Een kattenbak met witte kiezelsteentjes

 
image
 
Björk
Vespertine
2001

 

De hoes van Björks vierde cd ‘Vespertine’ leest als een Rorschachtest die ze voor zichzelf schildert, en de hele plaat ademt die no method, no guru, no shrink-sfeer.
 
image
 
Bij een eerste beluistering, in 2001, vond ik het saaie drets. Eén song heette ‘Cocoon’. Het was de hele tijd net iets te gezellig winters. Hulpjes Matmos, Oval en Thomas Knak waren voor mij in die jaren niet dé dwarsliggers van de dansmuziek, en ik hoorde ze op ‘Vespertine’ amper. Plus: hoeveel keer moesten fraai vergulde arrangementen nóg eens verguld worden?

Eind 2002 wordt ‘Vespertine live’ op dvd uitgebracht onder de naam ‘Live at Royal Opera House’. Een Londens operapubliek ziet Björk in een regen van witte snippers een grote muziekdoos aandraaien. De ouverture heeft hoorns die aan de Waldrand van Mahler doen denken en strijkers die twijfelen tussen Aaron Copland en het kleverigste van Disney.

‘All is full of love’ herinnert eraan dat voorganger ‘Homogenic’ dáár afsloot, om preciezer te zijn bij ‘All is full of love / Your phone is off the hook / All is full of love / Your doors are all shut’. Zeena Parkins springt in de tijdspanne van één song van pianootje over harp naar accordeon, het duo Matmos musiceert heel zuinigjes vanop een elektronica-eiland, ik kan evenmin beweren dat orkestdirigent Simon Lee (door Andrew Lloyd Webber opgeleid, heeft zelfs een uitvoering van ‘The sound of music’ op z’n cv staan) mij op het puntje van mijn stoel doet zitten.

Een microfoon is opgesteld bij een kattenbak met witte kiezelsteentjes, en een van de twee Matmossers (die met de strik) begint erin te trappelen. Harp en knetterelektronica vallen knap in. Het orkest fluistert. Het Inuit-vrouwenkoor komt in beweging. Dit is ‘Aurora’: Björk groet ’s morgens de dingen, en van hier af groeten ze ook mij allemaal terug.
 

 
‘Undo’ is nog beter. Als een beetje onwelluidendheid in het orkest wegvalt, blijft alleen de harp over, én de tekst ‘If you’re crying, baby / Undo’.
 

 
Niet té snel pieken, denkt mevrouw Guðmundsdóttir, en ze gooit er een B-kant tegenaan (‘Generous palmstroke’) en geeft Matmos (natuurlijk wél de voorhoede van de krakpiepknor) het hoogste woord in ‘An echo, a stain’. Björk laat hen in ‘Hidden place’ geluid maken door een boek speelkaarten te schudden en in ‘Cocoon’ door met een stethoscoop mekaars lichaam af te luisteren. We mogen trouwens blij zijn dat ze zich daartoe beperken, want op de Matmos-cd ‘A chance to cut is a chance to cure’ van eerder dat jaar stellen ze microfoons op in operatieruimtes; onder meer tijdens een oogoperatie en een liposuctie werd er naar rare geluiden gegraven.

‘Unison’ volgt nog, de perfecte afsluiter voor de pauze: de tekst is er eerst één uit de Björkse comedydoos (‘I thrive best hermit style / With a beard and a pipe / And a parrot on each side’), maar ze is ook verliefd en zelfs compromisbereid in de liefde: ‘I never thought I would compromise’. ‘Unison’ brengt ook het orkest in volle glorie terug, maar dé sterren zijn hier de Groenlandse serafijnen met voornamen als Pilu, Najaaraq en Arnanguaq, en met 50 woorden voor jacquardmotief.

De post-pauze komt met een kostuumwissel en een beginapplaus dat bij een rockconcert past. De Matmosman met de strik heeft zijn colbertje in de kleedkamer gelaten, het zal niet lang meer duren voor de andere zijn trui uittrekt en een t-shirt laat zien met Rock all night long.

