‘A nuclear error / But I have no fear’

 
image
 
The Clash
London calling
1979

 
 

In 1979 vat The Clash op ‘London calling’ de tijdsgeest van het Londen en Engeland van stakingen, stroompannes, Koude Oorlogparanoia en grootstedelijk racisme, terwijl ze in twee verschillende studio’s vakkundig proberen te ontkennen dat ze failliet zijn na een Amerikaanse tournee; ze zitten zelfs zonder management.

Dat heeft één voordeel: het turning rebellion into money-verwijt dat ze naar anderen hebben uitgestuurd is op henzelf niet van toepassing. Zijn ze doodongelukkig? Nee. In Amerika hebben ze in een hotel gelogeerd waar James Dean nog is geweest, hebben ze het graf van Bruce Lee bezocht, en werden ze geapprecieerd om wat ze zijn: ze krijgen niet – zoals in het thuisland – het label van ‘te punk’ of ‘niet punk genoeg’. Naar verluidt was die punkpolitie er écht: punk moest zo en zo. The Clash riep terug: ‘Punk is spelen wat je wil spelen’.

De ambitie is trouwens: uit het harnas van het genre breken met reggae, jazz, swingjazz, vroege rock’n’roll en feestmuziek die op de London Carnival wordt gedraaid. The Clash is nooit helemaal rechttoe-rechtaan geweest. Hun beste song vóór ‘London calling’: ‘White man in Hammersmith Palais’, over een all-nighter in Londen, met op de affiche for the first time from Jamaica: Dillinger, Leroy Smart, Delroy Wilson en vele anderen. De song is steengoeie blanke reggae waarboven Joe Strummer zich druk maakt, want naar zijn smaak hoort-ie die avond niet voldoende roots rock rebel-riddims voorbijkomen. Het mondmuziekje biedt ondertussen twee odes: één aan de mondharmonica van Bob Dylan, één aan de melodica van Augustus Pablo.
 

 
In de States heeft The Clash getoerd met Bo Diddley, Lee Dorsey, Sam and Dave en The Cramps. Enorm veel blazers op ‘London calling’; die zijn van The Irish Horns. Er wordt piano en orgel gespeeld. Er wordt enorm veel gejat. In het verlengde van ‘London calling’ zijn via moderne media originals van de Britse rocker Vince Taylor (‘Brand new cadillac’) en van reggaelegende Danny Ray (‘Revolution rock’) te ontdekken.

Iemand maakt me blij door het draaiende singletje van ‘Wrong ‘em Boyo’ van The Rulers te filmen: The Clash lenen in hun versie na een halve minuut ook een feestneus van The Specials. De dokter die ter sprake komt in ‘Rudie can’t fail’ is Dr. Alimentado, wiens ‘Poison flour’ berichtte over giftige bakbloem in Kingston, een song die Strummer inspireerde om zoals Jamaicaanse toasters te berichten over wat zich in zijn gezichtsveld afspeelde.

J.J. Jacksons beestige soulsong ‘But it’s alright’ staat model voor het door Mick Jones gezongen ‘Train in vain’, een klein monument. Laurel ‘the godfather of ska’ Aitken is ook ergens een invloed, maar ik ben vergeten waar. Treffend tekstmoment dat illustreert hoe ver de groep van hun hardste songs uit de begindagen verwijderd is: ‘Playing requests now on the bandstand / El Clash combo / Weddings, parties, anything / And Bongo Jazz a speciality’.
 

 
Waar gaat de single ‘London calling’ over?
 
image
 
De titel is een verwijzing naar ‘This is London calling’, waarmee de kortegolfuitzendingen van de BBC World Service begonnen die in wereldoorlog II ook in het Duits en het Nederlands informatie en moed gaven.

