Dream baby dream

 
image
 
Bruce Springsteen
Nebraska
1982

 

Nebraska betekent ‘vlak water’. Ñí Brásge was de naam die de Otoe-indianen gaven aan de rivier die nu Platte River heet. De Duitsers en Tsjechen die in de 2e helft van de 19e eeuw de streek binnenreden maakten er Nebraska van.
 
image
 
Bruce Springsteens ‘Nebraska’ is een plaat van 1982. Het is in de tijdslijn exact de middenstip tussen ‘The river’ (1980, goud) en ‘Born in the U.S.A.’ (1984, multi-triple-platinum, alleen Michael Jackson bleef populairder).

‘Nebraska’ is een door Springsteen op z’n eentje (en thuis bij een kop koffie) opgenomen viersporendemo die ei zo na op cassette moest worden uitgebracht. Reden? De op te laag volume opgenomen songs moesten bij het masteren ruisonderdrukkend worden opgelapt met een middeltje veel straffer dan Dolby, want er pakte aanvankelijk niet veel op vinyl. Wat aan die Rauschunterdrückung voorafging: Springsteen had de songs ook met zijn E Street Band opgenomen, maar de viersporenopnamen bleken de desolate sfeer veel helderder te vatten.

Berichtje uit 2012 dat zomaar ergens ’s middags opduikt op alle krantensites: ‘Kort na het afwerken van ‘Nebraska’ moest er een psychotherapeut aan te pas komen om de destijds met een depressie kampende Bruce Springsteen van zijn (serieuze) zelfmoordneigingen af te helpen. Dat is te lezen in de nieuwste editie van het tijdschrift The New Yorker. Oorzaken van zijn problemen waren een onverwerkte traumatische ervaring in zijn jeugd en het feit dat hij middenin een overgang zat van ‘nobody’ naar wereldster. Dankzij therapie leerde Springsteen beter omgaan met zijn roem.’

Is niks van gelogen. Wat wel een beetje wringt aan zo’n typisch we-lichten-een-quote-uit-een-stuk-en-we-hebben-zelf-een-online-stuk: dat van die depressie en die therapeut staat op bladzijde 15 van de prints die hier voor me liggen. De zeer gelaagde en uiterst genuanceerde reportage van Pulitzerprijswinnaar David Remnick is langer dan een magazine dat in het weekend uit de krant valt.

Na wat begrijpend lezen beginnen in deze minibiografie een paar rode draden en patronen op te vallen.

1. Wie wordt er gemist in de E Street Band? De doden zijn een saxofonist en een toetsenist die 30 jaar met de groep hebben getoerd. Springsteen: ‘There are absences that are hanging there. That’s what we’re about right now, the communication between the living and the gone. Those currents even run through the dream world of pop music’.

2. Het bizarre, maar indrukwekkende heen-en-weer van Springsteen: van songs over economische recessie naar fuifbeesten die de good times laten rollen… van roze cadillacs en een hek rond zijn ranch naar Woodie Guthrie’s ‘This land is your land’ (met de eigendom-is-diefstal-strofe erbij)… van centrum-linkser engagement naar vijfsterrenhotels… van een speech op het podium naar de show die moet verdergaan… van die drie uur durende show naar leeftijdbeperkingen die beginnen op te duiken… van een vuist in de lucht voor Mexicanen die op gevaar voor eigen leven de VS binnensluipen naar een nieuwe Titiaan of Delacroix in de privécollectie van zijn manager… en ook van de zwarte hond genaamd depressie die de artiest meezeult naar de transformatiedeur die naar het podium leidt: op dié plek wordt hij pure, onversneden hoop en louter positieve uitstraling. Springsteen zelf: ‘It’s half a joke. I go onstage and – snap – ‘Are you ready to be transformed? What? At a rock show? By a guy with a guitar? Part of it is a goof, and part of it is: ‘Let’s do it, let’s see if we can’.

3. Bruce Springsteens vader. Oké, rock is een verhaal van vaders en zonen. Gitarist Steven Van Zandt relativeert het verhaal van Springsteen: ‘Alle vaders waren in die tijd angstaanjagend’ en ‘Die mannen kwamen uit de oorlog, en hadden de suburbs gebouwd, en wat deden wij? Ons verkleden als meisjes.’ Maar Springsteens bijna altijd zwijgende, na een rotdag op het werk in een donkere keuken sixpacks hijsende depressieve vader heeft serieuze sporen nagelaten: ‘It’s the subject of my life. It’s the thing that eats me and always will. My life took a very different course, but my life is an anomaly’.