‘It’s not up to you’ is een greatest hits-fähige single. De elektronica is strijdlustiger geworden. In ‘Pagan poetry’ gooit Björk zich, na een veelvuldig herhaald I love him, naar voren: een halve minuut lang is ze voor het eerst haar enthousiaste jaren 90-zelf. De modemgeluiden van ‘Possibly maybe’ zijn instant herkenbaar, Matmos maakt van een akoestische gitaar een lap steel, hun schuifjes gaan open en hun schuifjes gaan dicht. Aan de harp is Zeena Parkins ondertussen degene die zich het meest moet inhouden: de waanzinnige noise die ik haar op Youtube met ene Ikue Mori hoor maken is iets van een heel andere planeet dan wat ze hier in de Royal Opera House doet.

Volgen: de Mon petit voelkan-lyrics, de irrrrrruptions, de aaaaajaaalaaakanns en de auto-onderdelen (én het bestek) die van een rots worden gesmeten in ‘Hyperballad’. De swing van ‘Human behaviour’ ook, gevolgd door de emotional landscapes vol voelkanic beats van ‘Jóga’.

Afsluiter ‘It’s in your hands’ heeft iets van Björks hardste werk (‘Pluto’, ‘Declare independance’), maar paart ook vrolijkheid en handjeklap aan een tekst waarin je van alles kan lezen: ‘It’s in our hands / it always was’. Zeena Parkins bespeelt haar harp eindelijk zoals Sonic Youth z’n gitaren, een Matmosser begint zowaar te headbangen, alle gezichten van de Inuitmadammen staan op blij – onvoorwaardelijk blij. Björk pakt de Royal Opera House in, samen met artiesten die op Youtube met hun eigen werk hooguit 20.000 keer beluisterd worden. Niemand in de zaal die erom heeft gemaald dat-ie ergens op het verkeerde moment heeft geapplaudisseerd.
 

 
‘Declare independance / raise your own flag / make your own stamps’, zal Björk een paar jaar hierna schreeuwen. In 2012 wordt een soundtrack geschreven bij haar eigen natuurdocu met in de hoofdrol micro-organismen.

Maar vooralsnog is het winter en post-millenniumwende, en de beroemdste dochter van Guðmund laat de harp stemmen, checht de microfoons die zijn opgesteld op de plek waar ze met de voeten over de sneeuw zal lopen, en gooit nog een blok op het haardvuur. De sample van ‘Verklärte Nacht’ van Schönberg ligt klaar. We beginnen via ‘Hidden place’ nog eens aan ‘Vespertine’, Björks winterse avondwandeling voor harp en orkest die af en toe meesterlijk verbrokkelt in elektronische toverdozen.
 

 

Het winterspek der mogelijkheden

 
image
 
Einstürzende Neubauten
Alles wieder offen
2007

 

Die Achtziger Jahre. In het Londense Institute of Contemporary Arts met pneumatische boor een gat in het podium drillen terwijl flessen in een betonmixer worden gegooid – tot de organisatoren niks anders rest dan de stekker eruit te trekken? Einstürzende Neubauten kan het aanvinken op de been there, done that-lijst.

Met een uit roestig schroot en industrieel afval opgetrokken instrumentarium afbraakwerken organiseren – ja, zelfs een put graven – op een verlaten stuk Autobahn van Berlijn? Staat óók op hun cv.

In de jaren 90 worden de Neubauten beginnende onthaasters: ze maken in die dagen geluid door een zak zand uit te storten, een buis vol olie te laten leegdruppen en een biefstuk twee weken lang in de studio te laten rotten met een hooggevoelige microfoon in de buurt (‘Tabula rasa’).

