De nepzonnen

 
image
 
Franz Schubert
Winterreise
1827

 

Franz Schubert schrijft meer dan 600 liederen. 44 daarvan zitten verdeeld over twee liederencycli op tekst van de – net als hij – jong gestorven Wilhelm Müller. ‘Die schöne Müllerin’ staat op 57, ‘Winterreise’ op 9.

In beide cycli is de held een tragische figuur die niet meteen overloopt van pragmatisme, en een tocht maakt richting de plek van waar niemand ooit is teruggekeerd, maar in Winterreise is het al van bij Lied 1 gedaan met fris, monter en in de juiste Joy Divisionjas verder huppelen langs beek en boom, met de maan als betrouwbare gezel, ondertussen een zwarte vogel groetend, daarna uitrustend in een hut.
 
image
 
Neenee, het is horrorwinter. Komt daarbij: onze held is van bij het prille begin ‘als vreemde binnengekomen’. Hij weet zelfs dat hij ‘als vreemde zal buitengaan’. Hij is afgewezen en hij beseft het. De moeder van de bruid was zelfs even over een huwelijk begonnen. Hij had beter moeten weten. Hij had op de wind moeten letten die met de windvaan op het dak van het huis van zijn geliefde speelde, zoals het toeval met onze harten.

Het zou kunnen dat de moeder ja heeft gezegd, en de vader later zijn veto stelt: hij huwelijkt tenslotte een ‘rijke bruid’ uit. Een andere mogelijkheid: de jonge man is niet alleen omdat hij arm is afgewezen, de potentiële schoonmoeder heeft eerst ja gezegd, maar daarna ingezien dat alleen het onbereikbare en het onwereldse hem interesseert. Ze heeft gehoord dat hij vindt dat verdriet het verstand slijpt en de inborst verhardt. Ze weet met andere woorden dat hij zot is.

Wie de zotte held van Winterreise zoal is? Tekstschrijver Wilhelm Müller creëert een man zonder naam, wiens overpeinzingen over de dood steeds meer resoneren met het winterlandschap waarin hij ronddoolt. In die gedachten duiken soms rare logicakronkels op, ja zelfs belachelijke situaties en regelrechte waanzin.

Müller vat zijn verteller als mensenschuw, hooghartig en ontgoocheld in de liefde. Soms verkeert hij gewoon in een geprikkelde stemming, meestal is hij – zoals we vandaag zouden zeggen – manisch of depressief. Mocht een sponsor naar het verleden kunnen geflitst worden, A.S. Adventure zou geen absurde keuze zijn: de man neemt de hele tijd deel aan door hemzelf georganiseerde extreme outdooractiviteiten. Maar: doet hij eigenlijk zijn beklag over vereenzaming en vergletsjering of wil hij gewoon nooit meer iemand zien? Is hij bang voor de dood of verlangt hij er vooral naar? Voorlopig verdict: ‘Winterreise’ is een bizarre vertelling.
 

 

Vergelijken met popmuziek, ik doe het aldoor bij klassieke muziek. Maar als in Lied 3 tranen uit een gloeiend hart opwellen – als willen ze alle winterijs doen smelten – wordt het moeilijk Del Shannons ‘I’m a-walking in the rain / tears are falling and I feel the pain’ erbij te sleuren. Als de ijsman-in-wording tevergeefs afleiding zoekt, als het blíjft spoken in zijn hoofd, als elk moment donkerder wordt dan al wat voorafging, klinkt dat schrijnend, maar heel anders schrijnend dan pakweg ‘The day the world world went away’ van Nine Inch Nails. Pop- en rockvergelijkingen passen even goed bij Winterreise als caipirinha en voetbalhooliganisme.
 

 

Men kan van het pad afdwalen, the road less traveled by kiezen, maar op de dool zijn in een land van ijs, sneeuw en straffe wind is dat beetje verder van huis.

Wat vaststaat: na een lied of drie kan onze held nergens een spoor van lente en liefde vinden. Alleen een in zijn hart ingevroren beeld van de geliefde blijft over, en als zijn hart ooit smelt, bedenkt hij, zal haar beeld mee smelten. Een lindeboom ruist hem toe, maar hij trekt voort in nacht en vrieswind. Een droom waart over een barre nacht: in de lente smelt de sneeuw samen met zijn tranen, die gloeien tot waar de beek bij het huis van de geliefde komt. Bij het wakker schrikken blijkt de beek natuurlijk bevroren.

Volgen: een dwaallicht en een terugblik die niks opleveren. Pas als hij in een kolenbrandershut rust vindt merkt hij hoe moe hij is. Een tweede lentedroom over bonte bloemen wordt door een haan in de koude realiteit gekraaid. In die echte wereld vraagt hij zich af of de ijsbloemen op de ramen ooit zullen bloeien; ik vermoed bij hoge koorts.

Daarna trekt de wandelaar met vaste pas verder, door niemand begroet. Laat de natuurellende maar komen, denkt hij, verlangend naar een storm die hem zijn echte ellende doet vergeten.