Pre-Nebraskasongs als ‘Adam raised a Cain’ en ‘Independence day’ gaan al over de vader. Iedereen die Springsteens lange jaren 80-speeches heeft gehoord, weet dat de paar positieve woorden die zijn vader tot hem richtte dé essentiële krop-in-de-keelmomenten zijn. Voorbeeld? De liveversie van ‘The river’. Springsteen heeft jongens uit New Jersey niet weten terugkomen uit Vietnam, wordt een paar jaar later zelf afgekeurd voor legerdienst en verwacht van zijn vader een donderpreek. Maar die komt er niet.

Mooiste live-intro: die op een concert in 1990 van de Nebraska-song ‘My father’s house’, dat verhaalt over nachtelijke (droom)ritten naar het ouderlijke, inmiddels verlaten huis. De therapeut vertelt hem dat er iets heel slechts is gebeurd, dat hij ernaar teruggaat, en dat hij denkt dat hij iets kan oplossen door ernaar terug te gaan. ‘And I sat there’, zegt Springsteen tot de menigte, ‘and I said: ‘That IS what I’m doing’. And he said: ‘Well, you CAN’T.’
 

 
De song ‘Born in the U.S.A.’ dateert ook van deze demoperiode, maar werd opzij gelegd voor later, met de ons allen bekende gevolgen. Nadat een invloedrijk conservatief journalist verslag deed van een Springsteenoptreden en compleet naast de geëngageerde teksten luisterde en de artiest reduceerde tot het patriottische ‘Born in the U.S.A.’-refrein – Yankee Doodle Springsteen was de titel van het verslag – kwam de vreselijke Ronald Reagan een week later voor de dag met zíjn rechtse recuperatiepoging: ‘America’s toekomst ligt besloten in de boodschap van hoop in songs geschreven door New Jersey’s onovertroffen Bruce Springsteen.’ De artiest was razend, begon opnieuw de ‘Nebraska’-demo te spelen die de tekst beter uitlichtte, en kondigde vanop het podium ook de song ‘Johnny 99’ aan, over een man die ontslagen wordt, dronken is en iemand neerschiet; hij wordt veroordeeld tot 99 jaar gevangenschap en vraagt om gewoon ter dood gebracht te worden. Stuk tekst waarin Johnny iets zegt in de rechtbank: ‘Now judge I got debts no honest man could pay / The bank was holdin’ my mortgage and they was takin’ my house away / Now I ain’t sayin’ that makes me an innocent man / But it was more ’n all this that put that gun in my hand’. Springsteen vanop een podium: ‘Ik hoorde dat de president mijn naam vermeldde, en ik vroeg me af welke plaat van mij hij het liefst hoort. Het zal wel niet ‘Nebraska’ zijn.’
 

 
De donkerte van ‘Nebraska’ dus. De New Jersey Turnpike wordt genomen, maar ’t is een zaak van ridin’ on a wet night, met een revolver in het handschoenenkastje, zonder rijbewijs en met talk radio die de man aan het stuur elk moment gek gaat maken. De zin ‘Debts no honest man could pay’ komt twee keer voor. Eén keer heeft een jonge man de bedoeling om z’n liefje op te pikken en de horizon tegemoet te rijden, maar hij zingt: ‘Last night I met this guy and I’m gonna do a little favor for him’; in Atlantic City, dus een klus in het zwart, en wie weet nog veel erger.
 

 
Eén keer pikt iemand zijn liefje écht op, en in zin 2 sterven meteen ten innocent people. De ikfiguur is Charles Starkweather. Die pikt in 1958 Caril Am Fugate op. Ze vluchten. Er vallen 10 doden. Starkweather toont later geen berouw. Terrence Malicks prachtige film ‘Badlands’ gaat over dit alles behalve komische duo. Springsteens vertelling is nóg huiveringwekkender.
 

