Het godenkwartet

image

John Coltrane
A love supreme
1965

‘A love supreme’ zet het adjectief op de verkeerde plaats en is een dankgebed aan God dat John Coltrane ruim twee jaar voor zijn dood maakt met drummer Elvin Jones, bassist Jimmy Garrison en pianist McCoy Tyner, klinkende namen die op de radio kunnen worden gefluisterd alsof er een nachtelijke biljartwedstrijd aan de gang is.

Dat godenkwartet is op haar hoogtepunt en neemt alles in vier uur tijd op. We zijn 9 december 1964. Locatie: de Van Gelder Studio. Englewood Cliffs. Bergen County. New Jersey. Men moet niet ver lopen voor een zicht op de machtige Hudsonrivier.

’t Is eind 64 al een paar jaar geleden dat Coltrane een poos uit de groep van Miles Davis is gezet, genoeg heeft van de drugs die tot dat tijdelijke ontslag hebben geleid, en zich vrijwillig van god afhankelijk maakt en daardoor zijn geheel eigen vrijheid en onafhankelijkheid vindt. In theorie ben ik in die mate ongelovig dat ik dat van die vrijheid-binnen-geloof onzin vind, maar ik zit in dit muzikale gebed al zonder tegenargument na amper 15 seconden – tijdspanne waarin Coltrane gewoon warm blaast boven een gong (?), een cimbaal (?) en een spaarzame piano, om daarna een minuut te zwijgen terwijl zijn groep een fenomenale groove legt.

De vier basiskampnoten in de bas – die in de nineties gesampled werden in Pattersons ‘Freedom now’ dat een Mo’Waxverzamelaar opende – worden boventoeterd in een wereld die je moeilijk nog een resem variaties kan noemen; een aarzelend openingsgebed is het ondertussen ook niet meer.

Na twee minuten zitten we in een tros noten en akkoorden waarvan Miles Davis beweert dat Coltrane ze aan hem te danken heeft: ‘I gave him all these little things, like – play this for me, Trane. And it’d sound like blablablablublurp…. If you play without stopping, you sound like Coltrane.’ Het is waar dat Coltrane dikwijls speelt zonder te stoppen. Maar als blablablablublurp klinkt het alles behalve.

Na vier minuten toetert hij nogal doordringend hoopjes schrille noise en inwendig onbehagen op het tapijt. Hij vindt onmiddellijk de kalmte terug en blaast de vier dragende beginnoten 36 (!) keer in alle mogelijke soorten, maten en gewichten. Daarna zegt hij de woorden a-love-su-preme gewoon op, hij mompelt ze een keer, reciteert ze iets harder, smeekt ze af. Deel 1 van deze bizarre meditatie loopt uit in de bas. ‘Acknowledgement’ zit erop. De wereld heeft al een paar keer op z’n kop gestaan. We zijn een kleine acht minuten ver.

Van de stomender middendelen ‘Resolution’ en ‘Pursuance’ kon ik vroeger niet geloven dat de groep er in één avond van vier uur en een paar takes (en een verwaarloosbare overdub) mee klaar was. Mijn favorieten kwamen toen uit een vroegere periode en andere bezettingen: het warmbloedige ‘Blue train’ en het nog betere ‘Giant steps’, waarin ‘Naima’ het welgekomen rustpunt is.

Vandaag zijn de andere platen met dit kwartet favorieten geworden: ‘After the rain’, ‘India’ en ‘My favorite things’ (waarvan de langste versie altijd de beste is) zitten al in de Indiase sfeer die Coltrane verkende en die in ‘A love supreme’ subtieler aanwezig is: Elvin Jones krijgt hier bijvoorbeeld de opdracht met vier Shiva-armen minder te drummen.