Heel even springt zijn hart op als hij de posthoorn hoort, maar als er geen brief van zijn lief bij zit, kan de postbode opdonderen, zoals in dat lied van Raymond van het Groenewoud – een popmuziekvergelijking die ik er alsnog in wil. Gewoon om even het huis te luchten, want deze liederen klinken soms als seriemoordenaarsmuziek.

De jonge man mijmert ondertussen over zijn grijze haren, vertrouwt alleen de kraai nog als metgezel (‘Krähe, Krähe, wunderliches Tier’), een laatste blad valt af in de wind, honden verjagen hem uit het dorp, de ochtend moet en zal grauw en koud zijn en ontgoochelt niet, hij negeert alle wegwijzers behalve die ene die staat op de weg zonder terugweg, en hij zoekt een onderkomen op het kerkhof en in de herberg des doods.

Als hij zich nog heel even een god in ’t diepst van zijn gedachten voelt, wordt dat onmiddellijk afgedaan als een manisch moment. Hij veracht de waargenomen bijzonnen aan de hemel – heel knap gedaan trouwens, om dit optisch fenomeen (dat zich voordoet als de witte winterzon door de wolken priemt en op de ijskristallen gereflecteerd wordt), in de finale te laten opdoemen, mogelijk als een dwaze utopie. De man verlangt in het toneeldecor van dat helle licht alvast naar de duisternis, hoort een arme draailierspeler die op het ijs staat en wiens geldschaaltje altijd leeg blijft, en vraagt ‘em: ‘Wunderlicher Alter / Soll ich mit dir geh’n? / Willst zu meinen Liedern / Deine Leier dreh’n?’ Doek!
 

 

In de pianobegeleiding klinken bevriezende tranen ondertussen echt als bevriezende tranen. Hondengeblaf aan het begin van ‘Im Dorfe’ en het gedraaf van postkoetspaarden in ‘Die Post’ geven ook present. ‘Frühlingstraum’ is lieflijk in de droom en zwaar op de hand als de realiteit aanklopt.

Als de man in het verbluffend goeie ‘Erstarrung’ in de sneeuw op de plek waar hij ooit met zijn geliefde wandelde vergeefs zoekt naar een spoor van haar, de bodem wil kussen en door ijs en sneeuw wil dringen, is die wanhoop en waanzin in de begeleiding te horen. Als hij in gepeins is verzonken of het doodsverlangen overneemt, wordt de zangpartij veel spaarzamer opgevangen. Als het hem brandt onder beide zolen, staan ook de toetsen in brand in ‘Rückblick’. Als het hem in ‘Irrlicht’ niet meer kan schelen of hij doodgaat of niet, zit de piano al in de sfeer van de afsluiter, en dus in het spoor van de vriesdood: met een beetje verbeelding hoor je daar zelfs de starre vingers van de draaiorgelman.

’t Is eigenlijk al een lied eerder afgelopen als die nepzonnen opduiken en het licht zachtjes in de piano verdwijnt: de steeds meer van z’n eigen lichaam in het winterlandschap overvloeiende man wil zich aan dat wegdeemsterende licht zelfs niet meer warmen: ‘Im Dunkeln wird mir wohler sein’.

Trouwens, al maar goed dat hij sterft, want in de twee liederen dáárvoor is er geen bed vrij in de herberg van de dood (de piano speelt een dodenmarsje met een hatelijk lichte boventoets) en neemt de wandelaar zijn stok opnieuw ter hand in ‘Mut!’, een song die vrolijk en monter de wereld in marcheert, alsof er een romantische liedcyclus gaat beginnen. Dé vraag luidt hier of de kunstenaars alleen hun personage de zotskap op zetten, of ook zichzelf.

Franz Schubert creëert qua vorm een indrukwekkende downward spiral voor piano en stem. Ik kan u voorstellen aan tenor Ian Bostridge, maar wie – zoals ik gaandeweg – verkiest naar Dietrich Fischer-Dieskau te luisteren, hoort liever een bariton en neemt genoegen met af en toe een trager tempo.

Stand van zaken volgens het verstand: piano, zang, tekst, vorm en inhoud liggen prachtig in mekaars verlengde. Tussenstand volgens het hart: Geniaal!
 

 

Als Schubert zijn winterreis voor vrienden speelt, reageren die met ongeloof. Sommigen keren zich in angst af. De vader maakt in december 1828 een doodsbericht: ‘Des namiddags te 3 ure ontsliep tot een beter leven mijn innigst beminde zoon Franz Schubert, toonkunstenaar en componist, na een korte ziekte en het ontvangen van de heilige sacramenten der stervenden, in het 32e jaar van zijn leven.’ Iemand schrijft: ‘Van welke rijke, onontgonnen schatten heeft zijn dood ons beroofd?’ Inderdaad.
 