Goed, maar is het ‘nuclear era’ of ‘nuclear error’? Het ongeval eerder dat jaar in de Three Mile Island-kerncentrale doet ‘error’ aanvinken. In verband met de S.O.S. ‘London is drowning / I live by the river’: zou met een gerucht te maken hebben dat de Russen van plan waren een atoombom in het Kanaal te droppen die een golf ging veroorzaken die Londen zou wegspoelen. ‘But I have no fear’ zou gelijke tred kunnen houden met don’t be afraid of atomic energy van Bob Marley van een jaar erna. De ‘o-o-o-o-o-ooooow’ is mogelijk een ode aan de perfect in profiel voor een volle maan poserende Awhooooooo van Warren Zevons ‘Werewolves of London’ van een jaar ervoor.

Verder mag je er niet té veel in lezen: ‘London calling’ is een hoop shockmetafoortjes die punkgewijs teruggesmeten worden naar goegemeente, machthebbers en Dire Straits, een slimmere variant van de opgestoken middenvinger en de opgespelde swastika.

De messcherpe gitaar, de beestige melodie, de superefficiënte drum en bas, ze zijn van een groep die lang in het duister heeft getast en plots het licht ziet, die zichzelf in een hoek heeft geschilderd maar zich er op indrukwekkende wijze uit vecht.
 

 
Nog één ding over die wereldsingle. Iemand die zich Stro Jummer noemt weet op internet dat het laatste woord van de single ‘London calling’ in de zin ‘I never felt so much alike alike alike alike’ niet alike is, maar a-like.

Komt uit een nummer 1-hit van de Britse fiftiesrocker Tommy Steele, die inderdaad ‘I never felt a-more a-like a-singing the blues’ zingt, een zin die Joe Strummer live al eens letterlijk zo bracht, maar die op plaat – mogelijk om copyrightredenen – is ingekort. Dat blijkt gewoon te kloppen. Dank, Stro Jummer.
 

 
‘Death or glory’ is een van de andere vinnige rockers, die zou kunnen gaan over de lower class die vlakbij de Theemsoever woont: ‘Love ‘n’ hate tattooed across the knuckles of his hands / Hands that slap his kids around ‘cause they don’t understand how / Death or glory / becomes just another story’. Het raarste stuk tekst komt ook uit die song: ‘I believe in this and it’s been tested by research / He who fucks nuns will later join the church’. Vooral ‘tested by research’ is uitstekend.
 

 
Het naakte uur van de wapens is tijdens de eerste opnamen (de Vanillatapes) nog niet aangebroken. The Clash rent op de nogal doffe demo’s als een kudde achtervolgde beesten over de stoppelvelden. Maar in studio 2 blijft de garde wel stilstaan en uitverdedigen. Plots is de sfeer er één van gooien met alles wat ze hebben, naar hun vijanden, denkbeeldig of niet.

De zeer belangrijke man die hen ertoe dwingt niet zomaar alles te geven, maar nóg een extra tandje bij te steken, is ene Guy Stevens. De platenindustrie liet in die dagen twee lijvige dossiers tegen de man circuleren: op map 1 stond ‘Persona non grata’, op map 2 ‘Totáál Ontoerekeningsvatbaar’. Guy wie? Stevens is in de vroege jaren 60 een hautaine Mod, een belangrijk dj, een man die rauwe Amerikaanse soul en rhythm and blues aan de Britten probeert te slijten, iemand die The Who mee aan z’n geluid helpt, de groep Free producet en Mott The Hoople vanuit het niets uit de grond stampt. In de Clash-studio is hij zijn beloofde ontoerekeningsvatbare zelf.

Vooral bassist Paul Simonon, die technisch het meest moeite heeft met de overgang van ram- en beukpunk naar dit professionele geluid, heeft liever een zot als Stevens die hem op geen enkel moment z’n technische beperkingen kwalijk neemt, maar wel met ladders gooit en ongevraagd aan een worstelwedstrijd op leven en dood begint; ik verzin niks. Simonons grootste angst is een Amerikaan die hem beleefd vraagt of hij de partij nog eens kan inspelen. Direct gevolg: Simonon schrijft ‘Guns of Brixton’, hier een van de essentials. Ook de rest van de groep heeft het in verband met Guy Stevens over een ‘maximum aan emotie’ en een ‘directe psychische injectie’.
 