 
Hét horrormoment op deze op twee uitzonderingen na – ‘Used cars’ en ‘Open all night’ – zeer koude en onverschillige vertelling is het door het eveneens alles behalve komische duo Suicide beïnvloede ‘State trooper’. Suicide was Martin Rev en Alan Vega. Ze choqueerden zelfs downtown New York met een melange van reverb, ijskoude synthesizers, hautaine playback, fuck you-zonnebrillen, fifties rock’n’roll en industriële noise. Hun meest genadeloze song is ‘Frankie Teardrop’: een man verliest z’n job, en brengt vrouw en in de wieg liggende baby om. Na veel ontregeling en veel geschreeuw stottert Vega: ‘We’re all Frankies / We’re all lying in hell’. Fuck! Echt waar, wat een song! ‘Mister state trooper, please don’t stop me’, zingt Springsteen, die uitgerekend de sfeer van dié Suicidesong unplugt: ‘Maybe you got a kid maybe you got a pretty wife / the only thing that I got’s been botherin’ me my whole life’. De hoofdpersoon bedoelt: laat me met rust, trooper, of ik knal je kop eraf. De Whoa!, de Oe-hoe! en het schelle Hoo! zijn de drie indrukwekkendste momenten van ‘Nebraska’.
 

 

 
Springsteen laat Suicide ook later in z’n carrière niet met rust: hij zal hun ‘Dream baby dream’ coveren, hij herneemt en herneemt de Dream baby dream-mantra, en weeft gaandeweg hoop en verlossing in, stijl ‘I just wanna see you smile’. Een zeer mooie gospel. Geschreven vanuit ervaring met depressie? ‘Waarschijnlijk’ is een kwisantwoord het opgooien waard.
 

 

 
‘Nebraska’ is een krachttoer. En lef buiten categorie. Armoede, ellende, misdaad, een moordenaar die zegt: ‘I guess there’s just a meanness in this world’, ze worden nergens overwonnen of gerelativeerd door streetwise gedrag, een kwinkslag of geloof in beterschap, nochtans dé handelsmerken van Springsteen voor én na ‘Nebraska’.

Correctie: er gloort een héél klein beetje hoop in afsluiter ‘Reason to believe’. Een man staat in de kerk te wachten op zijn bruid, maar ze komt niet opdagen. Hij staart in de rivier, verwonderd dat alles stroomt: ‘He’s wonderin’ where can his baby be / Still at the end of every hard earned day people find some reason to believe’.

Men noemt Springsteen The Boss. Iedereen die een van zijn grote misvieringen heeft bijgewoond weet waarom. Ik heb gewoon geprobeerd te vertellen dat hier en daar iemand meeluistert vanuit ‘Nebraska’.
 

 

 

Stadsruïnes

 
image

 
image
 
Joy Division
Closer
1980

 

Joy Divisiontussendoortjes en -achterafjes als ‘Atmosphere’, ‘Autosuggestion’, ‘Dead souls’ en ‘Love will tear us apart’, het zijn allemaal uitstekende songs uw aandacht waard. Zelfs de prille Joy Division is interessant: ‘Novelty’ zit nog vol Sex Pistols (de groep werd aan de toog na het eerste Pistolsconcert in Manchester opgericht), ‘Something must break’ wijst al vooruit naar een Bauhausplaat van niet veel later.

Maar, maar en nog eens maar: zoals er drie Jimi Hendrixplaten zijn en de rest op z’n best wordt bijeengesprokkeld om iets onder de kerstboom te leggen, zo zijn er twee Joy Divisionplaten. Ze heten ‘Unknown pleasures’ en ‘Closer’. Ze staan alle twee in Honderd. ‘Unknown pleasures’ staat op 18, ‘Closer’ op 4.

De songs van ‘Closer’ komen recht uit Schemerland. Ze knippen als kattenogen aan op het moment dat ook de lichtjes in de huisjes worden aangestoken. Ze blazen soms warm en koud. Ze hebben na een tijd op de fiets nog last van bevroren handen en voeten terwijl de rest van het lichaam al aan het zweten is.

Daar is een technische verklaring voor. Sommige danserige synthgeluiden, de drums die een veelheid van ritmes in geduwd worden, de bas die zeker niet minder dan op het debuut ‘Unknown pleasures’ vooraan wil staan en de soms heel afwezige en dan weer harder uithalende gitaar, ze komen meestal veel minder uit de verte en uit de donkerte dan de baritonstem van Ian Curtis, een man die op ‘Closer’ een indrukwekkend curriculum van ontgoochelingen heeft opgebouwd.