 

Iemand klopt aan en zegt: vergeet wat u weet. De man heet professor Hufschmidt. Hij zegt: Gemiddelde levensverwachting in die tijd in de Weense voorstad Himmelpfortgrund waar Schubert opgroeide: 30. Bij de componist thuis: 14 kinderen, die in één kamer leefden. Aantal kinderen dat in leven bleef: 4. Schubert een naïef, dromerig kunstenaar? Niks van. Hij is een zelfstandig, onafhankelijk scheppend componist, op een bepaalde manier zowat de eerste in zijn vak. Hij verdient een beetje geld met uitgaven van zijn werk. Wat hij niet had: de mogelijkheid om zijn werken in het openbaar uit te voeren. Aan de kerk kon hij zijn producten onmogelijk slijten, progressieve burgerij was er in Wenen toen amper. We zitten midden in het zeer conservatieve restauratiebeleid van Metternich. Overal censuur, overal – echt waar – cultuurcontroleurs. Schubert kent de censuur die zijn tekstleverancier Müller al heeft meegemaakt, is aan een razzia ontsnapt die in zijn kennissenkring heeft plaatsgevonden, mag van de censoren een opera niet laten uitvoeren. De Schubertiades – zelfgeorganiseerde avonden voor gelijkgestemden – zijn bescheiden weerstandsactiviteiten. De winter in Winterreise zou een metafoor zijn voor het reactionaire beleid. Als in ‘Hoffnung’ hier en daar nog een blad aan de boom hangt, zijn dat schaarse oppositiestemmen. Onzin? Wie is hier op de vlucht en waarom? Dit is een onvrijwillig soort reizen. Er wordt op het graf van de hoop geweend, de held trekt altijd verder en verder, verlaat bijvoorbeeld de valse rust van het kerkhof. In het 47 fantastische seconden durende ‘Der stürmische Morgen’ ziet de Wandelaar in de rode ochtendhemel zijn eigen lot geschilderd: ‘Niets anders dan de winter / De winter, koud en wild!’.
 

 

Ik weet natuurlijk niet of die professor Hufschmidt gelijk heeft. Ik ben geneigd hem minder van de pot gerukt te vinden dan iemand die ervan overtuigd is dat de WTC-torens door de CIA of de Mossad zijn neergehaald. Ik kan bijvoorbeeld op eigen kracht horen dat de Wanderer vanaf ‘Der stürmische Morgen’ alleen is, maar wat ik niet gehoord had, terwijl 1000 cimbalen het lieten rinkelen, is de laatste vraag in het laatste Lied: ‘Wil je mijn liederen op jouw draailier spelen?’ betekent ‘Wil je op mijn tekst jouw muziek maken?’, en is een vraag van Müller aan iemand als Schubert, twee mensen die mekaar overigens nooit hebben ontmoet.

‘Deze muziek klinkt niet slechts alsof’, zegt Hufschmidt. ‘Zij is de muziek van een draailier. Schubert heeft alles moeten afleren, en muziek van en voor de armen gemaakt. Schubert is zelf de arme lierdraaier geworden.’ En nu hoor ik het verhaal anders: de vreemdeling, het bord met verboden toegang, de opgedroogde tranen, het verdringen der slechte herinneringen, de omgekeerde wereld, de slaapdorpen, de politieke ingeslapenheid, het noodlot, de terugval, het ondanks alles Im Rhythmus Bleiben, het doorgaan tot we aan het gaatje zijn. Saillant detail: tekstschrijver Müller, dé grote inspiratie voor Heinrich Heine, die ook de politieke toer op zal gaan, wordt – dat heb ik overal kunnen vaststellen – tot vandaag als middelmatig dichter geportretteerd. Kan natuurlijk evengoed zijn: een politiek onwelgevallige kunstenaar die als middelmatig wordt weggezet. Trouwens, een versie van de fenomenale Leiermann-afsluiter voor draailier en bariton met een streektaaltongval, da werkt wel.
 

 

De Winterreisebewerkingen. ‘Der Leiermann’ hoor ik op Youtube door een gitarist brengen, door een deathmetalgroep en door een Depeche Mode-achtige, ja zelfs door Blixa Bargeld, haar keurig gekamd en rechtstaand naast de piano.

In de Franz Liszttranscripties van de hele ‘Winterreise’ hoor ik veel te veel moeite doen, voor de Hans Zenderbewerking voor elektronicabovenbouw is de term ‘interessant’ uitgevonden, voor de Herman Van Veenversie het beleefde excuus ‘Niet aan mij besteed’.

Met de door Jan Rot geopperde idee dat de held uit de beste liederencyclus aller tijden een bomberjack zou moeten dragen in plaats van de lange overjas die ‘de wandelaar boven de nevelen’ in dat schilderij van Caspar David Friedrich aan heeft, ben ik het alleen in theorie eens. Wat Ian Bostridge en pianist Julius Drake vandaag doen is vanzelf modern, anders, helderder, van deze tijd. Het is het gezwinde tenortoontje dat soms luchtig is, Bostridges houding boven de piano (de man ziet er een beetje uit als een kraanvogel), de zoveel betere opnamen van vandaag die de details in de gevarieerde pianostemmingen anders uitlichten dan op platen van vroeger.