Het op en neer van de liveplaat ‘Afro blue impressions’ en vooral de daarop overal precies uitgekiende solospotjes voor bassist, pianist én drummer (die eigenlijk de kooltjes gewoon heet maken om ze op het juiste moment aan Coltrane door te geven) maken het verhaal van de korte opnametijd aanneembaarder. Tel daarbij dat het kwartet waanzinnig veel optrad en dat afsluiter ‘The drum thing’ van de ‘Crescent’-plaat van een paar maanden eerder zelfs exact eindigt waar ‘A love supreme’ begint, in de vier basnoten die ‘Acknowledgement’ overeind houden. Deze groep is met andere woorden perfect voorbereid om zich eens goed te laten gaan.

1964 is het jaar van ‘Hello Dolly’ van Louis Armstrong, soundtrackmuziek vol nostalgie naar de dansvloerjaren van de jazz. Het is het jaar van Albert Aylers ‘Spiritual unity’, ook een klasbak vol saxgetoeter, maar droger en hoekiger: de sfeer is een beetje die van een fanfare. ‘A love supreme’ is bij momenten Aylerextreem, maar tegelijk rijst overal een helderheid en een naturel op die verklaren waarom het een hit is kunnen worden. Aan het eind van ‘Pursuance’ blaast Coltrane meer ingewanden uit dan John Zorn bij Painkiller, maar daarna brengt de bassist echte rust over een plaat die eigenlijk bijna overal op relatief kalme manier aanwezig is. Het is een komen en gaan van inspanning en beloning, crisis en loutering, voornemen en volharding, indrukwekkend gesoleer en een nog indrukwekkender som der delen.

Het slotdeel ‘Psalm’ is – echt waar – als neergeschreven gebed te volgen, lettergreep per lettergreep: de woorden Thank you god zijn als vaak terugkerende triool herkenbaar, elation, elegance en exaltation klinken het indrukwekkendst op tenorsax boven de keteltrommen van Jones. Met dit ‘Psalm’ erbij is ‘A love supreme’ alle jazz bij mekaar: muziek die uit de geopende deuren komt gestroomd van het kerkje dat nog moet gebouwd worden.
image

Odes? Guru van Gang Starr (en van de Jazzmatazzplaten) rapte zich in ‘A jazz thing’ – with a little help from Branford Marsalis – doorheen de geschiedenis van een zeer belangrijk muziekgenre, dat ook kreeg af te rekenen met bikkelharde kritiek, stijl ‘Nice!’, ‘Grrrreat!’ en ‘It isn’t dead. It just smells funny’. Guru wijdt in ‘A jazz thing’ een halve strofe aan ‘John Coltrane, a man supreme / he was the cream / he was the wise one / the impression of Afro Blue / and of the promise / that was not kept / he was a giant step’.

De mooiste ode aan ‘A love supreme’ zelf is van Morgan Freeman, die al een carrière lang probeert te kijken als de karakterkop op de hoes.
image

Mini-aha-erlebnis: een festivalconcert van het Coltrane Quartet op Youtube in de zomer van 1965, moment waarop het niet lang meer zal duren voor Coltrane de groep ontbindt en iets anders gaat doen. Coltrane speelt hier sopraansax, een instrument dat ‘s mans versie van ‘My favorite things’ ook op plaat een beetje luchtiger doet klinken dan wat hij doorgaans uit een tenor tovert.

De intensiteit is onwaarschijnlijk. Het publiek is in vrij grote drommen komen opdagen. De eindgeneriek vertelt dat het een opname van de RTBF is. De plek blijkt Comblain-La-Tour, ergens in het Land van Luik.

Wikipedia zegt: ‘Wereldberoemd vanwege een open air jazz festival dat er gehouden werd tussen 1959 en 1966. Befaamde artiesten die er optraden: Cannonball Adderley, Chet Baker, Ray Charles, John Coltrane en Nina Simone. Het wordt de moeder aller Europese festivals genoemd en vormde ook hét voorbeeld voor het Vlaamse Jazz Bilzen.’

