Stadsruïnes

 
image

 
image
 
Joy Division
Closer
1980

 

Joy Divisiontussendoortjes en -achterafjes als ‘Atmosphere’, ‘Autosuggestion’, ‘Dead souls’ en ‘Love will tear us apart’, het zijn allemaal uitstekende songs uw aandacht waard. Zelfs de prille Joy Division is interessant: ‘Novelty’ zit nog vol Sex Pistols (de groep werd aan de toog na het eerste Pistolsconcert in Manchester opgericht), ‘Something must break’ wijst al vooruit naar een Bauhausplaat van niet veel later.

Maar, maar en nog eens maar: zoals er drie Jimi Hendrixplaten zijn en de rest op z’n best wordt bijeengesprokkeld om iets onder de kerstboom te leggen, zo zijn er twee Joy Divisionplaten. Ze heten ‘Unknown pleasures’ en ‘Closer’. Ze staan alle twee in Honderd. ‘Unknown pleasures’ staat op 18, ‘Closer’ op 4.

De songs van ‘Closer’ komen recht uit Schemerland. Ze knippen als kattenogen aan op het moment dat ook de lichtjes in de huisjes worden aangestoken. Ze blazen soms warm en koud. Ze hebben na een tijd op de fiets nog last van bevroren handen en voeten terwijl de rest van het lichaam al aan het zweten is.

Daar is een technische verklaring voor. Sommige danserige synthgeluiden, de drums die een veelheid van ritmes in geduwd worden, de bas die zeker niet minder dan op het debuut ‘Unknown pleasures’ vooraan wil staan en de soms heel afwezige en dan weer harder uithalende gitaar, ze komen meestal veel minder uit de verte en uit de donkerte dan de baritonstem van Ian Curtis, een man die op ‘Closer’ een indrukwekkend curriculum van ontgoochelingen heeft opgebouwd.

Soms schuren die werelden over elkaar als verschuivende aardlagen. In de twee afsluiters vloeien Curtis en groep samen, maar dan aan de Curtiskant van ongevoeligheid voor het laatste beetje optimisme. Curtis horen zingen is je afvragen: ‘Hoeveel Danteske hellekringen heeft die man achter de rug?’ En dat terwijl hij geeneens ‘op het midden van zijn levensweg was aangeland’, zoals Dante Alighieri toen hij aan zijn Inferno begon. Curtis bevond zich wel ‘in een zeer donker woud’ en was ook in zekere zin ‘van het rechte pad afgeweken’.

’t Is in ’s mans teksten niet echt een kwestie van de wagen des doods door de stad weten rijden en het gebeente horen rammelen. De horror zit veel inwendiger. Het boek ‘The atrocity exhibition’ van J.G. Ballard is perfecte inspiratie, en een goeie titel voor de opener van ‘Closer’. Een directeur van een psychiatrische inrichting doet in het Ballardverhaal verslag van zijn eigen mentale instorting. Of doet iemand anders verslag in zijn plaats? Iemand schreef erover: ‘Is dit louter het falen van de in mentale stoornissen gespecialiseerde dokter of eerder dat van de collectieve wereld, die vanaf 1970 permanent aan sensatiebeluste media is blootgesteld?’ Komen veel aan bod: Marilyn Monroe, de Zapruderfilm van de moord op president Kennedy, oorlogsreportages uit Vietnam en de bom op Hiroshima, allemaal beelden waardoor het hoofdpersonage is geobsedeerd, en die worden beschreven als sleutels tot een nachtmerrie waarin we allemaal een rol spelen. Wereldoorlog III is ondertussen een ‘conceptuele act’ geworden, want ‘de beelden zouden weleens een heel andere rol kunnen spelen dan we denken’. En dan zijn we nog maar aan het begin. Ik heb het boek niet uitgelezen, ik heb de film uit 2000 in de DVD-speler gestoken, maar die film volgt het boek zo nauwkeurig in z’n gedeconstrueerde verhaallijnen dat ik opnieuw niet veel kreeg samengepuzzeld. Waar het me om gaat: uitgerekend dat boek stond in de tienerkamer van Ian Curtis.
 
image
 
image
 
Curtis’ tekst is overigens een nog letterlijker Tentoonstelling Van Verschrikkingen: ‘Asylums with doors open wide / Where people had paid to see inside / For entertainment they watch his body twist / Behind his eyes he says, ‘I still exist.’
 