Kijk, als ik een hiphopper met zijn eenzaamheid en doodsdrift wil horen worstelen, zal ik ‘em in de afdeling hiphop proberen op te snorren. Is dat afgesproken?

Besluit. Via een fictief personage dat niet gewoon doodgaat, maar traag en spoorloos verdwijnt nadat er niks meer is dat hem hier houdt, is mijn hoofd in der Tiefe gegaan. Daarna zegt iemand me: ‘Verman je, Stupid! Het is gewoon politiek-maatschappelijke kritiek.’ Volgens die professor denken we veel te veel dat muziek uit de hemel komt gevallen, terwijl iemand haar ooit ergens heeft gemaakt, en de vragen ‘Wie?’, ‘Voor wie?’ en ‘Waarom?’ bijna nooit gesteld worden.

Ik heb mijn gedachten heel anders over dit kunstwerk weten gaan na die politieke interpretatie. Tegelijk wint in mijn hoofd de gedachte dat het louter strijd is tussen doodsangst en doodsverlangen, zij het nipt en na verlengingen.

Eén ding is echt zeker: het diepzeeduikrecord van Honderd staat op naam van Winterreise.
 

 

 

Dream baby dream

 
image
 
Bruce Springsteen
Nebraska
1982

 

Nebraska betekent ‘vlak water’. Ñí Brásge was de naam die de Otoe-indianen gaven aan de rivier die nu Platte River heet. De Duitsers en Tsjechen die in de 2e helft van de 19e eeuw de streek binnenreden maakten er Nebraska van.
 
image
 
Bruce Springsteens ‘Nebraska’ is een plaat van 1982. Het is in de tijdslijn exact de middenstip tussen ‘The river’ (1980, goud) en ‘Born in the U.S.A.’ (1984, multi-triple-platinum, alleen Michael Jackson bleef populairder).

‘Nebraska’ is een door Springsteen op z’n eentje (en thuis bij een kop koffie) opgenomen viersporendemo die ei zo na op cassette moest worden uitgebracht. Reden? De op te laag volume opgenomen songs moesten bij het masteren ruisonderdrukkend worden opgelapt met een middeltje veel straffer dan Dolby, want er pakte aanvankelijk niet veel op vinyl. Wat aan die Rauschunterdrückung voorafging: Springsteen had de songs ook met zijn E Street Band opgenomen, maar de viersporenopnamen bleken de desolate sfeer veel helderder te vatten.

Berichtje uit 2012 dat zomaar ergens ’s middags opduikt op alle krantensites: ‘Kort na het afwerken van ‘Nebraska’ moest er een psychotherapeut aan te pas komen om de destijds met een depressie kampende Bruce Springsteen van zijn (serieuze) zelfmoordneigingen af te helpen. Dat is te lezen in de nieuwste editie van het tijdschrift The New Yorker. Oorzaken van zijn problemen waren een onverwerkte traumatische ervaring in zijn jeugd en het feit dat hij middenin een overgang zat van ‘nobody’ naar wereldster. Dankzij therapie leerde Springsteen beter omgaan met zijn roem.’

Is niks van gelogen. Wat wel een beetje wringt aan zo’n typisch we-lichten-een-quote-uit-een-stuk-en-we-hebben-zelf-een-online-stuk: dat van die depressie en die therapeut staat op bladzijde 15 van de prints die hier voor me liggen. De zeer gelaagde en uiterst genuanceerde reportage van Pulitzerprijswinnaar David Remnick is langer dan een magazine dat in het weekend uit de krant valt.

Na wat begrijpend lezen beginnen in deze minibiografie een paar rode draden en patronen op te vallen.

1. Wie wordt er gemist in de E Street Band? De doden zijn een saxofonist en een toetsenist die 30 jaar met de groep hebben getoerd. Springsteen: ‘There are absences that are hanging there. That’s what we’re about right now, the communication between the living and the gone. Those currents even run through the dream world of pop music’.

2. Het bizarre, maar indrukwekkende heen-en-weer van Springsteen: van songs over economische recessie naar fuifbeesten die de good times laten rollen… van roze cadillacs en een hek rond zijn ranch naar Woodie Guthrie’s ‘This land is your land’ (met de eigendom-is-diefstal-strofe erbij)… van centrum-linkser engagement naar vijfsterrenhotels… van een speech op het podium naar de show die moet verdergaan… van die drie uur durende show naar leeftijdbeperkingen die beginnen op te duiken… van een vuist in de lucht voor Mexicanen die op gevaar voor eigen leven de VS binnensluipen naar een nieuwe Titiaan of Delacroix in de privécollectie van zijn manager… en ook van de zwarte hond genaamd depressie die de artiest meezeult naar de transformatiedeur die naar het podium leidt: op dié plek wordt hij pure, onversneden hoop en louter positieve uitstraling. Springsteen zelf: ‘It’s half a joke. I go onstage and – snap – ‘Are you ready to be transformed? What? At a rock show? By a guy with a guitar? Part of it is a goof, and part of it is: ‘Let’s do it, let’s see if we can’.