Ik heb, vertrekkend vanuit de vraag ‘Hoe komt het dat ik daar niks van weet?’, een kort gesprek met mijn Vlaamse navel.

Onderstaande foto is uit 1964. De mensen stonden blijkbaar op Ray Charles te wachten.

image

Lees verder

Met de wratten erbij

 

image
 
Wu-Tang Clan
Wu-Tang forever
1997

 

Welkom in de Top 20!

Eerst een paar recente hiphopfragmenten, die gemaakt lijken om te liken en leuk te vinden. ‘Wieder zien stuntmann / en we stuntn lik dat alleene ne stuntman stuntn kan’. Ook Afrikaans bekt goed: ‘Ek’s original, jy’s gecopy / Ek’s ’n flashdrive, jy’s ’n floppy’. De halve gare Tyler The Creator doet alsof hij een kakkerlak opeet en rapt: ‘I’m a fuckin’ walking paradox / No I’m not’. Leuk, dus.

Rewind naar 1997. Ik herinner me dat ik via Wu-Tang Clans 2e plaat de vijf districten van de 8,5 miljoen mensen tellende stad New York op volgorde van aantal inwoners heb leren leggen: Queens, Manhattan, The Bronx, Brooklyn en babybroertje Staten Island, dat op amper een half miljoen inwoners afklokt, en dus slechts zo groot is als hiêl Antwaerpe. Het hoofdkantoor van Wu-Tang Incorparated lag in die dagen in Staten Island. Vijf van de negen rappers zijn van daar: dat was tot Ol’ Dirty Bastard in 2004 stierf een meerderheid, maar geen 2/3-meerderheid. Denk over Ol’ Dirty wat u wil – ergens op deze plaat noemt hij een bitch die hem een druiper heeft gegeven bij naam – maar hij zou de kakkerlak van Tyler écht doormidden hebben gebeten.
image

De Clan geeft alles en iedereen één of meer bijnamen. Staten Island wordt The slums of Shaolin! Brooklyn heet Medina. Een stuk tekst uit ‘Sunshower’, een monoloog van RZA die als bonustrack aanspoelt, legt aan de hand van een metroplannetje uit hoe de heren Staten Island zien, en waarom ze vinden dat de rest van New York veroverd moet worden: ‘Subway trains run through the city / like blood through the veins / to the heart of Medina / but Shaolin is the brain’.

Shaolin: kan ook gewoon een martialartsfilm zijn, een klooster en een kungfustijl. Wu-platen zitten vól bizarre, soms macabere, soms grappige actiefilmfragmenten. Voorbeeld van een ‘gevaarlijke’ sample: ‘I despise your killing, and raping. You’re despicable. It’s just you should be punished. I’m going to chop off your arm, so are you ready?’ Heel knáppe sample: het zwaardgekletter en de kreten van de duellerende samoerai die heel ‘Hellz wind staff’ dragen.
 

 
Hiphop was in de periode voor Wu-Tang (de Chuck Berry- en Beatlesjaren van het genre) al breakdance, graffiti, beats, samples, scratching en opschepperij in allerlei varianten. Mag ik Public Enemy de Stones vinden? Dank, want ‘Wu-Tang forever’ zou ik de Led Zeppelin III én IV van het genre willen noemen.

De samplekeuze en het gewroet en gewriemel in beats en ruis en onder- en bovenlagen gingen bij de Clan ergens anders naartoe, als u het mij vraagt naar a deeper shade of soul. De teksten gingen ook ‘Stairway to heaven’-ver.

Heel mooi donkerblauw samplevoorbeeld: in het ‘Hellz wind staff’ van hierboven wordt het eerste woord van de eerste zin van ‘Signed D.C.’ van Love (‘Sometimes I get so lonely’) uiteindelijk gesampled, maar het duurt even, want eerst horen we een paar keer alleen ‘s’ en ‘some’ voorbijkomen, daarná pas ‘sometimes’. Geen dragende sample, wel een voortreffelijke. Een detail ook dat je alleen kan thuisbrengen als iemand je erop wijst.