 
The Clash in 1979! En maar verder schrijven, repeteren en bijschaven, zo hard en constant dat ze zelfs geen tijd hebben om te gaan kijken naar die film over de bemanning van het transportvrachtschip Nostromo die wakker wordt in een zonnestelsel ver van huis, en die kennismaakt met buitenaards leven dat niet op een gezellige close encounter uit is, maar het lichaam van de mens wil gebruiken om er een weerzinwekkend H.R. Gigermonster mee te baren.

Nee, in plaats daarvan liever Guy Stevens ‘Il y a plus en vous’ horen roepen en hem gelijk geven. Ondertussen wurmt Mick Jones zich een paar keer naar voren: in ‘I’m not down’ wil hij vanuit een bodemdepressie naar wolkenkrabberhoogten, in ‘The card cheat’ klinkt de groep Spectoriaans (zoals Springsteen in die dagen) en lijkt Mick Jones’ stem op die van Jarvis Cocker. ‘Four horsemen’ en ‘Hateful’ zijn twee Joe Strummerhoogtepunten van hetzelfde wereldniveau.

De hoes is een vette knipoog naar de groene en roze letters van het Elvis Presleydebuut. Ambitie: de laatste rockplaat maken. De gitaar van Presley steekt omhoog, de bas van Paul Simonon staat op het punt in de prak geslagen te worden. De werktitel van ‘London calling’ was The last testament.

Ik ben vergeten Topper Headon te vermelden. Wat een drummer!
 
image
 
Beste momenten ná ‘London calling’: de papa-san en de mama-san van ‘Straight to hell’, de intro ‘This is another public service announcement (with guitars)’ van ‘Know your rights’ en de beste raps uit ‘The magnificent seven’: ‘Wave bub-bub-bub-bye’ en ‘Brr-bu-bu-bu-bu-bu / cheeseboiger’. Plus: de Spaanse les tussen de regels van ‘Should I stay or should I go’.

Ach, doe maar gewoon alles, maar doe vooral ‘London calling’!! Ik heb zin in nog een uitroepteken! En nog twee!!

Nog dit: Winston Churchill schreef in de maanden mei en juni 1940, periode waarin in deze regio de klotenazi’s binnenvielen, drie wereldberoemde speeches. De koppen ervan passen alle drie perfect bij ‘London calling’. Blood, toil, tears and sweat kenschetst de Clash-inspanningen in de studio. This was their finest hour is gewoon een objectief eindoordeel over ‘London calling’. Ook We shall fight on the beaches kan gepast betalen, want de grootspraak aan het eind van ‘Four horsemen’ luidt: ‘We reach the beaches other armies cannot reach!’ Kruispuzzel opgelost.

In verband met Operatie Overlord van een paar jaar later in Normandië wil ik alle betrokken geallieerden bedanken – u moet die slachtoffercijfers eens googlen – maar in het bijzonder de Britten omdat ze in de lange aanloop naar de bevrijding via die bakelieten bakken genaamd radio’s een ‘This is London calling’-boodschap hebben uitgestuurd naar de wereld, en dus ook naar bezette gebieden.

Bijna vier decennia later kwam uit mijn transistor ‘Radio Clash, on pirate satellite’. Londen zond opnieuw een boodschap to the faraway towns. Een boodschap om I read you en Loud and clear naar terug te roepen, dit keer gelukkig met minder gevaar voor eigen leven.
 

 

 

‘They’re always different, they’re always the same’

 
image
 
The Fall
The Complete Peel Sessions
1978–2004

 

Eerst The Fall live in New York in 1981 met ‘Totally wired’, een van hun beste en bekendste songs. Er zit een stuk tekst in dat heel veel van Hunter S. Thompson leent, maar ook in een notendop uitlegt wie Mark E. Smith is: ‘You don’t have to be weird to be wired / You don’t have to be a died hair punk funk shit-hot fucked up tick-tock pad / 
You don’t have to be strange to be strangled / 
When the going gets weird, the weird turn pro’.
 