In 2000 steekt Blixa Bargeld een sigaret op na een halve minuut stilte (‘Silence is sexy, but your silence is not sexy at all’). In 2005 zijn het gedroogde lindenbladeren die ritselen in ‘Ein leichtes leises Säuseln’ van de cd ‘Perpetuum mobile’, een studie in luchtcompressie.

In de AB zie ik hen in 2010, ter gelegenheid van hun 30e verjaardag, op een snelbinder trommelen. Hun buisklokken (zo u wil: tubular bells) zijn van PVC, hun wielvelgen klinken als een beiaard. Er wordt met een schuurmachine zachtjes over een hamsterkooi geaaid. Als uit een Inox-grootkeukenbak metalen staafjes naar beneden kantelen, gebeurt dat geleidelijk en volgens plan; het overstemt nergens de andere geluiden. Blixa Bargeld maakt zelfs ergens een heus plofgeluid, hand tegen loshangende wang.

Sinds F.M. Einheit ontslag nam – Einheit kon twee stenen doen vechten, maar plakte ze altijd eerst een microfoon op – is al wie de confrontatie blijft nodig hebben eraan voor de moeite. De Neubauten zijn stilletjes aan het verdwijnen in de nevelen van het ouder worden. We moeten genoegen nemen met een uitstekende groep die vandaag vooral métier in huis heeft. Er zijn erger dingen.

‘Alles wieder offen’ opent met ‘Die Wellen’. De song heeft de sfeer van een stemmend orkest, met daarboven Bargeld die staat te oreren tegen golven die komen en gaan, die steentjes zo fijn malen als nodig voor zandlopers, die nooit slapen, die – hoewel kleurloos – blauw lijken bij goed weer, moment waarop ze ook een ideaal parcours zijn voor de zoon van de timmerman, het ‘wandelbaarste’ element. Maar als bij slechter weer de golven breken, breken 1000 stemmen, de zijne, die van gisteren, stemmen die hij niet kende, die voordien nog fluisterden, en alle andere ook, en midden daarin die van de Nazareeër, altijd opnieuw met die fameuze vijf laatste woorden: ‘Waarom hebt u mij verlaten?’ De muziek zwelt aan en aan en aan tot Bargeld naar de golven roept: ‘Bleibt du jetzt hier, oder was?’, en alles abrupt eindigt.
 

 
‘Nagorny-Karabach’ is zachter: de bas van Alexander Hacke in de voorgrond, een sample van een barokorgel, de kleinste percussiestaafjes uit de gereedschapskist van N.U. Unruh. De tekst gaat over een zelf gekozen enclave op een berg boven de mist. Er is een bijrol voor een kopergele zon en voor twee grote zwarte raven die de pruimen uit de boom eten. Nagorny-Karabach is een woord dat ook Stijn Meuris zou kunnen zingen.
 

 
‘Weilweilweil’ poetst de oude staalplaten weer op en heeft als goeie raad: ‘Aanvaard geen raad van al wie het winterspek der mogelijkheden lang heeft verbrand’.

‘Let’s do it a dada’ knalt alsof het opnieuw 1985 wil worden en introduceert de woorden Propagandada, Zentrodada en Das Oberdada. Blixa meldt dat hij met Wieland boel heeft, maar niet met John, met Anna én met Hannah heeft gespeeld, nog geschaakt heeft met Lenin en samen met de oertekst zelf in bad heeft gezeten; dat laatste spaart water. Er wordt in de break op rare fluitjes geblazen en iemand zet een dadaïstische muts op. In mijn herinnering probeerden tijdens het AB-concert van 2010 een paar mensen in het publiek zich als schaar, als vis met snor en als kat met vliegeniersbril te verkleden, maar ze werden opgeslokt in een collage van krantenkoppen.
 

 
Tijd, ruimte, boek, oorlog, brieven, dak, kanaal, ambassade, ze zijn allemaal ‘wieder offen’ in de titeltrack.