Soms schuren die werelden over elkaar als verschuivende aardlagen. In de twee afsluiters vloeien Curtis en groep samen, maar dan aan de Curtiskant van ongevoeligheid voor het laatste beetje optimisme. Curtis horen zingen is je afvragen: ‘Hoeveel Danteske hellekringen heeft die man achter de rug?’ En dat terwijl hij geeneens ‘op het midden van zijn levensweg was aangeland’, zoals Dante Alighieri toen hij aan zijn Inferno begon. Curtis bevond zich wel ‘in een zeer donker woud’ en was ook in zekere zin ‘van het rechte pad afgeweken’.

’t Is in ’s mans teksten niet echt een kwestie van de wagen des doods door de stad weten rijden en het gebeente horen rammelen. De horror zit veel inwendiger. Het boek ‘The atrocity exhibition’ van J.G. Ballard is perfecte inspiratie, en een goeie titel voor de opener van ‘Closer’. Een directeur van een psychiatrische inrichting doet in het Ballardverhaal verslag van zijn eigen mentale instorting. Of doet iemand anders verslag in zijn plaats? Iemand schreef erover: ‘Is dit louter het falen van de in mentale stoornissen gespecialiseerde dokter of eerder dat van de collectieve wereld, die vanaf 1970 permanent aan sensatiebeluste media is blootgesteld?’ Komen veel aan bod: Marilyn Monroe, de Zapruderfilm van de moord op president Kennedy, oorlogsreportages uit Vietnam en de bom op Hiroshima, allemaal beelden waardoor het hoofdpersonage is geobsedeerd, en die worden beschreven als sleutels tot een nachtmerrie waarin we allemaal een rol spelen. Wereldoorlog III is ondertussen een ‘conceptuele act’ geworden, want ‘de beelden zouden weleens een heel andere rol kunnen spelen dan we denken’. En dan zijn we nog maar aan het begin. Ik heb het boek niet uitgelezen, ik heb de film uit 2000 in de DVD-speler gestoken, maar die film volgt het boek zo nauwkeurig in z’n gedeconstrueerde verhaallijnen dat ik opnieuw niet veel kreeg samengepuzzeld. Waar het me om gaat: uitgerekend dat boek stond in de tienerkamer van Ian Curtis.
 
image
 
image
 
Curtis’ tekst is overigens een nog letterlijker Tentoonstelling Van Verschrikkingen: ‘Asylums with doors open wide / Where people had paid to see inside / For entertainment they watch his body twist / Behind his eyes he says, ‘I still exist.’
 

 
De uitwaaierende Can-ritmes van Stephen Morris hebben in ‘Atrocity exhibition’ meteen meer ruimte nodig dan op het debuut ‘Unknown pleasures’, de bas van Peter Hook is solider, de gitaar van Bernard Sumner maakt op die grotere schaal grotere vlekken, de vertraag- en weerkaatseffecten van producer Martin Hannett kruipen veel meer in de muziek dan op het debuut.

Tegelijk is de tweede plaat natuurlijk niet zó verschillend van de eerste. ‘Isolation’ is de dansante partner van ‘She’s lost control’: de synths zijn ogenschijnlijk eenvoudig, de beat die 1’44” ver invalt is nog simpeler, maar noem mij één jaren 80-single van eender welke Grauzone, Gang Of Four of Orchestral Manoeuvres In The Dark die in de buurt komt. Hoe het isolement in de tekst verbeeld wordt? Via ‘Surrendered to self-preservation / From others who care for themselves’. Mogelijk ook via ironie: de tekstschrijver geeft zichzelf aan het eind een prijs.
 

 
Ondertussen dendert de plaat door. ‘Closer’ is zeer zompig in de bas (‘Passover’, ‘A means to an end’), wordt een wriemelende, dichtbevolkte wereldstad van bassen, drums en gitaren (‘Colony’) en loopt vooruit op het hardere geluid van groepen als The Wipers en Hüsker Dü van een paar jaar later (‘Twenty four hours’). De song met ‘Heart and soul / One will burn’ is een meesterwerkje dat op subliéme wijze alle ritmische kanten uit hinkt en struikelt.
 

 
En dan is er het deprimerende einde. ‘The eternal’ is een rouwstoet in tekst én klank. Producer Martin Hannett moet hier geroepen hebben: ‘Nóg een pot chrysanten.’ In de tekst gaan geliefden weg en liggen bloemen in de regen. Van achter een hek kijkt de hoofdpersoon – kennelijk versuft door het vreselijke lijden dat hij onderging – naar mensen die als wolken voorbij trekken. Troostelozer dan hier wordt het niet: klinkt alsof heel de groep eerst een week lang verplicht werd non-stop naar ‘Born to be alive’ van Patrick Hernandez te luisteren.