Geldt ook voor King Floyds ‘Don’t leave me lonely’ waaruit Oh baby, for heaven’s sake heliumhoog gepitcht wordt, en voor Skeeter Davis’ wondermooie ‘The end of the world’, waaruit alleen de woorden ‘shining’ en ‘shore’ getrokken worden in ‘Cash still rules’; allebei kíller vocal samples.
 

 
De beginnoot van Beethovens Pathétique-sonate vult heel ‘Impossible’. De stukken song van The O’Jays in ‘The Projects’ en van Gladys Knight & the Pips in ‘Heaterz’ zijn ultrakort, maar: they really tie the songs together. ‘Little ghetto boy’ van Donny Hathaway springt er nadrukkelijker uit.

‘Maria’ is vuile praat over grote zwarte lullen en watermeloenen konten (die slechts hier en daar opduikt, maar dan wel in volle glorie) boven een geweldige drum uit een Lee Dorseysong en een melancholisch opgerekt gitaargeluid van Blood, Sweat & Tears. ‘The city’ is een gelijkaardige botsing van extremen: een ambulancesirene en chaotische raps, daarboven een Stevie Wondersample en de meest trieste violen van deze ruim twee uur durende reis.
 
image
Deze dubbel-cd is amper 10 minuten korter dan ‘Sandinista’ van The Clash, en was dat geen driedubbele? Zowat iedereen is het erover eens dat ‘Sandinista’ te veel niemendalletjes bevat. ‘So?’, was Joe Strummers antwoord: ‘Ik wil ‘em helemaal horen. Warts and all, zoals men zegt.’ De uitdrukking ‘Met de wratten erbij’ verwijst naar 17e-eeuwer Oliver Cromwell, die een portretschilder opdroeg niks te verfraaien en de minder aantrekkelijke delen, Cromwells wratten dus, erop te laten. Op ‘Wu-Tang forever’ staan hooguit zes van die wratten, en ik wil ze er ook niet af.

image

Wu-Tang forever! Mijn mening in 1997 in heel weinig woorden: ‘Zo goed had niet gemoeten’. Mijn mening vandaag: ook zoveel.

De Antwerpenaar Tourist Lemc schreef een korte ode: ‘Oepgegroeid de generase 84 / gin gsm gin mp3 / ’t ware walkman tijden / pillen oep muziek / deur ’t geruis de Wu-Tang forever van buite geliêrd / liêre rappe van de groêtmiesters’. Zelf ken ik ‘em niet helemaal uit het hoofd, maar in het fenomenale eerste halfuur van cd 1 haal ik een belachelijke 60 %. Ook in ‘A better tomorrow’, ‘Triumph’, ‘Impossible’ en ‘Little ghetto boys’ laat ik alleen af en toe een steek vallen, soms ontdek ik net daardoor nieuwe favoriete rhymes. Voor de goede orde: mijn tong is geen hiphopzwaard.

image

‘This is MCing right here / this is hip-hop’, gaat de intro van kant 2 tekeer tegen R&B-sterretjes. Maar hoe gaat het met die lyrics? Uitstekend. Eén voorbeeld uit de 1000: de Ghostface Killahstrofe van ‘Impossible’, over iemands broer die wordt getroffen door een kogel, over de paniek, de geleende mobiele telefoon waarvan de batterij leeg is, de gedachte dat hij moet blijven leven voor zijn dochter die in januari drie wordt, de mensen die zich over het slachtoffer heen buigen terwijl de man al amper lucht heeft, de ambulance die te lang wegblijft, herinneringen aan baseballwedstrijden, aan een chocoladedrankje (Yoohoo), aan een favoriet jeansmerk (Lee), aan de flik die erbij staat te grijnzen, de moeder (Old Earth) die op blote voeten in nachtjapon naar buiten komt gelopen met de handen op de borsten, het bloed op ’s mans Wallaby-schoenen dat er als ketchup uitziet, bloed dat uit zijn mond komt gelopen, de stank van stront die uit het lijk komt, … ‘and finally this closed chapter, comes to an end / He was announced, pronounced dead, y’all, at twelve ten’. Daarna de aankondiging: ‘This is only a story… from the real’.