 
De uitwaaierende Can-ritmes van Stephen Morris hebben in ‘Atrocity exhibition’ meteen meer ruimte nodig dan op het debuut ‘Unknown pleasures’, de bas van Peter Hook is solider, de gitaar van Bernard Sumner maakt op die grotere schaal grotere vlekken, de vertraag- en weerkaatseffecten van producer Martin Hannett kruipen veel meer in de muziek dan op het debuut.

Tegelijk is de tweede plaat natuurlijk niet zó verschillend van de eerste. ‘Isolation’ is de dansante partner van ‘She’s lost control’: de synths zijn ogenschijnlijk eenvoudig, de beat die 1’44” ver invalt is nog simpeler, maar noem mij één jaren 80-single van eender welke Grauzone, Gang Of Four of Orchestral Manoeuvres In The Dark die in de buurt komt. Hoe het isolement in de tekst verbeeld wordt? Via ‘Surrendered to self-preservation / From others who care for themselves’. Mogelijk ook via ironie: de tekstschrijver geeft zichzelf aan het eind een prijs.
 

 
Ondertussen dendert de plaat door. ‘Closer’ is zeer zompig in de bas (‘Passover’, ‘A means to an end’), wordt een wriemelende, dichtbevolkte wereldstad van bassen, drums en gitaren (‘Colony’) en loopt vooruit op het hardere geluid van groepen als The Wipers en Hüsker Dü van een paar jaar later (‘Twenty four hours’). De song met ‘Heart and soul / One will burn’ is een meesterwerkje dat op subliéme wijze alle ritmische kanten uit hinkt en struikelt.
 

 
En dan is er het deprimerende einde. ‘The eternal’ is een rouwstoet in tekst én klank. Producer Martin Hannett moet hier geroepen hebben: ‘Nóg een pot chrysanten.’ In de tekst gaan geliefden weg en liggen bloemen in de regen. Van achter een hek kijkt de hoofdpersoon – kennelijk versuft door het vreselijke lijden dat hij onderging – naar mensen die als wolken voorbij trekken. Troostelozer dan hier wordt het niet: klinkt alsof heel de groep eerst een week lang verplicht werd non-stop naar ‘Born to be alive’ van Patrick Hernandez te luisteren.

Afsluiter ‘Decades’ is de mooiste Echternachprocessie uit de popmuziek: ‘Watched from the wings as the scenes were replaying / We saw ourselves now as we never had seen’ klinkt als een inzicht dat te laat komt, maar vooral als een laatste zicht op Schemerland van hoog in de lucht. Van hier af wordt het echt donker.
 

 
Kijk, ik wil het best hebben over de prachtige versregels vol uitgestuurde S.O.S.-jes die beginnen met ‘Existence well what does it matter?’ of ‘I never realised the lengths I’d have to go’. Natúúrlijk heeft de tweede Joy Division een graftombe op de hoes. Natúúrlijk heet hij ‘Closer’, en dat kan ‘dichterbij’ betekenen, maar ook ‘afsluiter’. Omdat de zanger zich ophing aan z’n droogrek kennen we ‘Closer’ vooral als ‘afsluiter’, en het eightiesdecennium als één dat begon met een eindsalvo.

De man die de foto voor de hoes had gekozen dacht pas ná de zelfmoord van de jonge marmeren gigant: ‘Fuck!’ Peter Hook was de eerste die eerlijk zei: ‘Wij hebben nooit naar de teksten geluisterd.’ Deze mensen hadden gewoon een tweede plaat gemaakt, en die was uitstekend, en iedereen stond stijf van de ambitie, en Curtis hing zich op, precies op de avond voor de groep naar Amerika zou vliegen. Iemand daarover: ‘We were only 24 hours from Tulsa’.

image

Beste zelfmoordprofetie-of-toch-niet-tekst: ‘The past is now part of my future / The present is well out of hand’.

Odes aan Joy Division? Massa’s. De invloed op wat na hen komt is immens, en zit overal in de kleinste kieren en gaten: in de graphic novel ‘The crow’, in de baslijnen van R.E.M., in motto’s voorin poëziebundels, …

New Ordersingles (‘Blue monday’, ‘Everything’s gone green’, het geweldige ‘Crystal’), The Cure op ‘Pornography’, flarden Interpol… ze blijven al bij al beleefde receptiebabbels vergeleken met het Joy Divisionorigineel, dat meer op een gesprek met een goeie vriend lijkt, ter hoogte van pint 4 en sigaret 3, en nog een paar uur te gaan voor de laatste trein.