Afsluiter ‘Decades’ is de mooiste Echternachprocessie uit de popmuziek: ‘Watched from the wings as the scenes were replaying / We saw ourselves now as we never had seen’ klinkt als een inzicht dat te laat komt, maar vooral als een laatste zicht op Schemerland van hoog in de lucht. Van hier af wordt het echt donker.
 

 
Kijk, ik wil het best hebben over de prachtige versregels vol uitgestuurde S.O.S.-jes die beginnen met ‘Existence well what does it matter?’ of ‘I never realised the lengths I’d have to go’. Natúúrlijk heeft de tweede Joy Division een graftombe op de hoes. Natúúrlijk heet hij ‘Closer’, en dat kan ‘dichterbij’ betekenen, maar ook ‘afsluiter’. Omdat de zanger zich ophing aan z’n droogrek kennen we ‘Closer’ vooral als ‘afsluiter’, en het eightiesdecennium als één dat begon met een eindsalvo.

De man die de foto voor de hoes had gekozen dacht pas ná de zelfmoord van de jonge marmeren gigant: ‘Fuck!’ Peter Hook was de eerste die eerlijk zei: ‘Wij hebben nooit naar de teksten geluisterd.’ Deze mensen hadden gewoon een tweede plaat gemaakt, en die was uitstekend, en iedereen stond stijf van de ambitie, en Curtis hing zich op, precies op de avond voor de groep naar Amerika zou vliegen. Iemand daarover: ‘We were only 24 hours from Tulsa’.

image

Beste zelfmoordprofetie-of-toch-niet-tekst: ‘The past is now part of my future / The present is well out of hand’.

Odes aan Joy Division? Massa’s. De invloed op wat na hen komt is immens, en zit overal in de kleinste kieren en gaten: in de graphic novel ‘The crow’, in de baslijnen van R.E.M., in motto’s voorin poëziebundels, …

New Ordersingles (‘Blue monday’, ‘Everything’s gone green’, het geweldige ‘Crystal’), The Cure op ‘Pornography’, flarden Interpol… ze blijven al bij al beleefde receptiebabbels vergeleken met het Joy Divisionorigineel, dat meer op een gesprek met een goeie vriend lijkt, ter hoogte van pint 4 en sigaret 3, en nog een paar uur te gaan voor de laatste trein.

Dit groepje uit de nieuwe lichting, dat soms meer als The Sound en Siouxsie and the Banshees klinkt dan als Joy Division, raakt wel een snaar. De intro is er bijvoorbeeld al boenk op:
 

 
Een raar moment is ‘The overload’, de afsluiter van Talking Heads’ ‘Remain in light’. ‘Gemaakt zonder Joy Division gehoord te hebben, afgaande op de recensies in de Britse pers’, liet de groep noteren. Ofwel compleet gelogen, ofwel is de Britse pers geniaal, want ‘The overload’ klinkt helemaal als Joy Divisions
‘I remember nothing’ uit de debuutplaat. Nu ik erover nadenk: als er niet is gelogen, is dat geen bewijs dat de Britse pers geniaal is. Het kan bovendien zijn dat er gelogen is door Talking Heads en dat de Britse pers toch geniaal is. Waarschijnlijk zijn er nog mogelijkheden.

Een heel mooie ode aan Joy Division is van het in hedendaagse klassieke muziek gespecialiseerde ECM-label, en komt van de verpakkingsafdeling. Het gaat over het Mc Donald’s-doosje (de hoes) en zelfs niet meer over de groenten en de sauzen bij de hamburger (de producer), en dus helemaal niet meer over de essentie, namelijk wat er in het vlees en het broodje wordt gedraaid (de kwaliteit van de songs).

Soit, mag ik alsnog de mensen van ECM proficiat wensen voor de grijstinten en de esthetiek die niet zomaar aan hoezen van Joy Division doen denken? ECM gebruikt in z’n logo iets dat lijkt het lettertype van ‘Unknown pleasures’, en
onderlijnt op dezelfde manier. Eens iets anders.

image

De zelfmoordmotieven van Ian Curtis zullen we uiteraard nooit kennen. Er was het drama van een man die niet kon kiezen tussen girl next door (Curtis’ vrouw met wie hij al op z’n 18e trouwde) en iemand van de jeunesse dorée (Curtis’ Belgische vriendin). De zanger werd door zijn platenfirma aan Amerika ook beloofd als een Jim Morrisonachtige sjamaan. Dat terwijl de man zich van het ene epileptische insult naar het andere sleepte, waardoor hij mogelijk niet altijd evenveel zin had in Morrisons break on through to the other side. Voor zover ik het verhaal een beetje gevolgd heb, had Curtis niet echt plannen om een grote rockcarrière uit te bouwen.