In ‘Unvolständichkeit’ is de reiziger Bargeld zijn koffer kwijt. Hij vraagt zich af: ‘Ben ik nog compleet genoeg?’, en checkt of hij bril, pen, notitieboekje, tickets, geld, paspoort en sleutel op zak heeft, waarna de omgeving helemaal verneubaut. ’t Is trouwens hier, vanaf de zesde minuut, dat metalen staafjes ook op de plaat in rijtjes van drie naar beneden vallen.

‘Ich hatte ein Wort’ is omzeggens kleinkunst, en het woord is achtereenvolgens zelf getimmerd als een gleuf, rond als een appelsien en vreemd en zeer ‘wederstrevig’. Bargeld vindt het woord na lang zoeken terug, maar wij zullen het nooit kennen: ‘Ich gebs nimmermehr preis’.

‘Susej’ is jesus achterstevoren, dus wordt ook Haleluja hier Ajulelah.

‘Von Wegen’ begint onder water, de break is de herhaling van Wegen, Wegen, Wegen, Wegen, …, waarna de zware metaalnijverheid opnieuw op halve toeren draait. Er wordt met een oude song (‘Halber Mensch’) begonnen en met een oude beginselverklaring afgesloten: ‘Sehnsucht ist die einzige Energie’.
 

 
In ‘Ich warte’ wacht Bargeld op van alles: op zwarte gaten en op schoteltjes die door de nazi’s in de Andes zijn verstopt. Hij schreeuwt nog eens zijn hoge Blechtrommelschreeuw; vandaag nog steeds een zéér indrukwekkende fluitketel. Mooiste wachtkamerzin: ‘Ich warte durch die ganze Zeitung bis es Zeit ist für die Welt’.

In 1985 fluisterde Bargeld: ‘Alle Idolen mussen sterben’. Sommige idolen sterven gewoon onnoemelijk veel trager dan andere.
 

Het volledige Chinese volk

8 november 2014. Het kader: een loods van De Lijn in Diksmuide. Het grotere kader: de herdenking van de Groote Oorlog. De Duitse eregasten: Einstürzende Neubauten, die – sedert F.M. Einheit weg is – serieus zijn versoft en versynthesizerd. Ook in Diksmuide doen de Neubauten het vooral vrij rustig tot zeer ingetogen, maar het openende ‘Kriegsmaschinerie’ is de uitzondering op de te overtreden regel. Lawaai, jongens! En herrie! En daarna nog meer lawaai en nog meer herrie! Blixa Bargeld zingt niet. Hij zegt niks. Hij houdt pancartes omhoog. Heel veel pancartes. Daarop staat:

‘WAR DOES NOT BREAK OUT
AND IT IS NEVER CAUGHT OR CHAINED.
IT MOVES.
IF SOMETHING IN ITS ENVIRONMENT CHANGES,
ONLY A LITTLE AT FIRST,
WATCHING BACK AND FORTH
ON THE GROUND IT TRAMPLES,
THEN IT TURNS ITS HEAD,
LETTING ITS CERVICAL COLUMN CRACK,
BUILDING ITSELF UP SLOWLY,
IN MOVEMENTS BELIEVED FORGOTTEN,
STRAIGHTENING UP,
GRADUALLY GROWING,
BUT EVER MORE CERTAINLY,
IT REGAINS ITS OLD STRENGTH FROM DEBILITATING DISAPPOINTMENTS,
SHREDDED HOPES,
FALSE BLAME,
AND FATALISM,
FROM LONG-CIRCULATING LIES IN THE NAME OF RELIGION,
NURSED BY POWERLESSNESS AND POVERTY,
IT REASSEMBLES ITSELF FROM THE COLLECTED REMAINS
OF HISTORICAL GARBAGE WORN OUT,
ROTTEN DEBRIS,
WHICH MUST BE WASHED WITH BLOOD,
SO THAT IT MIGHT SEEM USEFUL AGAIN.
IT LIFTS ITSELF UP SLOWLY,
AND IF ITS JOINTS ARE RUSTY
AND OUT OF PRACTICE,
IT STRECTCHES AND GROWS
TO LEGENDARY, HEROIC, OVERSIZED PROPORTIONS,
UNTIL IT STANDS FROM FORMIDABLE, DANGLING CHAINS.