Dit groepje uit de nieuwe lichting, dat soms meer als The Sound en Siouxsie and the Banshees klinkt dan als Joy Division, raakt wel een snaar. De intro is er bijvoorbeeld al boenk op:
 

 
Een raar moment is ‘The overload’, de afsluiter van Talking Heads’ ‘Remain in light’. ‘Gemaakt zonder Joy Division gehoord te hebben, afgaande op de recensies in de Britse pers’, liet de groep noteren. Ofwel compleet gelogen, ofwel is de Britse pers geniaal, want ‘The overload’ klinkt helemaal als Joy Divisions
‘I remember nothing’ uit de debuutplaat. Nu ik erover nadenk: als er niet is gelogen, is dat geen bewijs dat de Britse pers geniaal is. Het kan bovendien zijn dat er gelogen is door Talking Heads en dat de Britse pers toch geniaal is. Waarschijnlijk zijn er nog mogelijkheden.

Een heel mooie ode aan Joy Division is van het in hedendaagse klassieke muziek gespecialiseerde ECM-label, en komt van de verpakkingsafdeling. Het gaat over het Mc Donald’s-doosje (de hoes) en zelfs niet meer over de groenten en de sauzen bij de hamburger (de producer), en dus helemaal niet meer over de essentie, namelijk wat er in het vlees en het broodje wordt gedraaid (de kwaliteit van de songs).

Soit, mag ik alsnog de mensen van ECM proficiat wensen voor de grijstinten en de esthetiek die niet zomaar aan hoezen van Joy Division doen denken? ECM gebruikt in z’n logo iets dat lijkt het lettertype van ‘Unknown pleasures’, en
onderlijnt op dezelfde manier. Eens iets anders.

image

De zelfmoordmotieven van Ian Curtis zullen we uiteraard nooit kennen. Er was het drama van een man die niet kon kiezen tussen girl next door (Curtis’ vrouw met wie hij al op z’n 18e trouwde) en iemand van de jeunesse dorée (Curtis’ Belgische vriendin). De zanger werd door zijn platenfirma aan Amerika ook beloofd als een Jim Morrisonachtige sjamaan. Dat terwijl de man zich van het ene epileptische insult naar het andere sleepte, waardoor hij mogelijk niet altijd evenveel zin had in Morrisons break on through to the other side. Voor zover ik het verhaal een beetje gevolgd heb, had Curtis niet echt plannen om een grote rockcarrière uit te bouwen.

Begin 14e eeuw schrijft Dante over ‘iemand die plotseling neervalt maar niet weet waardoor’: ‘Wordt hij door een duivelse kracht op de grond gegooid of is het een lichamelijke aandoening die mensen overvalt?’ Maar laat ik het een beetje logisch houden: de allerbeste ode aan Curtis kan moeilijk uit de 14e eeuw komen. Ik kies dus voor fellow Mancunian en bizarre grappenmaker Mark E. Smith van The Fall, die twee jaar na Curtis’ dood in de eindejaarsvraagjes van een Brits muziekblad gepolst wordt naar zijn favoriete stand up comedians, en antwoordt: ‘Ian Curtis-imitatoren’.

Twee films zijn er. Anton Corbijns ‘Control’ focust in die mate op het liefdesdrama dat ik aan het eind begon over de handigheid van een droogrek dat je kan optrekken. ‘Moeten we in investeren’, zei mijn vrouw, waarna het toch nog gezellig werd.

De documentaire van Grant Gee (die ook ‘Meeting People Is Easy’ maakte over Radiohead) is veel beter. Aan het begin zegt Tony Wilson, de man die Joy Division tekende op zijn Factory Records: ‘Manchester in de mid-seventies voelde als een stuk geschiedenis dat was uitgespuwd. Het was een van dé plekken geweest waar de industriële revolutie was uitgevonden, en dus ook de uitwassen ervan. A grimy, dirty old town.’