Een lyric-video was eleganter illustratiemateriaal geweest, maar die staat in die mate vol fouten dat ik het anders moet doen.

‘Call an ambulance, Jamie been shot, word to Kemit
Don’t go Son, nigga you my motherfuckin heart
Stay still Son, don’t move, just think about Keeba
She’ll be three in January, your young God needs you
The ambulance is taking too long
Everybody get the fuck back, excuse me bitch, gimme your jack
One, seven one eight, nine one one, low battery, damn
Blood comin out his mouth, he bleedin badly
Nahhh Jamie, don’t start that shit
Keep your head up, if you escape hell we gettin fucked up
When we was eight, we went to Bat Day to see the Yanks
In Sixty-Nine, his father and mines, they robbed banks
He pointed to the charm on his neck
With his last bit of energy left, told me rock it with respect
I opened it, seen the God holdin his kids
Photogenic, tears just burst out my wig
Plus he dropped one, oh shit, here come his Old Earth
With no shoes on, screamin holdin her breasts with a gown on
She fell and then lightly touched his jaw, kissed him
Rubbed his hair, turned around the ambulance was there
Plus the blue coats, Officer Lough, took it as a joke
Weeks ago he strip-searched the God and gave him back his coke
Bitches yellin, Beenie Man swung on Helen
In the back of a cop car, dirty tarts are tellin
But suddenly a chill came through it was weird
Felt like my man, was cast out my heaven now we share
Laid on the stretcher, blood on his Wally’s like ketchup
Deep like the full assassination with a sketch of it
It can’t be, from Yohoo to Lee’s
Second grade humped the teachers, about to leave
Finally this closed chapter, comes to an end
He was announced, pronounced dead, y’all, at twelve ten’

Ghostface begint eraan vanaf 2’40”:
 

 
De Wu-Tang Clanners zijn op deze plaat volbloed Five Percenters slash Systeembouwers. In de intro van de plaat leidt dat tot niet willen aannemen dat Charles Darwins evolutietheorie steek houdt. Op z’n mooist wordt die hele spirituele 5 percenterszoektocht van naaldje tot draadje verteld in de korte RZA-autobiografie ‘Sunshower’, waarin de man zijn pseudowetenschappelijke kijk op het universum tentoonstelt (maar tegelijk niet hoog oploopt met mensen die in dierenriemen of talismannen geloven) en daarna alle scholen en rapcrews uit zijn leven op een rijtje zet. We leren van RZA ook bij over de periode waarin de Clan nog met drie was: ‘While others played ball, I recall / me and GZA, Dirty hangin in halls, bangin on walls / Kickin rhymes three hours straight with no pause’. RZA pleurt er ook een beschouwing tussen over kerels die in de gevangenis gewichten heffen, de islam bestuderen en spirituele hoogten bereiken, maar die als ze vrijkomen snel merken: ‘Back on the block nobody’s havin’ it’. Iemand heeft ooit gezegd dat de grote denkkleppers van de hiphop alleen beluisterd worden door mensen met veel tijd: studenten en gevangenen. ‘Wu-Tang forever’ moet hét tekstboekvoorbeeld zijn. Dit ‘Sunshower’ is naar mijn gevoel een van de beste hiphoptracks ooit:
 