WAR DOES NOT BREAK OUT.
IT WAITS
FOR A SINGULAR AND THOUSANDFOLD ‘HURRAAAAH!’

N.U. Unruh bespeelt niet veel later een ‘prikkeldraadharp’ terwijl het gedicht ‘In de loopgraaf’ van de (door de Neubauten verzonnen) oorlogsdichter Paul Van den Broeck in het Nederlands wordt voorgedragen: ‘Hoe kan ik dansen? / Hoe kan ik dansen in 4/4? / In mijn veel te smal graf’.
 

 
Er volgt nóg meer vierkwartsmaat: ‘Der 1. Weltkrieg’ is 3/5 van de groep aan de 4/4-percussie. Er wordt op PVC-buizen gehamerd (één buis voor elk land dat aan de oorlog heeft deelgenomen, en naar verhouding zo kort of lang als de periode waarin het land meedeed). Aantal beats per minute: 120 (de pygmeeënritmes houden een klein kwartier aan, dus wordt er tegen de snelheid van één beat per oorlogsdag gedrumd). Ondertussen introduceert Blixa Bargeld de namen van de landen die mee betrokken worden in de waanzin, en wordt dán pas de buis van dat land bespeeld. Bargelds laatste zin: ‘The first world war ends with the end of the next bar’. Vier tellen later zit de song er inderdaad op. Overzichtelijke statistiek, én zeer knap gedaan.

Maar wacht eens, ik heb de cassette vanuit 2014 teruggespoeld naar 1914-1918, dus moet ik fastforward naar 1985 en naar nummer 40.

 
image
 
Einstürzende Neubauten
Halber Mensch
1985

 

Tijd voor een overzicht van een paar zinnen uit de song ‘Halber Mensch’, dat door een vreemdsoortig a capella wordt voortgedreven. ‘Halber Mensch / Geh weiter / in jede Richtung / Wir haben Wahrheiten für dich / aufgestellt’. ‘Halve mens, in al uw scheuren zitten onze zenders. Om het uur zenden wij voor u waarheden uit. Ga verder. Wij zorgen voor u. Wij nemen voor u waar.’

Is gewoon een mash-up van twee verhalen van Plato.

1. De allegorie van de grot. De waarneming van de in één kijkrichting vastgebonden mensen is die van de schaduwen van de voorwerpen bij het licht van het vuur, maar niet die van het vuur en evenmin die van de voorwerpen zelf (en zeker niet die van de mensen die voorwerpen bij het vuur omhooghouden). Achter het vuur ligt naar het schijnt nog een wereld, zei onlangs iemand. We hebben die mens eens goed uitgelachen.
 
image
 
2. De mens had ooit 4 benen en 4 armen, en zoekt sindsdien naar z’n andere helft. Toegegeven: het niemandsland tussen het Platoverhaal en de versie van Blixa Bargeld is een serieuze lap grond. De leerling van Socrates is eigenlijk veel gortiger dan Blixa: mensen waren ooit rond, laat de filosoof iemand vertellen. Ze hadden 8 ledematen, 2 gezichten en 2 schaamdelen. Toen hakte een god hen doormidden. Elke helft verlangde vanaf dan terug naar de andere helft. Ze omhelsden elkaar tevergeefs, en stierven. Een andere god verplaatste uit medelijden de schaamdelen naar voren zodat mensen hun zaad ten minste in elkaar konden uitstorten en niet op de grond.
 
image
 

 

In ‘Seele brennt’ slingert Blixa Bargeld als een jonge withandgibbon van fluistertoon naar hoge oerschreeuw: er knalt een zweep, een gitaar valt meedogenloos in en er zit een raar, hoog lachje na de zin ‘Alle Idolen mussen sterben’.
 