Begin 14e eeuw schrijft Dante over ‘iemand die plotseling neervalt maar niet weet waardoor’: ‘Wordt hij door een duivelse kracht op de grond gegooid of is het een lichamelijke aandoening die mensen overvalt?’ Maar laat ik het een beetje logisch houden: de allerbeste ode aan Curtis kan moeilijk uit de 14e eeuw komen. Ik kies dus voor fellow Mancunian en bizarre grappenmaker Mark E. Smith van The Fall, die twee jaar na Curtis’ dood in de eindejaarsvraagjes van een Brits muziekblad gepolst wordt naar zijn favoriete stand up comedians, en antwoordt: ‘Ian Curtis-imitatoren’.

Twee films zijn er. Anton Corbijns ‘Control’ focust in die mate op het liefdesdrama dat ik aan het eind begon over de handigheid van een droogrek dat je kan optrekken. ‘Moeten we in investeren’, zei mijn vrouw, waarna het toch nog gezellig werd.

De documentaire van Grant Gee (die ook ‘Meeting People Is Easy’ maakte over Radiohead) is veel beter. Aan het begin zegt Tony Wilson, de man die Joy Division tekende op zijn Factory Records: ‘Manchester in de mid-seventies voelde als een stuk geschiedenis dat was uitgespuwd. Het was een van dé plekken geweest waar de industriële revolutie was uitgevonden, en dus ook de uitwassen ervan. A grimy, dirty old town.’

Ik ga van Wilson geen heilige maken: de man is een haai uit de muziekindustrie zoals zovele anderen. Plus: het verband dat hij trekt tussen de big bang van Joy Division en zijn Factorylabel enerzijds en de ravescene rond Happy Mondays en de Haciendaclub van bijna 10 jaar later zou je evengoed kunnen torpederen via het verhaal van het door de stad en door Factory uitgespuwde The Stone Roses. Als u ooit één documentaire wil zien waarin de wereld van gewoon schrijnend vervaagt in In de gloria-schrijnend, en u nooit zal weten waar de grens ligt, moet u dat verhaal eens bekijken. Zeer kort samengevat: The Stone Roses werden opgelicht door een kapper. Maar The Roses waren wel dé inspiratie voor dé biggies van Manchester, Oasis, lieden die van Joy Division niet veel moeten weten, en van de boeken van Oscar Wilde die de zanger van The Smiths las nog minder.

Dus: aan de hand van popmuziek geschiedenis willen schrijven, het is en blijft een kwestie van standing on shakey ground. En toch! De documentaire van Grant Gee begint met beelden van de industriële verpaupering in Manchester, en dus van kinderen die in het gruis spelen. Bernard Sumner zegt: ‘Ik denk niet dat ik een boom heb gezien voor ik 9 was.’

Een moderner vergezicht staat voor de heropstanding van de stad. Op het scherm verschijnt: ‘To be modern is to find ourselves in an environment that promises us adventure, power, joy, growth, transformation of ourselves and the world, and at the same time that threatens to destroy everything we have, everything we know, everything we are.’

Ik laat niks meer etteren, dus ik zoek het op. De man van de quote blijkt Marshall Berman te zijn, een in 2013 gestorven New Yorkse stadsantropoloog met een zicht op de frontlinie van The South Bronx. Een film over hem toont de uitgebrande huizen van de Bronx in jaren 70. Het ooit zeer leefbare stadsdeel was in twee gesneden door de aanleg van een stadsautostrade en metrowerken. Huiseigenaars verwaarloosden hun eigendom, de middenklasse vluchtte naar de buitenwijken. Bermans stelling: ‘De gebouwen branden aan de ene kant van de straat, de kids proberen iets te maken aan de andere kant. Net uit dát halfvernielde stadsdeel komt een boodschap voor de rest van New York in de vorm van graffiti. Op die grijze, totaal vervallen metrostellen schilderen mensen exuberante letters, namen, motto’s en reliëfs. Vandaag zijn er al die films van toen. Alles is grijs. De huizenblokken zijn uitgebrand. En dan rijdt er een trein over een brug, en die ziet eruit als een regenboog. Dat is aangrijpend. De volgende incarnatie wordt rap. Het begint bij een jongen met kleine speakers en een drumtrack in de subway. Nu is het de belangrijkste vorm van wereldmuziek. Het is goed om te onthouden dat het allemaal van daar komt. Het is een parabel voor een wijk die een ruïne was geworden, maar die opnieuw opveerde.’
 