3. Bruce Springsteens vader. Oké, rock is een verhaal van vaders en zonen. Gitarist Steven Van Zandt relativeert het verhaal van Springsteen: ‘Alle vaders waren in die tijd angstaanjagend’ en ‘Die mannen kwamen uit de oorlog, en hadden de suburbs gebouwd, en wat deden wij? Ons verkleden als meisjes.’ Maar Springsteens bijna altijd zwijgende, na een rotdag op het werk in een donkere keuken sixpacks hijsende depressieve vader heeft serieuze sporen nagelaten: ‘It’s the subject of my life. It’s the thing that eats me and always will. My life took a very different course, but my life is an anomaly’.

Pre-Nebraskasongs als ‘Adam raised a Cain’ en ‘Independence day’ gaan al over de vader. Iedereen die Springsteens lange jaren 80-speeches heeft gehoord, weet dat de paar positieve woorden die zijn vader tot hem richtte dé essentiële krop-in-de-keelmomenten zijn. Voorbeeld? De liveversie van ‘The river’. Springsteen heeft jongens uit New Jersey niet weten terugkomen uit Vietnam, wordt een paar jaar later zelf afgekeurd voor legerdienst en verwacht van zijn vader een donderpreek. Maar die komt er niet.

Mooiste live-intro: die op een concert in 1990 van de Nebraska-song ‘My father’s house’, dat verhaalt over nachtelijke (droom)ritten naar het ouderlijke, inmiddels verlaten huis. De therapeut vertelt hem dat er iets heel slechts is gebeurd, dat hij ernaar teruggaat, en dat hij denkt dat hij iets kan oplossen door ernaar terug te gaan. ‘And I sat there’, zegt Springsteen tot de menigte, ‘and I said: ‘That IS what I’m doing’. And he said: ‘Well, you CAN’T.’
 

 
De song ‘Born in the U.S.A.’ dateert ook van deze demoperiode, maar werd opzij gelegd voor later, met de ons allen bekende gevolgen. Nadat een invloedrijk conservatief journalist verslag deed van een Springsteenoptreden en compleet naast de geëngageerde teksten luisterde en de artiest reduceerde tot het patriottische ‘Born in the U.S.A.’-refrein – Yankee Doodle Springsteen was de titel van het verslag – kwam de vreselijke Ronald Reagan een week later voor de dag met zíjn rechtse recuperatiepoging: ‘America’s toekomst ligt besloten in de boodschap van hoop in songs geschreven door New Jersey’s onovertroffen Bruce Springsteen.’ De artiest was razend, begon opnieuw de ‘Nebraska’-demo te spelen die de tekst beter uitlichtte, en kondigde vanop het podium ook de song ‘Johnny 99’ aan, over een man die ontslagen wordt, dronken is en iemand neerschiet; hij wordt veroordeeld tot 99 jaar gevangenschap en vraagt om gewoon ter dood gebracht te worden. Stuk tekst waarin Johnny iets zegt in de rechtbank: ‘Now judge I got debts no honest man could pay / The bank was holdin’ my mortgage and they was takin’ my house away / Now I ain’t sayin’ that makes me an innocent man / But it was more ’n all this that put that gun in my hand’. Springsteen vanop een podium: ‘Ik hoorde dat de president mijn naam vermeldde, en ik vroeg me af welke plaat van mij hij het liefst hoort. Het zal wel niet ‘Nebraska’ zijn.’
 

 
De donkerte van ‘Nebraska’ dus. De New Jersey Turnpike wordt genomen, maar ’t is een zaak van ridin’ on a wet night, met een revolver in het handschoenenkastje, zonder rijbewijs en met talk radio die de man aan het stuur elk moment gek gaat maken. De zin ‘Debts no honest man could pay’ komt twee keer voor. Eén keer heeft een jonge man de bedoeling om z’n liefje op te pikken en de horizon tegemoet te rijden, maar hij zingt: ‘Last night I met this guy and I’m gonna do a little favor for him’; in Atlantic City, dus een klus in het zwart, en wie weet nog veel erger.
 

 
Eén keer pikt iemand zijn liefje écht op, en in zin 2 sterven meteen ten innocent people. De ikfiguur is Charles Starkweather. Die pikt in 1958 Caril Am Fugate op. Ze vluchten. Er vallen 10 doden. Starkweather toont later geen berouw. Terrence Malicks prachtige film ‘Badlands’ gaat over dit alles behalve komische duo. Springsteens vertelling is nóg huiveringwekkender.
 