 
Artistiek brein RZA is vandaag niet meer zo militant is als vroeger. Wat hij wel is gebleven: a man with an eye on the dollar. Hij heeft zijn visie in het boekje ‘The Tao of Wu’ neergeschreven (dat bijna zo goed is als ‘The Tao of Winnie the Pooh’). Hij is acteur en filmmaker, en is er altijd en overal bij: als er ergens gerapt wordt bij James Blake en Kendrick Lamar of scheidsrechter wordt gespeeld in een clip van Vampire Weekend. Ik zie ‘em bij Conan O’Brien perfect talkshowfähig uitleggen waarom hij ooit RulerZigZagAllah heette en daarna pleiten voor schaken op school; daar hoort uiteraard een schaak-app bij met zijn naam erop, want cash rules everything around us. In een christelijke talkshow hoor ik ‘em zijn kernboodschap kort uitleggen: ‘In de projects wilden we alles tegelijk. We wilden een videospeler stelen, of high worden, we dachten niet aan de drie jaar gevangenis die konden volgen. Of we zaten voor we er erg in hadden met tienerzwangerschappen. Van schaken leer je geduld oefenen, omdat je een paar zetten moet vooruit denken voor je handelt, en op die manier leer je je beheersen en doe je minder domme dingen.’

Dat is de RZA van nu. Die van 1997 had nog geen tijd voor een korte boodschap, dus maakte hij met zijn crew een heel lange plaat, vanuit New York, waar die mannen in hun genre ‘king of the hill, head of the list, cream of the crop’ waren en – wat mij betreft – nog steeds zijn, al moet ik het sedert 1997 bij elke Wu-uitgave doen met 3 à 4 goeie songs per plaat. Mijn gedacht.

I’m outta here. Going up the country.

 

 

 

Een grote, bruinrode traan boven het orkest

 
image
 
Arvo Pärt
Lamentate
2002

 

Over de Estse / Estische / Estlandse toondichter Arvo Pärt is de documentaire ’24 preludes for a fugue’ gemaakt: naast mekaar gerangschikte fragmenten die proberen verschillende aspecten van de kunstenaar te capteren.

Als Pärt ergens in zijn huis gaat zitten, hangt altijd en overal een orthodoxe icoon aan de muur. De man gelooft niet in numerologie, talismannen en ruimtereizen. Hij gelooft gewoon in god. That ol’ time religion is good enough for him.

Hij bidt en brandt kaarsjes. Als hij tomaten zit te eten zegt hij dat hij als kind tomaten met suiker at.

Zijn vroegste herinnering is die aan een hoek in het huis waar hij opgroeide: ‘Een kleine rode hoek, met rood behangpapier. Er kwam een straal licht uit. Het was zondag voor mij. Ik moest altijd aan zondag denken. Ik weet niet wat het betekent.’

We zien de man ook voorovergebogen boven zijn piano zitten (één keer gaat hij er zelfs met zijn hoofd op liggen) om bij het repeteren alles beter te kunnen horen.

Als kind speelde Arvo Pärt op een goedkope piano waarvan niet alle toetsen geluid maakten, dus zong hij er de ontbrekende noten bij. Of hij veranderde de hamertjes van de buitenkant naar het midden.

De piano stemmen deed hij ook zelf, maar hij had geen stemsleutel, dus gebruikte hij een tang; op de duur kreeg hij geen grip meer op de moeren.

Studeren op die piano werd steeds moeilijker en voor de jonge, eigenlijk al componerende pianist steeds oninteressanter. Hij fantaseerde er zelf dingen bij, en die dingen namen de boel over.

Pärt vertelt over een droevige dag uit zijn jeugd: ‘Mijn moeder verstond niet wat voor soort muziek ik op school leerde. Ze dacht dat ik gewoon mijn lessen oefende. Op een dag kwam ze mijn pianoleraar op straat tegen. ‘Arvo doet het niet goed’, zei hij. ‘Hij oefent amper.’ Waarop mijn moeder: ‘Wat bedoel je? Hij doet niks anders. Hij speelt de hele dag.’ Mijn leugen kwam uit. Ik werd ontmaskerd.’

image

In de ‘Lamentate’-uitvoering die in 2005 op het ECM-label werd uitgebracht zijn heel wat muzikanten van het SWR Stuttgart Symphony Orchestra lange, traag wegtikkende minuten werkloos. Alexei Lubimov speelt wél veel piano.