Ik ga van Wilson geen heilige maken: de man is een haai uit de muziekindustrie zoals zovele anderen. Plus: het verband dat hij trekt tussen de big bang van Joy Division en zijn Factorylabel enerzijds en de ravescene rond Happy Mondays en de Haciendaclub van bijna 10 jaar later zou je evengoed kunnen torpederen via het verhaal van het door de stad en door Factory uitgespuwde The Stone Roses. Als u ooit één documentaire wil zien waarin de wereld van gewoon schrijnend vervaagt in In de gloria-schrijnend, en u nooit zal weten waar de grens ligt, moet u dat verhaal eens bekijken. Zeer kort samengevat: The Stone Roses werden opgelicht door een kapper. Maar The Roses waren wel dé inspiratie voor dé biggies van Manchester, Oasis, lieden die van Joy Division niet veel moeten weten, en van de boeken van Oscar Wilde die de zanger van The Smiths las nog minder.

Dus: aan de hand van popmuziek geschiedenis willen schrijven, het is en blijft een kwestie van standing on shakey ground. En toch! De documentaire van Grant Gee begint met beelden van de industriële verpaupering in Manchester, en dus van kinderen die in het gruis spelen. Bernard Sumner zegt: ‘Ik denk niet dat ik een boom heb gezien voor ik 9 was.’

Een moderner vergezicht staat voor de heropstanding van de stad. Op het scherm verschijnt: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world, and at the same time that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’

Ik laat niks meer etteren, dus ik zoek het op. De man van de quote blijkt Marshall Berman te zijn, een in 2013 gestorven New Yorkse stadsantropoloog met een zicht op de frontlinie van The South Bronx. Een film over hem toont de uitgebrande huizen van de Bronx in jaren 70. Het ooit zeer leefbare stadsdeel was in twee gesneden door de aanleg van een stadsautostrade en metrowerken. Huiseigenaars verwaarloosden hun eigendom, de middenklasse vluchtte naar de buitenwijken. Bermans stelling: ‘De gebouwen branden aan de ene kant van de straat, de kids proberen iets te maken aan de andere kant. Net uit dát halfvernielde stadsdeel komt een boodschap voor de rest van New York in de vorm van graffiti. Op die grijze, totaal vervallen metrostellen schilderen mensen exuberante letters, namen, motto’s en reliëfs. Vandaag zijn er al die films van toen. Alles is grijs. De huizenblokken zijn uitgebrand. En dan rijdt er een trein over een brug, en die ziet eruit als een regenboog. Dat is aangrijpend. De volgende incarnatie wordt rap. Het begint bij een jongen met kleine speakers en een drumtrack in de subway. Nu is het de belangrijkste vorm van wereldmuziek. Het is goed om te onthouden dat het allemaal van daar komt. Het is een parabel voor een wijk die een ruïne was geworden, maar die opnieuw opveerde.’
 

 
Ik vlucht van de parabels over de seventiesruïnes van Manchester en New York naar de realiteit van mijn lijst, want uitgerekend dié geboorte van hiphop – die inderdaad eerst via kleur kwam, en dan via klank – is in de tweede helft van de jaren 70 echt beleefd in de South Bronx, door twee neefjes die als zeer jonge knaapjes helemaal van de andere kant van de grote appel naar de block parties afreisden. Eenmaal groot en tougher than the rest maakten ze een plaat die zich naar nummer 3 elleboogt.

Besluit: de wedstrijd om de derde plaats tussen Manchester en New York was zeer spannend. New York heeft uiteindelijk brons gehaald.

image

image

 

 

Een snel ronddraaiende ster in haar eindstadium

 
image
 
Joy Division
Unknown pleasures
1979

 

‘Let’s dance to Joy Division / And celebrate the irony / Everything is going wrong / But we’re so happy’ zingen The Wombats in 2007. Prima, maar op hoeveel Joy Divisionsongs kúnnen we eigenlijk dansen? Akkoord, op ‘Love will tear us apart’, een pracht van een single die me altijd aan ‘Go your own way’ van Fleetwood Mac doet denken.

Ook op ‘Transmission’ en ‘Isolation’ valt een beentje te strekken. Misschien lukt het zelfs op ‘She’s lost control’, het enige halfdansante moment op het debuut ‘Unknown pleasures’.