 
De grootste Fallfan aller tijden moet BBC-radioman John Peel zijn: ‘The Fall have given me more pleasure over a longer period of time than any other band, and when people ask me why, I always say: ‘They’re always different, they’re always the same’. I’m not sure if that means anything, but it sounds reasonably good.’

John Peel stierf in 2004 en ‘Fall heads roll’, een van mijn Fallfavorieten, is de eerste die Peel niet heeft gehoord. Vier songs die op de plaat zouden belanden zaten in 2004 wel in de laatste van in totaal 24(!) Peelsessies die The Fall voor de BBC deed.

‘If it’s me and your granny on bongos, it’s a Fall gig’, heeft Mark E. Smith ooit gezegd, en de line up van ‘Fall heads roll’ heeft inderdaad nog weinig te maken met die van het (in deze lijst op 98 belande) ‘Hex enduction hour’ van 23 jaar eerder. Anderzijds: gitarist Craig Scanlon en bassist Steve Hanley waren er wel tot midden jaren 90 bij.

Is Mark E. Smith een paternalistische dictator? Wellicht. ‘Werk, werk, werk’ heeft altijd op de lichtkrant geknipperd die in zijn hoofd aanfloepte als hij opstond en die uitviel als hij al dan niet nuchter ging slapen.

Smith werkt zich zonder om te kijken door veranderingen van line up en door echtscheidingen, en laat meer dan één van zijn vrouwen in de groep spelen.

Wat het is? Bier zonder schuim en sigaretten, een kortverhaal van H.P. Lovecraft, een banjo-interludium, voor de grap een Napoleonpak dragen en iets zeggen als ‘I do feel like an outsider, but I don’t lose any sleep over it’: Ja! De juiste kleren aan hebben, trending en kliekvorming, psychoanalyse, boeddhisme-op-dinsdag en een plaat van Leonard Cohen in de tourbus: Nee!

De Fallzanger is soms Filiberke ter hoogte van ‘Laat me met rust, ik speel vuurtoren’, soms gewoon een dronken karaokezanger die vaak de uitgang ‘-euh’ achter een woord zet, zoals in de song ‘Clasp hands’ (spreek dus uit: claspeuh handseuh) vanop ‘Fall heads roll’.

‘Clasp hands’ is een typevoorbeeld van de voor liefhebbers gestoorde maar geniale rockabilly – ooit hebben we het in ons hoofd weten klikken, dat samenraapsel van alle rare geluiden van Captain Beefheart en Can, van The Velvet Underground en The Monks, van Bo Diddleybeats en pubrock (en van een paar zatlappen die meebrullen met pubrock, van wie er één een kazoo vindt).

Voor Mark E. Smith is ‘Clasp hands’ waarschijnlijk de zoveelste song die in de studio op het eind van de dag van hem werd, op het moment dat hij het gewoon gereduceerd kreeg tot rauw geluid met vreemd gezang erboven.

Voor buitenstaanders zal The Fall altijd een groep blijven die hooguit de preselecties van muziekwedstrijden mag halen.

Overigens, als u the wonderful and frightening world of The Fall nog moet ontdekken, begin bij de song ‘Blindness’ uit 2005: een serieuze lap erop!
 

 
De Peel sessieversie van ‘Blindness’ is een geval van always different, always the same.

 
Ondertussen zijn we dus bij ‘The Complete Peel Sessions 1978–2004’ aangekomen.

‘I am tempted to say that this is possibly the best Fall-session that we have ever had, but I probably said that of all of them’. Op die manier besloot John Peel de laatste Fallsessie (mét ‘Blindness’) die hij in de ether smakte.

Als we in de alles behalve heilige, maar zeer Engelse graal The Fall willen blijven geloven, moeten we terug naar start via de zes cd’s tellende Peel Sessions-box.

Waarom?

1. Omdat een groep als The Fall, als die niet meer maar ook niet minder dan vier of vijf (meestal) nieuwe songs moeten spelen, als ze weten dat ze ermee op de radio gaan komen (en er dus voor moeten zorgen dat het een beetje aan mekaar hangt), maar als ze ook niet té veel prutstijd in de studio krijgen… gewoon op z’n best is, én qua muzikale punch én qua delivery van Mark E. Smith.

