt zo zot als een weerwolf en verdrinkt zich.

Zullen we via de indeling van de cyclus binnengaan? Vier delen: hoop, liefde, jaloezie, wanhoop.

Emotioneel stadium 1 begint fris en monter. Dion zou in ‘Das Wandern’ kunnen zingen: ‘They call me the wanderer / I roam around, around, around’.

Een molenaarsknecht trekt de deur van het huis van meester en meesters vrouw achter zich dicht, want erop uit trekken en rondreizen is zijn lieve lust. Hij heeft het van het water in het beekje aan de molen geleerd, want dat staat ook nooit stil; de molenstenen en de molenraderen evenmin.
 

 
De jonge man hoort doorheen het ruisen van de beek de watergeesten zingen, volgt die tot bij een molen, en uiteraard woont daar de mooiste molenaarsdochter van de Alpen. Dank u, lieflijk beekje, dat u de weg naar deze prachtplek wilde wijzen!

De knecht treedt in dienst bij de molenaar; handen én hart maken overuren. ‘Ach, als ik eens…’ weerklinkt in 1000 varianten. Het meisje zelf weet natuurlijk van niks.

Hij vraagt aan de beek om een ja-of-nee-antwoord zoals je ‘houdt van mij – houdt niet van mij’ aan de kroonblaadjes van een margrietje kan aflezen. Niét dus. Overigens: Bach, Mond, Wald, … romantische Duitsers maken van natuurelementen personages zoals wij elke week frieten eten.

De ‘Dein ist mein Herz und soll es ewig bleiben’-sfeer in het liefdedeel doet me denken aan ‘If there is something’ van Roxy Music. Bryan Ferry zit ook in zo’n fase: hij zou oceanen willen overzwemmen, en belooft zelfs aardappelen te telen voor zijn geliefde.
 

 
Onze 19e-eeuwse liedheld moet eerst over een donker pad: als hij in de buurt van zijn vlam eindelijk aan de waterkant zit, trekt het water hem bijna naar onderen, want van bij de eerste regendruppel wil ze naar huis. Het spiegelbeeld van het water breekt tot gruis.

Maar het tij keert opnieuw – denkt de jonge molenaar tenminste. Tekstdichter Wilhelm Müller laat een verlossende manische bui opdraven: ‘Lente, zijn dat al je bloemen?’ en ‘Zon, kan je niet harder schijnen?’ klinkt het alvorens ‘Mein! Die geliebte Müllerin ist mein!’ over berg en dal galmt. Ook de muziek blaast er opnieuw leven in.
 

 
Het Jealous guy-deel komt eraan. Denk eerst een man die zijn luit aan een haak hangt, want hij kan niet meer zingen. Het lint aan de luit is groen, en dat blijkt de favoriete kleur van het molenmeisje.

Maar een jager (met stoppelbaard, en een veel te groot geweer om op een reetje te schieten) draagt nog meer groen.
 

 
De liederen gaan nu in een stroomversnelling. Groen is eerst de goede kleur: onze held wil groen dragen, op groene weilanden liggen, onder groene graszoden begraven worden, want dat is kleur van zijn geliefde. Onmiddellijk daarna is groen de slechte kleur: hij wil het groene gras wit wenen, hij kan haar favoriete kleur niet meer verdragen. Plus: vluchten kan niet meer, want de hele wereld is groen.

Omdat noordpool, Sahara en Gobiwoestijn ook voor een romantisch hoofdpersonage moeilijk met paard bereikbaar zijn, richt de molenaarsknecht zich tot zijn enige vriend: de molenbeek.

Troost kan de beek niet meer bieden, want we zitten al in het afsluitende wanhoopluik. Het immer bewegende water spreekt de Wanderer toe: ‘Je bent aan het eind, hier vind je trouw, ik koester jou’. Om tot troost te besluiten met: ‘Der Himmel da oben, wie ist er so weit.’ Sterfscène. Doek!
 

 
De muziek is zoals Schubert ze voor ogen had: een komen en gaan van stemmingen, veel meer dan begeleiding alleen. Hoe refreinen en strofes hier in mekaar zitten, snelheden van songs verschillen, er soms geen refreinen zijn, echo’s van eerdere songs binnensluipen, en vooral: manisch geluk of berusting, een stromend bergbeekje en een jager die eraan komt ook alleen via de piano kunnen bezongen worden! Wunderbar!

Of ‘Die schöne Müllerin’ ook na Sigmund Freud en na The Velvet Underground, na twee wereldoorlogen en na onze zesde staatshervorming werkt? Absoluut. ’t Is meer een kwestie van je aan de streek dan aan de tijd aanpassen. Lintbebouwing, af en toe wind tegen en vals plat kenmerken de plek waar wij verliefd worden tot alles eventjes met alles in verbinding staat, helaas terwijl een rotonde en een stoppelveld naast een hangar ons tot achtergrond dienen.

Dit is Alpenromantiek waarvoor je goeie wandelschoenen en een sterk hart nodig hebt. De lucht is ijl. Als je alleen op pad bent, ben je alleen op pad.

Tegelijk is deze vertelling opgetekend door de stadsmuizen Müller en Schubert die mogelijk nooit een gems in het wild hebben gezien.