Het verhaal rond ‘She’s lost control’ is bekend: zanger Ian Curtis werkte als Assistant Disablement Resettlement Officer, wat wil zeggen dat hij ergens in Manchester achter een bureau zat om gehandicapte leefloners te activeren. Een meisje met epilepsie, voor wie hij een paar dagen eerder nog had proberen werk te vinden, was aan een aanval overleden, en dat had Curtis geraakt, misschien ook omdat hij uitgerekend zelf op het punt stond om zijn eerste epileptische aanval te krijgen. Het is achteraf verleidelijk om te denken dat de kunstenaar in zijn eigen toekomst keek, of alvast symptomen voelde van wat zich daadwerkelijkheid uren tot soms dagen later als epileptisch insult kan voordoen. Het is zo dat Curtis via deze song zijn rare vlinderdans met de armen vervolmaakte, een act die hem zijn podiumprésence gaf, die de gezichten op stand ‘verbaasd’ zette en die we de epilepsiedans zouden kunnen noemen. Een dans ook waarop we ons op z’n Wombats ironisch zouden kunnen uitleven, maar na een halve minuut in onderstaande video ben ik al vergeten wie die Wombats zijn.
 

 
Zal ik er ook maar JD’s eerste televisie-optreden tegenaan gooien? Granada TV was een zender uit Manchester. De man die de groep inleidt is Tony Wilson, die hun platenbaas zou worden.
 

 
De eerste JD-song die de na-aappunk van de korte aanloop Warsaw overstijgt is niet toevallig de eerste die ze met producer Martin Hannett opnemen, en heet ‘Digital’. Een o zo vaak terugkerend verhaal wordt hier nog eens verteld: gebrekkig materiaal is de weg naar een eigen smoel. Gitarist Bernard Sumner speelt riffs en akkoorden, zijn versterker is defect en werkt alleen als hij op maximum staat. Bassist Peter Hook speelt het gros van de melodieën, maar kan zichzelf op repetities alleen horen als hij hoog speelt. De drums van Stephen Morris klinken hier nog gewoner dan op ‘Unknown pleasures’, ze vlerken nog niet rond, onder en boven dit geluid. Daartussen Ian Curtis: ‘Day in / day out’ en ‘I feel it closing in’.
 

 
Omdat hij ook van 1979 is, besluit ik de film ‘Alien’ nog eens te bekijken. Het vuile, donkere ruimteschip vol uitsteeksels (waarin het monster vol uitsteeksels moeilijk te zien is), de algehele somberte van grijs en zwart (met af en toe een spatje laserstraalgroen) en het dystopische verhaal zitten de sfeer van de plaat op de hielen. De iconische hoes van ‘Unknown pleasures’, een 3D-grafiek van de met een radiotelescoop opgevangen geluiden van een pulsar (een snel ronddraaiende ster in haar eindstadium), doet me heel hard aan het Nostromo-schip van ‘Alien’ denken.

image

Producer Martin Hannett ook, want die leeft in zijn eigen ruimteschip. Tijdens de opnamen van ‘Unknown pleasures’, dat na drie weekends klaar is, laat hij de groep alles eerst spelen zoals ze het voor ogen hadden, waarna hij hen aanmoedigt ook met synthesizers en een drummachine te werken en hen dingen toeroept als ‘Doe het meer cocktailparty’, ‘Een beetje geler’, ‘Groots, maar nederig’, ‘Sneller, maar trager’.

Dan begint Hannetts bloedeigen sciencefiction. Hij heeft een toestelletje om gitaargeluiden de kop in te drukken, en beschikt over een AMS 15 bit digitale delaymachine die de snare drum tot Morris’ verbazing in een doosje stopt. Hannett was een met drugs vertrouwde, wat rare visionair die op de een of andere manier zelfs betrokken was bij de ontwerpen van de firma Advanced Music Systems. In het sublieme ‘Insight’ zitten pieew-geluidjes die aan Space Invaders doen denken. De song begint met de liftschacht in het studiogebouw. Opnamen werden in de lift gemaakt, en met Lesleyspeakers die geluid centrifugeren. De Curtis-mantra ertussen: ‘I’m not afraid anymore / But I remember / When we were young’.
 

 
Maar mag opener ‘Disorder’ ook meedoen? Hier cirkelen drums rond zoals drums nooit eerder rondcirkelden, de hoge fonkelbas valt in, dan is er die jeuk- en kriebelgitaar die niks meer met punk of molenwieken of een harde aanslag te maken heeft, tussendoor de rare achtergrondgeluiden van Hannett die nog steeds tot de meest opwindende ambient uit de muziekgeschiedenis behoren, en dan de onwezenlijke bariton van Curtis: ‘I’ve been waiting for a guide to come and take me by the hand / Could these sensations make me feel the pleasures of a normal man?’ ‘Disorder’ klinkt als een stadionrocker in de mist die twee decennia te vroeg is geschreven.
 