2. Omdat John Peel niet zomaar fan was van The Fall. De man maakte al sinds eind jaren 60 radio, en toen het punkgenre zijn programma quasi volledig overnam, was dat naar verluidt niet helemáál naar zijn zin. Het beste aan de post-1976-muziek vond hij de do it yourself-attitude van vele groepen: beetje geld sparen om een plaat op te nemen, die op 750 exemplaren persen, ermee bij hem op de radio komen, daarna ermee stoppen, of niet. Zo klinkt élke nieuwe Fallplaat nog altijd: als muziek die op de valreep op een beperkte oplage is geperst, en als de allerlaatste Fall-muziek die überhaupt zál worden geperst. Ondertussen zitten ze al aan meer dan 30 studioplaten, en weet ik niet zeker of ik er 2 dan wel 3 achter sta.

3. Omdat bij het ‘random’ afspelen van de sessies opvalt dat The Fall eigenlijk altíjd anders uit de hoek komt. De Captain Beefheart- en Caninvloeden nog niet helemaal afgeschud? Moet van voor 1983 zijn. Een echte popsong met een vrouwenstem? Mark E. Smith is hertrouwd. Een tekst waar je geen touw aan vastknoopt? Smith heeft in de pub een gesprek gehad met de William Blake en de J.M.H. Berckmans in hemzelf. Iets denigrerends over lang haar en sneakers en Pearl Jam? Het moet 1994 zijn. Een kerstlied? De opnames vonden in december plaats.

The Fall! Binnenkort kan ik eindelijk meezingen met hun ‘I’m a fifty year old man / What you gonna do about it?’

The Fall! Hieronder een Spotifyselectie van 10 van de 96 Peel sessiessongs.

1. ‘New face in hell’. Voor: het parlando van ‘The gift’ van The Velvet Underground. Na: het halfparlando van ‘Conduit for sale’ van Pavement. Eerste zin: ‘Wireless enthusiast intercepts government secret radio band and uncovers secrets and scandals of deceitful type proportions’. Met kazoo en koeienbel en Mark E. Smith die een gekeeld varken nadoet.

2. ‘Who makes the nazi’s?’ ‘Intellectual half wits’ blijkt een juist antwoord, alsook ‘de BBC, George Orwell en de Birmaanse politie’. Zomaar wat. En toch op de een of andere manier veel beter dan zomaar wat.

3. ‘Eat yourself fitter’. Naar een slogan op een cornflakesdoos. Da’s om een Fallsong vrágen, natuurlijk!

4. ‘Cruiser’s creek’. Uit de rayon ‘Had met veel alsen en veel dans een hit kúnnen zijn’.

5. ‘US 80’s 90’s’. Speelt zich af bij de grenscontrole in Boston. ‘No beer / No cigarettes / Spikes, gin, cigarettes / Whisky / Welcome to US 80s 90s’. Klinkt als de original van drie kwart van het oeuvre van (het overigens fantastische) Girls Against Boys.

6. ‘M-5’. Die M-5 is geen Autobahn, maar gewoon an evil roundabout. De ‘6-7 PM’ uit de tekst is natuurlijk de avondfile. ‘Just a well-read peasant’ is hier korter dan op de officiële release: ‘Just a well-read punk peasant’.

7. ‘Touch sensitive’. Iets onduidelijks van The Velvet Underground gespeeld door dronken skins. En nog uitstekend ook.

8. ‘Theme from Sparta F.C.’ Deze spionkop wil bloed aan de paal: ‘We live on blood / we are Sparta F.C.’.

9. ‘What about us?’ begint met ‘I am a rabbit from East-Germany’. Toch iémand die terugdenkt aan de konijnen achter de prikkeldraad tussen de west- en de oostmuur in Berlijn. Want wat een drama zeg: eerst generaties lang rustig grazen, en dan een deur die plots opengaat en die een konijnenexodus in gang zet.