‘Lamentate’ klinkt soms groots aan de extraverte kant als het hoge Mahleriaanse kathedralen betreedt, maar creëert meestal bescheidener ruimte en geringer overzicht. Alles blijft – ook als de muziek losbarst – rustig en sereen.

Een hoorn, een trompet en pauken (waarop meestal zacht geroffeld wordt) zijn belangrijke personages, maar de piano heeft de hoofdrol: volgens Pärt is het de ik-figuur. Misschien valt die een beetje samen met de man zelf, die zijn dode lichaam zag toen hij overdonderd werd door Anish Kapoors ‘Marsyas’: drie gigantische van staaldraad en PVC gemaakte hoorns die een jaar lang verschillende ruimten van de Tate Gallery innamen. Van het een kwam het ander, van ‘Marsyas’ kwam ‘Lamentate’. De première vond plaats in het museum in 2003, een van de hoorns hing als een grote, bruinrode traan boven het orkest.
 
image
 
De piano draagt het stuk nergens, speelt ook geen centrale rol, is zeker geen er boven uit torenende held in dialoog of in gevecht met het orkest. Het instrument probeert samen met de andere instrumenten deemoedig puin te ruimen. Een haast onhoorbare wind waait ondertussen de hele tijd waarheen hij wil. De treiterig ingehouden, ogenschijnlijk onjuist geplaatste climax en de momenten waarop onder het orkest de bodem uit de muziek wegvalt verwarren alleen wat, maar zitten nergens echt ongemakkelijk.

Herkenbare Pärthandtekeningetjes zitten in de zeldzame strijkersclusters en in de into the wild verdwaalde maar geen mens missende piano, die slechts een paar keer aan de bekende tintinnabulistijl herinnert – omdat het Pärt op die momenten toevallig te binnen schiet dat hij als geen ander een druppende kraan kan imiteren. Ook dit reflectieve gedeelte houdt het vrij luchtig.

‘Lamentate’ is een wide open road van een compositie. Op hoeveel plekken heeft de componist hier ook niet zitten schrappen, zeg. Hoe? Door eerst met zwart potlood heelder partijen onherkenbaar te maken en er dan uitgeknipte blanco notenbalkjes over te plakken. En door daarna te zeggen: ‘Dat is beter’.

Een ander devies moet zijn geweest: ‘De toonspraak moet niet té atonaal worden’. Uitstekend, want in theorie ben ik te vinden voor de kunstenaar die eeuwen traditie wil inruilen voor een vreemd en afgelegen geluid, maar in de praktijk is mijn tolerantiemarge dikwijls kleiner. Niet hier.

Als het kind Arvo Pärt niet aan de piano zat, luisterde het naar Radio Tallinn. ’s Avonds mocht dat thuis niet van ma en pa, en dan trok Arvootje naar een plein met een paal met luidsprekers, wellicht van Sovjetmakelij. Hij cirkelde de hele avond met zijn fiets rond de muziek, ‘omdat ik dacht dat het raar zou overkomen als ik daar gewoon wat ging staan’. Hij wist toen al dat hij componist wilde worden, maar niet één zoals die op de radio.

Het uit die kinderdroom tot wasdom gekomen ‘Lamentate’ lijkt als geheel inderdaad volstrekt nergens op. Het werd in de pers met gemengde gevoelens ontvangen. ‘Disappointing in its looseness and lack of ideas, and at 37 frustrating minutes, it is a lamentable waste of time’ is het oordeel van iemand op allmusic.com. Al wie positief reageerde, deed dat óók vanuit het hart. En zo hoort het.