 

‘Yü-Gung (Fütter mein Ego)’ dendert door op een aan Front 242 verwante beat – ergens krijgt iemand ook een auto niet gestart – en daarboven wordt aan de bergen verzettende, manische kant geijld dat men 6, 9 en 12 meter groot is (één keer waant men zich zelfs het volledige Chinese volk). De deprirealiteit slaat terug met ‘Waar hebben we het heel de tijd over?’ en ‘Dim je idealen’.

Op de hoes van de maxisingle, tussen de verschillende soorten scheermesjes, staat geschreven: ‘Im Vertrauen auf die eigene Kraft kann Yü-Gung Berge versetzen’. Jimi Hendrix leerde ons ooit naast een berg staan en die met één hand omhakken. Logisch dat de Neubauten ons al die bergen propertjes en economisch leren stapelen in het magazijn. Opgeruimd staat netjes!
 

 

In ‘Der Tod ist ein Dandy’ waan je je echt op een bouwwerf. In je linkeroor wordt gelast, gehamerd en geslijpschijfd. Aan de rechterkant beuken heipalen neer. ‘This was made to end all parties, bye, bye…’, besluit Bargeld.
 

 

Natuurlijk is ook het uit Duitse Lieder en gedichten overgezwommen woord ‘Sehnsucht’ erbij: ‘Meine Sehnsucht / Meine Sucht / Sehnsucht / Ist die einzige Energie’ wordt niet boven een uit een obscuur droomland afgereisde Robert Schumannpiano gezongen, maar neemt het op tegen gerammel van metaalplaten: gewoon een andere vorm waarbinnen ook verlangd wordt naar dat grote, ontzaglijke thuis dat nérgens te vinden is. Rammsteinn heeft ook een song die ‘Sehnsucht’ heet. Wat daarin allemaal gebeurt? ‘Sehnsucht versteckt / sich wie ein Insekt / im Schlafe merkst du nicht / dass es dich sticht’.
 

 

Nick Cave vond dat Blixa Bargelds stem het midden hield tussen een gewurgde kat en een stervende baby, maar in mijn E.N.-wereld hoor ik de groep gewoon afbreken en tegendrummen om plaats te maken. Ik moet bij de hoge schreeuw van Bargeld steevast aan Oskar uit ‘De blikken trommel’ denken: de Neubauten meppen erop los zoals het hoofdpersonage uit Günther Grass’ roman, Bargeld zelf zingt zoals de altijd klein gebleven trommelaar soms glas aan scherven. Een droge inslag en dan glasgekletter is wat ook in een bombardement gebeurt, las ik ooit in een De Standaard der Letteren-analyse van ‘Die Blechtrommel’, en ik dacht: ‘Klopt.’ En wat klopt voor Oskar, klopt ook voor De Bende Van Blixa.
 
image
 
Maar we waren bij Caves kijk op Blixa’s stem gebleven: stervend zoogdier, vindt hij. Zelfs in afsluiter ‘Letztest Biest am Himmel’ leeft geen sterbend Tier, zoals ik vroeger verkeerd verstond, maar wel das letzte schöne Sternentier: het laatste sterrenbeeld dat moet wijken voor de zon die opkomt. Men moet voor de Neubauten dus niet banger zijn dan nodig.
 

 

De Neubauten zijn gewoon het eeuwige verlangen uitgebeeld met de afwisselend fluisterende en schreeuwende stem van een demon die wel eens in onze analoge machines slaapt. In computers sluimeren ook liederen, maar daar komen andere artiesten mee naar buiten.

‘Halber Mensch’ van Einstürzende Neubauten is een steengoeie oude film, die vroeger veel te laat op Canvas of Arte werd getoond. Met de intrede van digitale tv is alles in onze knusse grotten natuurlijk veel makkelijker geworden.