 
Hét horrormoment op deze op twee uitzonderingen na – ‘Used cars’ en ‘Open all night’ – zeer koude en onverschillige vertelling is het door het eveneens alles behalve komische duo Suicide beïnvloede ‘State trooper’. Suicide was Martin Rev en Alan Vega. Ze choqueerden zelfs downtown New York met een melange van reverb, ijskoude synthesizers, hautaine playback, fuck you-zonnebrillen, fifties rock’n’roll en industriële noise. Hun meest genadeloze song is ‘Frankie Teardrop’: een man verliest z’n job, en brengt vrouw en in de wieg liggende baby om. Na veel ontregeling en veel geschreeuw stottert Vega: ‘We’re all Frankies / We’re all lying in hell’. Fuck! Echt waar, wat een song! ‘Mister state trooper, please don’t stop me’, zingt Springsteen, die uitgerekend de sfeer van dié Suicidesong unplugt: ‘Maybe you got a kid maybe you got a pretty wife / the only thing that I got’s been botherin’ me my whole life’. De hoofdpersoon bedoelt: laat me met rust, trooper, of ik knal je kop eraf. De Whoa!, de Oe-hoe! en het schelle Hoo! zijn de drie indrukwekkendste momenten van ‘Nebraska’.
 

 

 
Springsteen laat Suicide ook later in z’n carrière niet met rust: hij zal hun ‘Dream baby dream’ coveren, hij herneemt en herneemt de Dream baby dream-mantra, en weeft gaandeweg hoop en verlossing in, stijl ‘I just wanna see you smile’. Een zeer mooie gospel. Geschreven vanuit ervaring met depressie? ‘Waarschijnlijk’ is een kwisantwoord het opgooien waard.
 

 

 
‘Nebraska’ is een krachttoer. En lef buiten categorie. Armoede, ellende, misdaad, een moordenaar die zegt: ‘I guess there’s just a meanness in this world’, ze worden nergens overwonnen of gerelativeerd door streetwise gedrag, een kwinkslag of geloof in beterschap, nochtans dé handelsmerken van Springsteen voor én na ‘Nebraska’.

Correctie: er gloort een héél klein beetje hoop in afsluiter ‘Reason to believe’. Een man staat in de kerk te wachten op zijn bruid, maar ze komt niet opdagen. Hij staart in de rivier, verwonderd dat alles stroomt: ‘He’s wonderin’ where can his baby be / Still at the end of every hard earned day people find some reason to believe’.

Men noemt Springsteen The Boss. Iedereen die een van zijn grote misvieringen heeft bijgewoond weet waarom. Ik heb gewoon geprobeerd te vertellen dat hier en daar iemand meeluistert vanuit ‘Nebraska’.
 

 

 

Terwijl de hele wereld verbrokkelt

 
image
 
 
image
 
Bob Dylan
Time out of mind
1997

 
 

Vandaag komt ‘Time out of mind’ binnenwandelen als een deel waarin we het geheel kunnen zien. Bij het mixen van de plaat begint Bob Dylan tegen al wie het wil horen lang en in detail te vertellen over vroeger, en dat zal ‘em bij zijn boek ‘Kronieken’ brengen, een autobiografie in stukken.

In de dodehoekspiegel zien we vandaag zelfs dat de man onmiddellijk na het finetunen van de plaat ernstig ziek wordt, voor de hemelpoort staat, erop klopt en geweigerd wordt. Wakker worden doet hij in een decor van Grammys, Plaat-Van-Het-Jaarrecensies en een come backinterview in Newsweek (met de grootlettercover ‘Dylan lives’).
 
image
 
In de jaren na ‘Time out of mind’, weten we ondertussen ook, heeft de man geen enkele stinker meer gemaakt; daar bestaat zelfs een zekere consensus over. Er volgde ook geen enkel meesterwerk meer; dat zullen sommigen betwisten. De 21e-eeuwer Dylan is naar mijn aanvoelen gewoon heel goed, en constant heel goed.

‘Time out of mind’ is net dat beetje meer. Er is vanaf seconde 3 iets aan de hand. Het gerommel komt in twijfelend mineur, wordt op de voet gevolgd door een vol gruis zittend repetitief orgel en door de schuurpapieren zin ‘I’m walking / through streets that are dead’.

De cd komt als een soort contrathema uit het binnenste van een artiest die de duistere diamant heeft gekregen, die ervoor kiest om veel harde waarheid te verdragen, die de handleiding heeft verruild voor de intuïtie, die schijt heeft aan tijdsgeest, vrolijkheid, hipheid, etiquette, optimisme (en omdat het 1997 is, aan Hanson, Puff Daddy en ‘Candle in the wind’), en die in de opener ‘Love sick’ niet een specifieke geliefde lijkt te vervloeken, maar gewoon de liefde zelf. Eén probleem in verband met die liefde: Dylan zit in the thick of it.

Ik herinner me de eerste luisterbeurt – eigenlijk: het eerste pak slaag – maar al te goed. Daar stond ik met mijn Soul Coughing- en Chemical Brothersplaatjes en met mijn paspoort vol stempels. Ik kon hooguit een paar schuttingwoorden prevelen – ‘damn’ en ‘fuck’ als ik het me goed herinner – alvorens eventjes te verstenen. Vandaag klinkt de Dylan van 1997 minder hard – ik zal ouder geworden zijn.
 