10. ‘New puritan’. Een song die mij – werkelijk waar – ooit inzichten heeft gegeven; ondertussen wel vergeten waarover. Mark E. Smith dekt zich tegen zijn eigen écriture automatique in met ‘What do you mean: what’s it mean, what’s it mean?’
 

 

Kutmuziek

 
image
 
Jaap Fischer
De liedjes van Jaap Fischer
1961-1963

 

Voor een korte bio van de Nederlandse troubadour Jaap Fischer (echte naam: Joop Visser) en voor iets over Vissers legendarische 2013-doortocht in een amusementsprogramma op tv is het langs hier.

Jaap Fischer had dus tussen 1961 en 1964 veel succes. En toen vond hij een onzichtbaarheidsmantel.

Wat nóg vertellen? Dat iemand me onlangs een filmpje doorstuurde, en dat filmpje gaat over Kutmuziek op Radio 1. Bedoeld wordt: kutmuziek op de Néderlandse Radio 1.
 

 
De Liedjes Van Jaap Fischer dateren van ruim 50 jaar voor ‘Kutmuziek’. OOR Popencyclopedie zegt: ‘De verzamelaar ‘De Liedjes Van Jaap Fischer’ wordt zeer tegen zijn zin in uitgebracht, maar staat in de zomer van 1997 hoog in de albumlijsten.’

Een geluk dat de zanger zijn zin niet heeft kunnen doordrijven, want mijn vader had een paar Fischerplaten, maar ik weet niet waar ze zijn, en ik heb via deze in 1997 uitgebrachte verzamel-cd (en in die dagen alléén via die cd) de Fischerliedjes uit de periode 1961-1963 kunnen herontdekken.

Een van de redenen voor die Fischerschaarste: voor zover ik er zicht op heb zijn ’s mans liedjes 17 vernieuwingsoperaties geleden al uit Radioland verbannen. In ruil hebben we af en toe iets deftigs gekregen, maar ook veel Kutmuziek.

schrijversinfo.nl zegt: ‘Joop Visser trad in zijn studententijd op onder zijn echte naam: Jaap Fischer.’ Hoezo? Nu ben ik echt in de war.

Stuk van de hoestekst van de EP ‘Monniken/De koning/Peer/Kater/Hutje/De laatste keer’: ‘De chansons van deze moderne Nederlandse troubadour worden gekenmerkt door een merkwaardig gevoel voor humor, gecombineerd met soms bijna macabere cynismen. De lach en de traan zijn beiden vertegenwoordigd in een omlijsting van melodieuze gitaarmuziek. Dat de Nederlandse taal ook in staat is om dergelijke, soms bijna Frans aandoende chansons te produceren, bewijst Jaap Fischer met een voorlopig ongeëvenaard meesterschap.’

1961-1963. Ik kan Fischers werk moeilijk vergelijken met de harde tijden die Bob Dylan in dezelfde jaren in New York doormaakte.

Zijn liedjes hebben ook weinig te maken met wat Serge Gainsbourg in die dagen vingerknippend deed voor een jukebox waar jazz, twist, chachacha en mambo uit kwam.

Kleinkunst is het. Kleinkunst die niet zóveel verschilt van die van Kor van der Goten, een uit iets zuidelijker gelegen lowlands afkomstige zanger. In timbre en cadans legt van der Goten veel meer dan Fischer een carbonnetje onder Georges Brassens, dat wel: ‘Wij bestelden een thee / in een stemmig café / en het ene bracht / ja, ook het andere mee’.

Nog een voorbeeld:
 

 
Klinkt als:

 
Ik heb eigenlijk geen voorbeeldartiest gevonden naast wie Jaap Fischer is gaan lopen. De man is een universum op zich. De studentenstad Leiden dient hem tot achtergrond. Hij fietst er soms dronken in rond, en bezingt in de minst goeie songs zijn katers en de meisjes die hij al dan niet ‘heeft gehad’. Een woordje Latijn binnensmokkelen was toen ook een goeie grap. Er wordt gelukkig nergens een codex opengeslagen op bladzijde 223. Het haar is tot over de oren kort geknipt.