 
Ik vlucht van de parabels over de seventiesruïnes van Manchester en New York naar de realiteit van mijn lijst, want uitgerekend dié geboorte van hiphop – die inderdaad eerst via kleur kwam, en dan via klank – is in de tweede helft van de jaren 70 echt beleefd in de South Bronx, door twee neefjes die als zeer jonge knaapjes helemaal van de andere kant van de grote appel naar de block parties afreisden. Eenmaal groot en tougher than the rest maakten ze een plaat die zich naar nummer 3 elleboogt.

Besluit: de wedstrijd om de derde plaats tussen Manchester en New York was zeer spannend. New York heeft uiteindelijk brons gehaald.

image

image

 

 

Een snel ronddraaiende ster in haar eindstadium

 
image
 
Joy Division
Unknown pleasures
1979

 

‘Let’s dance to Joy Division / And celebrate the irony / Everything is going wrong / But we’re so happy’ zingen The Wombats in 2007. Prima, maar op hoeveel Joy Divisionsongs kúnnen we eigenlijk dansen? Akkoord, op ‘Love will tear us apart’, een pracht van een single die me altijd aan ‘Go your own way’ van Fleetwood Mac doet denken.

Ook op ‘Transmission’ en ‘Isolation’ valt een beentje te strekken. Misschien lukt het zelfs op ‘She’s lost control’, het enige halfdansante moment op het debuut ‘Unknown pleasures’.

Het verhaal rond ‘She’s lost control’ is bekend: zanger Ian Curtis werkte als Assistant Disablement Resettlement Officer, wat wil zeggen dat hij ergens in Manchester achter een bureau zat om gehandicapte leefloners te activeren. Een meisje met epilepsie, voor wie hij een paar dagen eerder nog had proberen werk te vinden, was aan een aanval overleden, en dat had Curtis geraakt, misschien ook omdat hij uitgerekend zelf op het punt stond om zijn eerste epileptische aanval te krijgen. Het is achteraf verleidelijk om te denken dat de kunstenaar in zijn eigen toekomst keek, of alvast symptomen voelde van wat zich daadwerkelijkheid uren tot soms dagen later als epileptisch insult kan voordoen. Het is zo dat Curtis via deze song zijn rare vlinderdans met de armen vervolmaakte, een act die hem zijn podiumprésence gaf, die de gezichten op stand ‘verbaasd’ zette en die we de epilepsiedans zouden kunnen noemen. Een dans ook waarop we ons op z’n Wombats ironisch zouden kunnen uitleven, maar na een halve minuut in onderstaande video ben ik al vergeten wie die Wombats zijn.
 

 
Zal ik er ook maar JD’s eerste televisie-optreden tegenaan gooien? Granada TV was een zender uit Manchester. De man die de groep inleidt is Tony Wilson, die hun platenbaas zou worden.
 

 
De eerste JD-song die de na-aappunk van de korte aanloop Warsaw overstijgt is niet toevallig de eerste die ze met producer Martin Hannett opnemen, en heet ‘Digital’. Een o zo vaak terugkerend verhaal wordt hier nog eens verteld: gebrekkig materiaal is de weg naar een eigen smoel. Gitarist Bernard Sumner speelt riffs en akkoorden, zijn versterker is defect en werkt alleen als hij op maximum staat. Bassist Peter Hook speelt het gros van de melodieën, maar kan zichzelf op repetities alleen horen als hij hoog speelt. De drums van Stephen Morris klinken hier nog gewoner dan op ‘Unknown pleasures’, ze vlerken nog niet rond, onder en boven dit geluid. Daartussen Ian Curtis: ‘Day in / day out’ en ‘I feel it closing in’.
 