 
‘Day of the lords’ is heel wat anders: een rare doommetalsong, geluiden die worden beteugeld, soms een vaal synthesizerzonnetje dat door de wolken priemt.

‘Candidate’ is een traag op gang komend soort dub waarin een gitaar als een hond jankt. Als de instrumenten stilletjes verdwijnen is het alsof een officiële instantie in 1979 het universum voor koud en onverschillig verklaart.

‘New dawn fades’ is het hoogtepunt, de song ook die mij er nooit in doet slagen naast de teksten van Curtis te luisteren. Schuld, wroeging, falen en zelfbewustzijn dat nergens toe leidt, ze zijn allemaal van de partij: ‘It was me, waiting for me / Hoping for something more’.
 

 
‘Shadowplay’, ‘Wilderness’ en ‘Interzone’ herinneren aan het primaire Warsawgeluid. Twee van de drie gebruiken de achtersteegjes van de stad als decor voor vervreemding en eenzaamheid, in eentje wordt er zelfs door de tijd gereisd, maar ook daar valt niet veel goeds te rapen.

Mensen hebben ‘Unknown pleasures’ een verinnerlijkte stadsscan genoemd, een sciencefictionversie van Manchester, een harde pil ook én een door de producer ondoordringbaar gemaakte plaat. Afsluiter ‘I remember nothing’ verklaart de sfeer van ondoordringbaarheid: dit is traag, dof, een echokamer waarin alle verval met mekaar correspondeert. Aan het eind wordt nog met iets gegooid ook.
 

 
Drummer Morris was fan van de proto-elektronica van Can (da’s ook in zijn drumstijl te horen), dus hij vond de Hannettaanpak geweldig. Zanger Curtis was ook tevreden: zijn somberte is in een paar songs opvallend aanwezig.

Maar gitarist Sumner en bassist Hook, die meer de energie van hun optredens op de magneetband wilden, moesten met lede ogen aanzien dat zowat iedereen hun debuut fantastisch vond, alleen zij niet.

Hook later hierover, al lachend: ‘Da’s de enige keer dat wij twee het ooit zijn eens geweest.’
 

Een grote, bruinrode traan boven het orkest

 
image
 
Arvo Pärt
Lamentate
2002

 

Over de Estse / Estische / Estlandse toondichter Arvo Pärt is de documentaire ’24 preludes for a fugue’ gemaakt: naast mekaar gerangschikte fragmenten die proberen verschillende aspecten van de kunstenaar te capteren.

Als Pärt ergens in zijn huis gaat zitten, hangt altijd en overal een orthodoxe icoon aan de muur. De man gelooft niet in numerologie, talismannen en ruimtereizen. Hij gelooft gewoon in god. That ol’ time religion is good enough for him.

Hij bidt en brandt kaarsjes. Als hij tomaten zit te eten zegt hij dat hij als kind tomaten met suiker at.

Zijn vroegste herinnering is die aan een hoek in het huis waar hij opgroeide: ‘Een kleine rode hoek, met rood behangpapier. Er kwam een straal licht uit. Het was zondag voor mij. Ik moest altijd aan zondag denken. Ik weet niet wat het betekent.’

We zien de man ook voorovergebogen boven zijn piano zitten (één keer gaat hij er zelfs met zijn hoofd op liggen) om bij het repeteren alles beter te kunnen horen.

Als kind speelde Arvo Pärt op een goedkope piano waarvan niet alle toetsen geluid maakten, dus zong hij er de ontbrekende noten bij. Of hij veranderde de hamertjes van de buitenkant naar het midden.

De piano stemmen deed hij ook zelf, maar hij had geen stemsleutel, dus gebruikte hij een tang; op de duur kreeg hij geen grip meer op de moeren.

Studeren op die piano werd steeds moeilijker en voor de jonge, eigenlijk al componerende pianist steeds oninteressanter. Hij fantaseerde er zelf dingen bij, en die dingen namen de boel over.