 
Mocht Bob Dylan in interviews zo benaderbaar zijn geweest als een gemiddelde talkshowgast – en begrijp me goed: een geluk dat dat niét zo is – dan had iemand met een voornaam Jay of Oprah hem in 1997 kunnen vragen: ‘Sla je op deze plaat niet op de een of andere manier een heel nieuwe richting in?’ En dan had de man, met een voor talkshows verplichte ironie en zelfspot, kunnen zeggen: ‘Mijn vorige platen hadden geen richting, ze wisten gewoon niet waarheen’.

Want wat hadden we sinds het in deze lijst op 111 belande ‘Oh mercy’ uit 1989 gekregen? Anderhalve doenbare song op ‘Under the red sky’, en geen enkele op ‘Good as I been to you’, ‘World gone wrong’ en ‘MTV unplugged’. Dáárvoor? Acht platen waarop de kunstenaar bijna nergens uit zichzelf brak.

Dus nog eens herhalen wat hier en daar een Dylanliefhebber zal betwisten: er was de hele jaren 80 niks, er was plots die goeie, door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Oh mercy’ heet, er was opnieuw lange tijd niks, en toen was er een uit-ste-ken-de, opnieuw door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Time out of mind’ heet.

Is er een verschil tussen beide? Lanois’ U2-Neville Brothers-Peter Gabriel-Acadie-bedelvingswerken zijn op ‘Time out of mind’ iets minder aanwezig. De plaat is minder broeierig. Minder vochtig. Minder bombastisch. Minder New Orleans. Er zijn minder krekels. Minder momenten waarop het te warm is om te slapen. Dat laatste is wellicht onzin, want de studio stond in Miami, en dat is niet het hoge noorden.

Er soleert nergens een sax, er wordt geen lap steel naar voren gemixt. In ‘Trying to get to heaven’ komt zelfs Dylans enige mondharmonicamoment er niet schel bovenuit. Egaal producen is meestal geen goed idee. Hier wel. Hier is het allemaal machtig egaal geproducet.

image

Bij het maken van ‘Oh mercy’ was Dylan met lege handen naar Daniel Lanois gegaan. Bij het maken van deze plaat niet. Eerst zijn er de Teatrostudio’s in Californië, waar Dylan met Mark Howard een liveopname mixt en de mogelijkheden van distortion op de mondharmonica ontdekt. Daarna vraagt hij ook zijn stem te vervormen. Onderweg naar de studio hoort hij oude bluesman Little Walter op de radio, en vraagt of hij dát geluid kan krijgen. Dat kan geregeld worden.

Dylan wil ook weten hoe Beck aan zijn sound komt, en er wordt hem verteld dat Beck laat drummen boven een onderbouw van loops. Tony Mangurian, een hiphopdrummer, wordt ingevlogen. De Lanoisploeg begint te werken, Dylan kruipt aan de piano, speelt eerst songs zonder tekst, en zingt dan plots ‘Can’t wait’, bijgestaan door Mangurian die zonder loops drumt. Iedereen blij, ook omdat in het knusse, omgebouwde theatertje het geluid perfect is.

Waarna Dylan meldt dat hij ver van zijn familie wil werken, in de nogal kille Criteriastudio’s in Miami. En dat hij nóg een hoop muzikanten gaat laten overvliegen.

In de studio staat 14 man. De prijs van de kleinste ecologische voetafdruk heeft deze plaat nooit gekregen. Het procédé: Dylan speelt een song nooit twee keer op dezelfde manier: hij begint telkens in een andere toonaard. Opdracht 1: wie niet kan volgen, speelt beter niks dan fouten te maken, want veel takes zitten er niet in. Opdracht 2: geen gesoleer. Olé!

De muzikanten die Dylan meebrengt zijn Jim Keltner, Jim Dickinson, Candy Cashdollar, Augie Meyers en Duke Robillard. Meyers is mijn favoriet: naar zijn Sir Douglas Quintet kan ik drie songs lang luisteren. Van Jim Keltner begrijp ik wat hij bij Ry Cooder doet. Jim Dickinson heeft ooit een plaat van Alex Chilton geproducet die ik goed vind. Daar houdt het ongeveer op.

Maar meer hoeft ook niet. Kijk, het kan nog veel extremer. Als begin 2014 ‘Lost in the dream’ van The War On Drugs aanklopt, moet ik die cd in theorie verschrikkelijk vinden, want ‘I’m on fire’ van Bruce Springsteen is een invloed, de sfeer van Bruce Hornby’s ‘The way it is’ zit in de mix, ik hoor echo’s van Rod Stewart ter hoogte van ‘Young hearts / be free tonight’, van Chris Rea, Tom Petty en Jeff Lynn, ja zelfs van ‘Wishing’ van A Flock Of Seagulls, en iemand hoort er de Dylan van de eighties in, maar té zot moet het niet worden. Punt is: bij zowat al die muziek moet ik dekking zoeken. Tegelijk heeft het geweldige ‘Lost in the dream’ een paar weken opgestaan. Elke dure theorie erover liegt. Het gebeurt gewoon.