 
Omdat hij ook van 1979 is, besluit ik de film ‘Alien’ nog eens te bekijken. Het vuile, donkere ruimteschip vol uitsteeksels (waarin het monster vol uitsteeksels moeilijk te zien is), de algehele somberte van grijs en zwart (met af en toe een spatje laserstraalgroen) en het dystopische verhaal zitten de sfeer van de plaat op de hielen. De iconische hoes van ‘Unknown pleasures’, een 3D-grafiek van de met een radiotelescoop opgevangen geluiden van een pulsar (een snel ronddraaiende ster in haar eindstadium), doet me heel hard aan het Nostromo-schip van ‘Alien’ denken.

image

Producer Martin Hannett ook, want die leeft in zijn eigen ruimteschip. Tijdens de opnamen van ‘Unknown pleasures’, dat na drie weekends klaar is, laat hij de groep alles eerst spelen zoals ze het voor ogen hadden, waarna hij hen aanmoedigt ook met synthesizers en een drummachine te werken en hen dingen toeroept als ‘Doe het meer cocktailparty’, ‘Een beetje geler’, ‘Groots, maar nederig’, ‘Sneller, maar trager’.

Dan begint Hannetts bloedeigen sciencefiction. Hij heeft een toestelletje om gitaargeluiden de kop in te drukken, en beschikt over een AMS 15 bit digitale delaymachine die de snare drum tot Morris’ verbazing in een doosje stopt. Hannett was een met drugs vertrouwde, wat rare visionair die op de een of andere manier zelfs betrokken was bij de ontwerpen van de firma Advanced Music Systems. In het sublieme ‘Insight’ zitten pieew-geluidjes die aan Space Invaders doen denken. De song begint met de liftschacht in het studiogebouw. Opnamen werden in de lift gemaakt, en met Lesleyspeakers die geluid centrifugeren. De Curtis-mantra ertussen: ‘I’m not afraid anymore / But I remember / When we were young’.
 

 
Maar mag opener ‘Disorder’ ook meedoen? Hier cirkelen drums rond zoals drums nooit eerder rondcirkelden, de hoge fonkelbas valt in, dan is er die jeuk- en kriebelgitaar die niks meer met punk of molenwieken of een harde aanslag te maken heeft, tussendoor de rare achtergrondgeluiden van Hannett die nog steeds tot de meest opwindende ambient uit de muziekgeschiedenis behoren, en dan de onwezenlijke bariton van Curtis: ‘I’ve been waiting for a guide to come and take me by the hand / Could these sensations make me feel the pleasures of a normal man?’ ‘Disorder’ klinkt als een stadionrocker in de mist die twee decennia te vroeg is geschreven.
 

 
‘Day of the lords’ is heel wat anders: een rare doommetalsong, geluiden die worden beteugeld, soms een vaal synthesizerzonnetje dat door de wolken priemt.

‘Candidate’ is een traag op gang komend soort dub waarin een gitaar als een hond jankt. Als de instrumenten stilletjes verdwijnen is het alsof een officiële instantie in 1979 het universum voor koud en onverschillig verklaart.

‘New dawn fades’ is het hoogtepunt, de song ook die mij er nooit in doet slagen naast de teksten van Curtis te luisteren. Schuld, wroeging, falen en zelfbewustzijn dat nergens toe leidt, ze zijn allemaal van de partij: ‘It was me, waiting for me / Hoping for something more’.
 

 
‘Shadowplay’, ‘Wilderness’ en ‘Interzone’ herinneren aan het primaire Warsawgeluid. Twee van de drie gebruiken de achtersteegjes van de stad als decor voor vervreemding en eenzaamheid, in eentje wordt er zelfs door de tijd gereisd, maar ook daar valt niet veel goeds te rapen.

Mensen hebben ‘Unknown pleasures’ een verinnerlijkte stadsscan genoemd, een sciencefictionversie van Manchester, een harde pil ook én een door de producer ondoordringbaar gemaakte plaat. Afsluiter ‘I remember nothing’ verklaart de sfeer van ondoordringbaarheid: dit is traag, dof, een echokamer waarin alle verval met mekaar correspondeert. Aan het eind wordt nog met iets gegooid ook.
 

 
Drummer Morris was fan van de proto-elektronica van Can (da’s ook in zijn drumstijl te horen), dus hij vond de Hannettaanpak geweldig. Zanger Curtis was ook tevreden: zijn somberte is in een paar songs opvallend aanwezig.

Maar gitarist Sumner en bassist Hook, die meer de energie van hun optredens op de magneetband wilden, moesten met lede ogen aanzien dat zowat iedereen hun debuut fantastisch vond, alleen zij niet.

Hook later hierover, al lachend: ‘Da’s de enige keer dat wij twee het ooit zijn eens geweest.’