Pärt vertelt over een droevige dag uit zijn jeugd: ‘Mijn moeder verstond niet wat voor soort muziek ik op school leerde. Ze dacht dat ik gewoon mijn lessen oefende. Op een dag kwam ze mijn pianoleraar op straat tegen. ‘Arvo doet het niet goed’, zei hij. ‘Hij oefent amper.’ Waarop mijn moeder: ‘Wat bedoel je? Hij doet niks anders. Hij speelt de hele dag.’ Mijn leugen kwam uit. Ik werd ontmaskerd.’

image

In de ‘Lamentate’-uitvoering die in 2005 op het ECM-label werd uitgebracht zijn heel wat muzikanten van het SWR Stuttgart Symphony Orchestra lange, traag wegtikkende minuten werkloos. Alexei Lubimov speelt wél veel piano.

‘Lamentate’ klinkt soms groots aan de extraverte kant als het hoge Mahleriaanse kathedralen betreedt, maar creëert meestal bescheidener ruimte en geringer overzicht. Alles blijft – ook als de muziek losbarst – rustig en sereen.

Een hoorn, een trompet en pauken (waarop meestal zacht geroffeld wordt) zijn belangrijke personages, maar de piano heeft de hoofdrol: volgens Pärt is het de ik-figuur. Misschien valt die een beetje samen met de man zelf, die zijn dode lichaam zag toen hij overdonderd werd door Anish Kapoors ‘Marsyas’: drie gigantische van staaldraad en PVC gemaakte hoorns die een jaar lang verschillende ruimten van de Tate Gallery innamen. Van het een kwam het ander, van ‘Marsyas’ kwam ‘Lamentate’. De première vond plaats in het museum in 2003, een van de hoorns hing als een grote, bruinrode traan boven het orkest.
 
image
 
De piano draagt het stuk nergens, speelt ook geen centrale rol, is zeker geen er boven uit torenende held in dialoog of in gevecht met het orkest. Het instrument probeert samen met de andere instrumenten deemoedig puin te ruimen. Een haast onhoorbare wind waait ondertussen de hele tijd waarheen hij wil. De treiterig ingehouden, ogenschijnlijk onjuist geplaatste climax en de momenten waarop onder het orkest de bodem uit de muziek wegvalt verwarren alleen wat, maar zitten nergens echt ongemakkelijk.

Herkenbare Pärthandtekeningetjes zitten in de zeldzame strijkersclusters en in de into the wild verdwaalde maar geen mens missende piano, die slechts een paar keer aan de bekende tintinnabulistijl herinnert – omdat het Pärt op die momenten toevallig te binnen schiet dat hij als geen ander een druppende kraan kan imiteren. Ook dit reflectieve gedeelte houdt het vrij luchtig.

‘Lamentate’ is een wide open road van een compositie. Op hoeveel plekken heeft de componist hier ook niet zitten schrappen, zeg. Hoe? Door eerst met zwart potlood heelder partijen onherkenbaar te maken en er dan uitgeknipte blanco notenbalkjes over te plakken. En door daarna te zeggen: ‘Dat is beter’.

Een ander devies moet zijn geweest: ‘De toonspraak moet niet té atonaal worden’. Uitstekend, want in theorie ben ik te vinden voor de kunstenaar die eeuwen traditie wil inruilen voor een vreemd en afgelegen geluid, maar in de praktijk is mijn tolerantiemarge dikwijls kleiner. Niet hier.

Als het kind Arvo Pärt niet aan de piano zat, luisterde het naar Radio Tallinn. ’s Avonds mocht dat thuis niet van ma en pa, en dan trok Arvootje naar een plein met een paal met luidsprekers, wellicht van Sovjetmakelij. Hij cirkelde de hele avond met zijn fiets rond de muziek, ‘omdat ik dacht dat het raar zou overkomen als ik daar gewoon wat ging staan’. Hij wist toen al dat hij componist wilde worden, maar niet één zoals die op de radio.

Het uit die kinderdroom tot wasdom gekomen ‘Lamentate’ lijkt als geheel inderdaad volstrekt nergens op. Het werd in de pers met gemengde gevoelens ontvangen. ‘Disappointing in its looseness and lack of ideas, and at 37 frustrating minutes, it is a lamentable waste of time’ is het oordeel van iemand op allmusic.com. Al wie positief reageerde, deed dat óók vanuit het hart. En zo hoort het.