De songs van ‘Time out of mind’ dan. Doorheen ‘Standing in the doorway’ waart de geest van ‘Can’t help falling in love’ van Elvis Presley. ‘Million miles’ lijkt alleen een triestige plant, want groeit en groeit, en zelfs de metalige microfoon swingt. ‘Til I fell in love with you’ heeft een bluesgitaar zo sexy als de pieee van Cypress Hill, en er danst ook een geweldige piano mee.

In ‘Not dark yet’ is de licht pathetische Lanoishandtekening van ‘Oh mercy’ het meest aanwezig, maar het zich immer herhalend orgel van Augie Meyers – zowat overal dé tweede man – wint van al het vol effecten zittende gelapsteel, en de tekst doet de rest: ‘I was born here and I’ll die here against my will / I know it looks like I’m movin’ but I’m standin’ still / Every nerve in my body is so naked and numb / I can’t even remember what it was I came here to get away from’.
 

 
‘Can’t wait’ kijkt van aan de andere kant van de poort naar de (bijna opgegeven) liefde, murmelt een zin die het Leitmotiv van de hele plaat kon zijn (‘That’s how it is / When things disintegrate’), en raar maar waar, vindt ook terwijl die hele wereld verbrokkelt een wonderlijk ritme.

’t Is wel tijdens songs als deze dat ik heb gedacht: dit moet de oudste stem van heel Honderd zijn, maar in werkelijkheid zijn de nestors hier Michael Gira van Swans ter hoogte van ‘The seer’ en de Arvo Pärt van ‘Lamentate’.

De soulman in mij verliest een paar levens omdat ik ‘Make you feel my love’ eerst in de versie van Adele moest horen voor ik het een uitstekende popsong vond, maar wint een leven terug als het mij niet meer kan schelen dat ik stukken tekst van ‘Cold irons bound’ ben vergeten, sta te dansen op deze halfgeconstipeerde hipshake vol bas, orgeltje, reverb, goeie opbouw en fantastisch ritme.
 

 
En dan zijn er de sombere teksten die van de plaat een waarschuwingsbord maken, één met daarop: ‘Niet langs hier’. Een gestrand schip dat een gevaarlijke plaats in het vaarwater aangeeft mag dus ook. Slechts een paar voorbeelden: ‘I’ve been down on the bottom of the world full of lies / I ain’t lookin’ for nothin’ in anyone’s eyes’. ‘Some things last longer than you think they will / There are some kind of things you can never kill’. ‘When you think that you’ve lost everything / You find out you can always lose a little more’. Ik kan de voorbeelden naar goeddunken vermenigvuldigen.

Troost en comedy zijn ver weg, maar daar is gelukkig het 16 minuten durende ‘Highlands’. Augie Meyers zet een Show van Bosmans Jos-pruik op. Dylan is de enige klant in een restaurant in Boston en vraagt aan de serveerster wat hij wil. Waarschijnlijk hardgekookte eieren, zegt ze, en daar begint de absurde conversatie pas.

Als Dylan het restaurant verlaat, wordt het echt weemoedig. Na een zin als ‘Some things in life it just gets too late to learn / Well, I’m lost somewhere, I must have made a few bad turns’ wil je het waarom, het hoe en het door wie niet meer weten: het is gewoon ergens misgelopen, zoals bij iedereen. Het is gewoon herkenbaar.

Wie die sfeer vasthoudt wordt in de somberte beloond met een heel goeie grap: ‘I’m crossing the street to get away from a mangy dog / Talkin’ to myself in a monologue / I think what I need might be a full length leather coat / Somebody just asked me if I’ve registered to vote’.

In de slotzin over de Highlands zit een beetje hoop en veel berusting: ‘There’s a way to get there / and I’ll figure it out somehow / I’m already there in my mind / and that’s good enough for now’ sluit perfect af.

1997 is trouwens een woelig Dylanjaar. In ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, een boek van het jaar 1971, fulmineerde Hunter S. Thompson ooit tegen goeroes: ‘One of the crucial moments of the Sixties came on that day when the Beatles cast their lot with the Maharishi. It was like Dylan going to the Vatican to kiss the Pope’s ring.’ Wel, op 27 september 1997 treedt Bob Dylan op voor paus Johannes Paulus II, en voor veel volk. De zanger opent met ‘Knockin’ on heaven’s door’. De paus zit erbij alsof hij over de zanger de avond zelf nog een beschouwende prozatekst moet maken.

Ik heb Dylan gezien in 2001, in Vorst Nationaal. Het was mijn vierde keer. Hij zong ‘If dogs run free / then why not we?’ Omdat het zeer goed was, durfde ik daarna niet meer te gaan. Of wilde ik niet meer gaan. Of was er te veel ándere muziek. Bovendien: of Bob Dylan al dan niet de ring van de paus heeft gekust, who cares!

Beste moderne pelgrimslied van na ‘Time out of mind’: dat met ‘Ain’t talkin’ / just walkin’ / hand me down my walkin’ cane’. Gaat ondermeer over last hebben van tandpijn in de hiel.