Without furher ado: mijn Jaap Fischer-Top 5! Het allerbeste uit 1961-1963!

5. ‘Jan Soldaat’. Geschreven uit sympathie voor de wanhopige loner. ‘Jan was een vrolijke soldaat / Hij gooide alleen z’n handgranaat / Voor vrouw en kind en vaderland / En hij gooide ‘m alleen van hogerhand’. Mensen spogen voor hem op de stoep. Kinderen riepen pies, poep en vuile, vuile moordenaar. In het hele land was immers geen één militair meer. Alleen Jan bleef over. Maar dan belt de koning: ‘De vijand staat al voor Maastricht / Pak je kanon en doe je plicht’. Verloopt voorts weemoedig, alsook absurd.

4. ‘Tem me dan’. Aan het begin Spaanse gitaar: ‘We zijn bevriende mogendheden / En als je straks wordt overreden / Meld ik me als de dader aan / Zoiets had iedereen gedaan’. Wat volgt munt evenmin uit in rozengeur en maneschijn: ‘Als ik ooit terugkom / Weet dan goed waarom / Niet omdat je mooi bent want dat ben je niet / Niet omdat je slim bent want dat ben je niet / Niet omdat je koken kan, dat kan je niet / Maar alleen omdat ik geen ander weet’. Alles ontaardt in een nog grotere scheldpartij en in de ‘macabere cynismen’ van de hoestekst van hierboven! Ik heb ‘Tem me dan’ ooit horen brengen door een akoestische Daan, in een klein zaaltje van de Brusselse Botanique, voor een voornamelijk Franstalig publiek. Which was nice!
 

 
3. ‘Monniken’: ‘Daar woonden twee monniken Hans en Joop in een klooster op een heuvel / ze sleten hun tijd, en dat was een hoop, met sigaren, wijn en gekeuvel’. Overal de sfeer van afwezige jodelecho’s. Een meisje trekt bij Hans en Joop in, en dat leidt tot een zeugma: ‘In het klooster ging de wijnfles rond / in het dorp de roddelverhalen’. Stichting Okapi/Stichting Jan Rot bekroonde een tijdlang elk jaar ‘jaloersmakende eigenzinnigheid’, en de 2007-versie van ‘Monniken’, die op een in eigen beheer uitgebrachte cd van Joop Visser en zijn vrouw Jessica van Noord staat, kreeg dat jaar die okapi. Jan Rot is een eenmansjury en tevens voorzitter van de Stichting (en in zijn eigen woorden: ook boeker, ontwerper, webmaster en meisje van de publiciteit in één) die een liedkunstenaar bekroont ‘zonder aanziens des persoons, los van commerciële waarde, status of verkrijgbaarheid van het werk’. Visser is niet alleen dé ideale winnaar, hij won in 2007 al zijn tweede okapi. Hij had zich opnieuw ingeschreven met de mededeling: ‘Twee okapi’s is zoveel gezelliger’. Met dit soort onzin kleur ik graag mijn dag.

2. ‘Sprookje’. Een huwbare prinses krijgt drie mannen aan de kasteelpoort die over de liefde komen vertellen: een geleerde, een vreemde snoeshaan en Hans. Natuurlijk wint Hans. Maar hoé? Zoekplaatje met datingtip!
 

 

1. ‘Het ei’: ‘Ik kocht een ei / De melkboer zei / ’t Komt zo onder de kip vandaan / ‘k Ben nog te laat van huis gegaan om ’t mee te kunnen nemen / Hier heeft u een jong leven, voor 16 cent of meer / En namens de ouders smakelijk eten meneer’. Toendertijd schreef men over songs als deze: ‘De lach en de traan zijn beiden vertegenwoordigd in een omlijsting van melodieuze gitaarmuziek.’ In de clichés van onze tijden besluit ik – als betrof het een reactie op een Youtubepost – met ‘Beste. Nederlandstalige. Song. Ooit!’. Maar ik meen het wel.
 

 
Dit zijn ze allemaal:
 

 
Dit is wat op Spotify staat: