Terwijl de hele wereld verbrokkelt

 
image
 
 
image
 
Bob Dylan
Time out of mind
1997

 
 

Vandaag komt ‘Time out of mind’ binnenwandelen als een deel waarin we het geheel kunnen zien. Bij het mixen van de plaat begint Bob Dylan tegen al wie het wil horen lang en in detail te vertellen over vroeger, en dat zal ‘em bij zijn boek ‘Kronieken’ brengen, een autobiografie in stukken.

In de dodehoekspiegel zien we vandaag zelfs dat de man onmiddellijk na het finetunen van de plaat ernstig ziek wordt, voor de hemelpoort staat, erop klopt en geweigerd wordt. Wakker worden doet hij in een decor van Grammys, Plaat-Van-Het-Jaarrecensies en een come backinterview in Newsweek (met de grootlettercover ‘Dylan lives’).
 
image
 
In de jaren na ‘Time out of mind’, weten we ondertussen ook, heeft de man geen enkele stinker meer gemaakt; daar bestaat zelfs een zekere consensus over. Er volgde ook geen enkel meesterwerk meer; dat zullen sommigen betwisten. De 21e-eeuwer Dylan is naar mijn aanvoelen gewoon heel goed, en constant heel goed.

‘Time out of mind’ is net dat beetje meer. Er is vanaf seconde 3 iets aan de hand. Het gerommel komt in twijfelend mineur, wordt op de voet gevolgd door een vol gruis zittend repetitief orgel en door de schuurpapieren zin ‘I’m walking / through streets that are dead’.

De cd komt als een soort contrathema uit het binnenste van een artiest die de duistere diamant heeft gekregen, die ervoor kiest om veel harde waarheid te verdragen, die de handleiding heeft verruild voor de intuïtie, die schijt heeft aan tijdsgeest, vrolijkheid, hipheid, etiquette, optimisme (en omdat het 1997 is, aan Hanson, Puff Daddy en ‘Candle in the wind’), en die in de opener ‘Love sick’ niet een specifieke geliefde lijkt te vervloeken, maar gewoon de liefde zelf. Eén probleem in verband met die liefde: Dylan zit in the thick of it.

Ik herinner me de eerste luisterbeurt – eigenlijk: het eerste pak slaag – maar al te goed. Daar stond ik met mijn Soul Coughing- en Chemical Brothersplaatjes en met mijn paspoort vol stempels. Ik kon hooguit een paar schuttingwoorden prevelen – ‘damn’ en ‘fuck’ als ik het me goed herinner – alvorens eventjes te verstenen. Vandaag klinkt de Dylan van 1997 minder hard – ik zal ouder geworden zijn.
 

 
Mocht Bob Dylan in interviews zo benaderbaar zijn geweest als een gemiddelde talkshowgast – en begrijp me goed: een geluk dat dat niét zo is – dan had iemand met een voornaam Jay of Oprah hem in 1997 kunnen vragen: ‘Sla je op deze plaat niet op de een of andere manier een heel nieuwe richting in?’ En dan had de man, met een voor talkshows verplichte ironie en zelfspot, kunnen zeggen: ‘Mijn vorige platen hadden geen richting, ze wisten gewoon niet waarheen’.

Want wat hadden we sinds het in deze lijst op 111 belande ‘Oh mercy’ uit 1989 gekregen? Anderhalve doenbare song op ‘Under the red sky’, en geen enkele op ‘Good as I been to you’, ‘World gone wrong’ en ‘MTV unplugged’. Dáárvoor? Acht platen waarop de kunstenaar bijna nergens uit zichzelf brak.

Dus nog eens herhalen wat hier en daar een Dylanliefhebber zal betwisten: er was de hele jaren 80 niks, er was plots die goeie, door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Oh mercy’ heet, er was opnieuw lange tijd niks, en toen was er een uit-ste-ken-de, opnieuw door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Time out of mind’ heet.

Is er een verschil tussen beide? Lanois’ U2-Neville Brothers-Peter Gabriel-Acadie-bedelvingswerken zijn op ‘Time out of mind’ iets minder aanwezig. De plaat is minder broeierig. Minder vochtig. Minder bombastisch. Minder New Orleans. Er zijn minder krekels. Minder momenten waarop het te warm is om te slapen. Dat laatste is wellicht onzin, want de studio stond in Miami, en dat is niet het hoge noorden.

Er soleert nergens een sax, er wordt geen lap steel naar voren gemixt. In ‘Trying to get to heaven’ komt zelfs Dylans enige mondharmonicamoment er niet schel bovenuit. Egaal producen is meestal geen goed idee. Hier wel. Hier is het allemaal machtig egaal geproducet.

image

Bij het maken van ‘Oh mercy’ was Dylan met lege handen naar Daniel Lanois gegaan. Bij het maken van deze plaat niet. Eerst zijn er de Teatrostudio’s in Californië, waar Dylan met Mark Howard een liveopname mixt en de mogelijkheden van distortion op de mondharmonica ontdekt. Daarna vraagt hij ook zijn stem te vervormen. Onderweg naar de studio hoort hij oude bluesman Little Walter op de radio, en vraagt of hij dát geluid kan krijgen. Dat kan geregeld worden.

Dylan wil ook weten hoe Beck aan zijn sound komt, en er wordt hem verteld dat Beck laat drummen boven een onderbouw van loops. Tony Mangurian, een hiphopdrummer, wordt ingevlogen. De Lanoisploeg begint te werken, Dylan kruipt aan de piano, speelt eerst songs zonder tekst, en zingt dan plots ‘Can’t wait’, bijgestaan door Mangurian die zonder loops drumt. Iedereen blij, ook omdat in het knusse, omgebouwde theatertje het geluid perfect is.

Waarna Dylan meldt dat hij ver van zijn familie wil werken, in de nogal kille Criteriastudio’s in Miami. En dat hij nóg een hoop muzikanten gaat laten overvliegen.

In de studio staat 14 man. De prijs van de kleinste ecologische voetafdruk heeft deze plaat nooit gekregen. Het procédé: Dylan speelt een song nooit twee keer op dezelfde manier: hij begint telkens in een andere toonaard. Opdracht 1: wie niet kan volgen, speelt beter niks dan fouten te maken, want veel takes zitten er niet in. Opdracht 2: geen gesoleer. Olé!

De muzikanten die Dylan meebrengt zijn Jim Keltner, Jim Dickinson, Candy Cashdollar, Augie Meyers en Duke Robillard. Meyers is mijn favoriet: naar zijn Sir Douglas Quintet kan ik drie songs lang luisteren. Van Jim Keltner begrijp ik wat hij bij Ry Cooder doet. Jim Dickinson heeft ooit een plaat van Alex Chilton geproducet die ik goed vind. Daar houdt het ongeveer op.

Maar meer hoeft ook niet. Kijk, het kan nog veel extremer. Als begin 2014 ‘Lost in the dream’ van The War On Drugs aanklopt, moet ik die cd in theorie verschrikkelijk vinden, want ‘I’m on fire’ van Bruce Springsteen is een invloed, de sfeer van Bruce Hornby’s ‘The way it is’ zit in de mix, ik hoor echo’s van Rod Stewart ter hoogte van ‘Young hearts / be free tonight’, van Chris Rea, Tom Petty en Jeff Lynn, ja zelfs van ‘Wishing’ van A Flock Of Seagulls, en iemand hoort er de Dylan van de eighties in, maar té zot moet het niet worden. Punt is: bij zowat al die muziek moet ik dekking zoeken. Tegelijk heeft het geweldige ‘Lost in the dream’ een paar weken opgestaan. Elke dure theorie erover liegt. Het gebeurt gewoon.

De songs van ‘Time out of mind’ dan. Doorheen ‘Standing in the doorway’ waart de geest van ‘Can’t help falling in love’ van Elvis Presley. ‘Million miles’ lijkt alleen een triestige plant, want groeit en groeit, en zelfs de metalige microfoon swingt. ‘Til I fell in love with you’ heeft een bluesgitaar zo sexy als de pieee van Cypress Hill, en er danst ook een geweldige piano mee.

In ‘Not dark yet’ is de licht pathetische Lanoishandtekening van ‘Oh mercy’ het meest aanwezig, maar het zich immer herhalend orgel van Augie Meyers – zowat overal dé tweede man – wint van al het vol effecten zittende gelapsteel, en de tekst doet de rest: ‘I was born here and I’ll die here against my will / I know it looks like I’m movin’ but I’m standin’ still / Every nerve in my body is so naked and numb / I can’t even remember what it was I came here to get away from’.
 

 
‘Can’t wait’ kijkt van aan de andere kant van de poort naar de (bijna opgegeven) liefde, murmelt een zin die het Leitmotiv van de hele plaat kon zijn (‘That’s how it is / When things disintegrate’), en raar maar waar, vindt ook terwijl die hele wereld verbrokkelt een wonderlijk ritme.

’t Is wel tijdens songs als deze dat ik heb gedacht: dit moet de oudste stem van heel Honderd zijn, maar in werkelijkheid zijn de nestors hier Michael Gira van Swans ter hoogte van ‘The seer’ en de Arvo Pärt van ‘Lamentate’.

De soulman in mij verliest een paar levens omdat ik ‘Make you feel my love’ eerst in de versie van Adele moest horen voor ik het een uitstekende popsong vond, maar wint een leven terug als het mij niet meer kan schelen dat ik stukken tekst van ‘Cold irons bound’ ben vergeten, sta te dansen op deze halfgeconstipeerde hipshake vol bas, orgeltje, reverb, goeie opbouw en fantastisch ritme.
 

 
En dan zijn er de sombere teksten die van de plaat een waarschuwingsbord maken, één met daarop: ‘Niet langs hier’. Een gestrand schip dat een gevaarlijke plaats in het vaarwater aangeeft mag dus ook. Slechts een paar voorbeelden: ‘I’ve been down on the bottom of the world full of lies / I ain’t lookin’ for nothin’ in anyone’s eyes’. ‘Some things last longer than you think they will / There are some kind of things you can never kill’. ‘When you think that you’ve lost everything / You find out you can always lose a little more’. Ik kan de voorbeelden naar goeddunken vermenigvuldigen.

Troost en comedy zijn ver weg, maar daar is gelukkig het 16 minuten durende ‘Highlands’. Augie Meyers zet een Show van Bosmans Jos-pruik op. Dylan is de enige klant in een restaurant in Boston en vraagt aan de serveerster wat hij wil. Waarschijnlijk hardgekookte eieren, zegt ze, en daar begint de absurde conversatie pas.

Als Dylan het restaurant verlaat, wordt het echt weemoedig. Na een zin als ‘Some things in life it just gets too late to learn / Well, I’m lost somewhere, I must have made a few bad turns’ wil je het waarom, het hoe en het door wie niet meer weten: het is gewoon ergens misgelopen, zoals bij iedereen. Het is gewoon herkenbaar.

Wie die sfeer vasthoudt wordt in de somberte beloond met een heel goeie grap: ‘I’m crossing the street to get away from a mangy dog / Talkin’ to myself in a monologue / I think what I need might be a full length leather coat / Somebody just asked me if I’ve registered to vote’.

In de slotzin over de Highlands zit een beetje hoop en veel berusting: ‘There’s a way to get there / and I’ll figure it out somehow / I’m already there in my mind / and that’s good enough for now’ sluit perfect af.

1997 is trouwens een woelig Dylanjaar. In ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, een boek van het jaar 1971, fulmineerde Hunter S. Thompson ooit tegen goeroes: ‘One of the crucial moments of the Sixties came on that day when the Beatles cast their lot with the Maharishi. It was like Dylan going to the Vatican to kiss the Pope’s ring.’ Wel, op 27 september 1997 treedt Bob Dylan op voor paus Johannes Paulus II, en voor veel volk. De zanger opent met ‘Knockin’ on heaven’s door’. De paus zit erbij alsof hij over de zanger de avond zelf nog een beschouwende prozatekst moet maken.

Ik heb Dylan gezien in 2001, in Vorst Nationaal. Het was mijn vierde keer. Hij zong ‘If dogs run free / then why not we?’ Omdat het zeer goed was, durfde ik daarna niet meer te gaan. Of wilde ik niet meer gaan. Of was er te veel ándere muziek. Bovendien: of Bob Dylan al dan niet de ring van de paus heeft gekust, who cares!

Beste moderne pelgrimslied van na ‘Time out of mind’: dat met ‘Ain’t talkin’ / just walkin’ / hand me down my walkin’ cane’. Gaat ondermeer over last hebben van tandpijn in de hiel.
 

 

Het godenkwartet

image

John Coltrane
A love supreme
1965

‘A love supreme’ zet het adjectief op de verkeerde plaats en is een dankgebed aan God dat John Coltrane ruim twee jaar voor zijn dood maakt met drummer Elvin Jones, bassist Jimmy Garrison en pianist McCoy Tyner, klinkende namen die op de radio kunnen worden gefluisterd alsof er een nachtelijke biljartwedstrijd aan de gang is.

Dat godenkwartet is op haar hoogtepunt en neemt alles in vier uur tijd op. We zijn 9 december 1964. Locatie: de Van Gelder Studio. Englewood Cliffs. Bergen County. New Jersey. Men moet niet ver lopen voor een zicht op de machtige Hudsonrivier.

’t Is eind 64 al een paar jaar geleden dat Coltrane een poos uit de groep van Miles Davis is gezet, genoeg heeft van de drugs die tot dat tijdelijke ontslag hebben geleid, en zich vrijwillig van god afhankelijk maakt en daardoor zijn geheel eigen vrijheid en onafhankelijkheid vindt. In theorie ben ik in die mate ongelovig dat ik dat van die vrijheid-binnen-geloof onzin vind, maar ik zit in dit muzikale gebed al zonder tegenargument na amper 15 seconden – tijdspanne waarin Coltrane gewoon warm blaast boven een gong (?), een cimbaal (?) en een spaarzame piano, om daarna een minuut te zwijgen terwijl zijn groep een fenomenale groove legt.

De vier basiskampnoten in de bas – die in de nineties gesampled werden in Pattersons ‘Freedom now’ dat een Mo’Waxverzamelaar opende – worden boventoeterd in een wereld die je moeilijk nog een resem variaties kan noemen; een aarzelend openingsgebed is het ondertussen ook niet meer.

Na twee minuten zitten we in een tros noten en akkoorden waarvan Miles Davis beweert dat Coltrane ze aan hem te danken heeft: ‘I gave him all these little things, like – play this for me, Trane. And it’d sound like blablablablublurp…. If you play without stopping, you sound like Coltrane.’ Het is waar dat Coltrane dikwijls speelt zonder te stoppen. Maar als blablablablublurp klinkt het alles behalve.

Na vier minuten toetert hij nogal doordringend hoopjes schrille noise en inwendig onbehagen op het tapijt. Hij vindt onmiddellijk de kalmte terug en blaast de vier dragende beginnoten 36 (!) keer in alle mogelijke soorten, maten en gewichten. Daarna zegt hij de woorden a-love-su-preme gewoon op, hij mompelt ze een keer, reciteert ze iets harder, smeekt ze af. Deel 1 van deze bizarre meditatie loopt uit in de bas. ‘Acknowledgement’ zit erop. De wereld heeft al een paar keer op z’n kop gestaan. We zijn een kleine acht minuten ver.

Van de stomender middendelen ‘Resolution’ en ‘Pursuance’ kon ik vroeger niet geloven dat de groep er in één avond van vier uur en een paar takes (en een verwaarloosbare overdub) mee klaar was. Mijn favorieten kwamen toen uit een vroegere periode en andere bezettingen: het warmbloedige ‘Blue train’ en het nog betere ‘Giant steps’, waarin ‘Naima’ het welgekomen rustpunt is.

Vandaag zijn de andere platen met dit kwartet favorieten geworden: ‘After the rain’, ‘India’ en ‘My favorite things’ (waarvan de langste versie altijd de beste is) zitten al in de Indiase sfeer die Coltrane verkende en die in ‘A love supreme’ subtieler aanwezig is: Elvin Jones krijgt hier bijvoorbeeld de opdracht met vier Shiva-armen minder te drummen.

Het op en neer van de liveplaat ‘Afro blue impressions’ en vooral de daarop overal precies uitgekiende solospotjes voor bassist, pianist én drummer (die eigenlijk de kooltjes gewoon heet maken om ze op het juiste moment aan Coltrane door te geven) maken het verhaal van de korte opnametijd aanneembaarder. Tel daarbij dat het kwartet waanzinnig veel optrad en dat afsluiter ‘The drum thing’ van de ‘Crescent’-plaat van een paar maanden eerder zelfs exact eindigt waar ‘A love supreme’ begint, in de vier basnoten die ‘Acknowledgement’ overeind houden. Deze groep is met andere woorden perfect voorbereid om zich eens goed te laten gaan.

1964 is het jaar van ‘Hello Dolly’ van Louis Armstrong, soundtrackmuziek vol nostalgie naar de dansvloerjaren van de jazz. Het is het jaar van Albert Aylers ‘Spiritual unity’, ook een klasbak vol saxgetoeter, maar droger en hoekiger: de sfeer is een beetje die van een fanfare. ‘A love supreme’ is bij momenten Aylerextreem, maar tegelijk rijst overal een helderheid en een naturel op die verklaren waarom het een hit is kunnen worden. Aan het eind van ‘Pursuance’ blaast Coltrane meer ingewanden uit dan John Zorn bij Painkiller, maar daarna brengt de bassist echte rust over een plaat die eigenlijk bijna overal op relatief kalme manier aanwezig is. Het is een komen en gaan van inspanning en beloning, crisis en loutering, voornemen en volharding, indrukwekkend gesoleer en een nog indrukwekkender som der delen.

Het slotdeel ‘Psalm’ is – echt waar – als neergeschreven gebed te volgen, lettergreep per lettergreep: de woorden Thank you god zijn als vaak terugkerende triool herkenbaar, elation, elegance en exaltation klinken het indrukwekkendst op tenorsax boven de keteltrommen van Jones. Met dit ‘Psalm’ erbij is ‘A love supreme’ alle jazz bij mekaar: muziek die uit de geopende deuren komt gestroomd van het kerkje dat nog moet gebouwd worden.
image

Odes? Guru van Gang Starr (en van de Jazzmatazzplaten) rapte zich in ‘A jazz thing’ – with a little help from Branford Marsalis – doorheen de geschiedenis van een zeer belangrijk muziekgenre, dat ook kreeg af te rekenen met bikkelharde kritiek, stijl ‘Nice!’, ‘Grrrreat!’ en ‘It isn’t dead. It just smells funny’. Guru wijdt in ‘A jazz thing’ een halve strofe aan ‘John Coltrane, a man supreme / he was the cream / he was the wise one / the impression of Afro Blue / and of the promise / that was not kept / he was a giant step’.

De mooiste ode aan ‘A love supreme’ zelf is van Morgan Freeman, die al een carrière lang probeert te kijken als de karakterkop op de hoes.
image

Mini-aha-erlebnis: een festivalconcert van het Coltrane Quartet op Youtube in de zomer van 1965, moment waarop het niet lang meer zal duren voor Coltrane de groep ontbindt en iets anders gaat doen. Coltrane speelt hier sopraansax, een instrument dat ‘s mans versie van ‘My favorite things’ ook op plaat een beetje luchtiger doet klinken dan wat hij doorgaans uit een tenor tovert.

De intensiteit is onwaarschijnlijk. Het publiek is in vrij grote drommen komen opdagen. De eindgeneriek vertelt dat het een opname van de RTBF is. De plek blijkt Comblain-La-Tour, ergens in het Land van Luik.

Wikipedia zegt: ‘Wereldberoemd vanwege een open air jazz festival dat er gehouden werd tussen 1959 en 1966. Befaamde artiesten die er optraden: Cannonball Adderley, Chet Baker, Ray Charles, John Coltrane en Nina Simone. Het wordt de moeder aller Europese festivals genoemd en vormde ook hét voorbeeld voor het Vlaamse Jazz Bilzen.’

Ik heb, vertrekkend vanuit de vraag ‘Hoe komt het dat ik daar niks van weet?’, een kort gesprek met mijn Vlaamse navel.

Onderstaande foto is uit 1964. De mensen stonden blijkbaar op Ray Charles te wachten.

image

Lees verder

‘A nuclear error / But I have no fear’

 
image
 
The Clash
London calling
1979

 
 

In 1979 vat The Clash op ‘London calling’ de tijdsgeest van het Londen en Engeland van stakingen, stroompannes, Koude Oorlogparanoia en grootstedelijk racisme, terwijl ze in twee verschillende studio’s vakkundig proberen te ontkennen dat ze failliet zijn na een Amerikaanse tournee; ze zitten zelfs zonder management.

Dat heeft één voordeel: het turning rebellion into money-verwijt dat ze naar anderen hebben uitgestuurd is op henzelf niet van toepassing. Zijn ze doodongelukkig? Nee. In Amerika hebben ze in een hotel gelogeerd waar James Dean nog is geweest, hebben ze het graf van Bruce Lee bezocht, en werden ze geapprecieerd om wat ze zijn: ze krijgen niet – zoals in het thuisland – het label van ‘te punk’ of ‘niet punk genoeg’. Naar verluidt was die punkpolitie er écht: punk moest zo en zo. The Clash riep terug: ‘Punk is spelen wat je wil spelen’.

De ambitie is trouwens: uit het harnas van het genre breken met reggae, jazz, swingjazz, vroege rock’n’roll en feestmuziek die op de London Carnival wordt gedraaid. The Clash is nooit helemaal rechttoe-rechtaan geweest. Hun beste song vóór ‘London calling’: ‘White man in Hammersmith Palais’, over een all-nighter in Londen, met op de affiche for the first time from Jamaica: Dillinger, Leroy Smart, Delroy Wilson en vele anderen. De song is steengoeie blanke reggae waarboven Joe Strummer zich druk maakt, want naar zijn smaak hoort-ie die avond niet voldoende roots rock rebel-riddims voorbijkomen. Het mondmuziekje biedt ondertussen twee odes: één aan de mondharmonica van Bob Dylan, één aan de melodica van Augustus Pablo.
 

 
In de States heeft The Clash getoerd met Bo Diddley, Lee Dorsey, Sam and Dave en The Cramps. Enorm veel blazers op ‘London calling’; die zijn van The Irish Horns. Er wordt piano en orgel gespeeld. Er wordt enorm veel gejat. In het verlengde van ‘London calling’ zijn via moderne media originals van de Britse rocker Vince Taylor (‘Brand new cadillac’) en van reggaelegende Danny Ray (‘Revolution rock’) te ontdekken.

Iemand maakt me blij door het draaiende singletje van ‘Wrong ‘em Boyo’ van The Rulers te filmen: The Clash lenen in hun versie na een halve minuut ook een feestneus van The Specials. De dokter die ter sprake komt in ‘Rudie can’t fail’ is Dr. Alimentado, wiens ‘Poison flour’ berichtte over giftige bakbloem in Kingston, een song die Strummer inspireerde om zoals Jamaicaanse toasters te berichten over wat zich in zijn gezichtsveld afspeelde.

J.J. Jacksons beestige soulsong ‘But it’s alright’ staat model voor het door Mick Jones gezongen ‘Train in vain’, een klein monument. Laurel ‘the godfather of ska’ Aitken is ook ergens een invloed, maar ik ben vergeten waar. Treffend tekstmoment dat illustreert hoe ver de groep van hun hardste songs uit de begindagen verwijderd is: ‘Playing requests now on the bandstand / El Clash combo / Weddings, parties, anything / And Bongo Jazz a speciality’.
 

 
Waar gaat de single ‘London calling’ over?
 
image
 
De titel is een verwijzing naar ‘This is London calling’, waarmee de kortegolfuitzendingen van de BBC World Service begonnen die in wereldoorlog II ook in het Duits en het Nederlands informatie en moed gaven.

Goed, maar is het ‘nuclear era’ of ‘nuclear error’? Het ongeval eerder dat jaar in de Three Mile Island-kerncentrale doet ‘error’ aanvinken. In verband met de S.O.S. ‘London is drowning / I live by the river’: zou met een gerucht te maken hebben dat de Russen van plan waren een atoombom in het Kanaal te droppen die een golf ging veroorzaken die Londen zou wegspoelen. ‘But I have no fear’ zou gelijke tred kunnen houden met don’t be afraid of atomic energy van Bob Marley van een jaar erna. De ‘o-o-o-o-o-ooooow’ is mogelijk een ode aan de perfect in profiel voor een volle maan poserende Awhooooooo van Warren Zevons ‘Werewolves of London’ van een jaar ervoor.

Verder mag je er niet té veel in lezen: ‘London calling’ is een hoop shockmetafoortjes die punkgewijs teruggesmeten worden naar goegemeente, machthebbers en Dire Straits, een slimmere variant van de opgestoken middenvinger en de opgespelde swastika.

De messcherpe gitaar, de beestige melodie, de superefficiënte drum en bas, ze zijn van een groep die lang in het duister heeft getast en plots het licht ziet, die zichzelf in een hoek heeft geschilderd maar zich er op indrukwekkende wijze uit vecht.
 

 
Nog één ding over die wereldsingle. Iemand die zich Stro Jummer noemt weet op internet dat het laatste woord van de single ‘London calling’ in de zin ‘I never felt so much alike alike alike alike’ niet alike is, maar a-like.

Komt uit een nummer 1-hit van de Britse fiftiesrocker Tommy Steele, die inderdaad ‘I never felt a-more a-like a-singing the blues’ zingt, een zin die Joe Strummer live al eens letterlijk zo bracht, maar die op plaat – mogelijk om copyrightredenen – is ingekort. Dat blijkt gewoon te kloppen. Dank, Stro Jummer.
 

 
‘Death or glory’ is een van de andere vinnige rockers, die zou kunnen gaan over de lower class die vlakbij de Theemsoever woont: ‘Love ‘n’ hate tattooed across the knuckles of his hands / Hands that slap his kids around ‘cause they don’t understand how / Death or glory / becomes just another story’. Het raarste stuk tekst komt ook uit die song: ‘I believe in this and it’s been tested by research / He who fucks nuns will later join the church’. Vooral ‘tested by research’ is uitstekend.
 

 
Het naakte uur van de wapens is tijdens de eerste opnamen (de Vanillatapes) nog niet aangebroken. The Clash rent op de nogal doffe demo’s als een kudde achtervolgde beesten over de stoppelvelden. Maar in studio 2 blijft de garde wel stilstaan en uitverdedigen. Plots is de sfeer er één van gooien met alles wat ze hebben, naar hun vijanden, denkbeeldig of niet.

De zeer belangrijke man die hen ertoe dwingt niet zomaar alles te geven, maar nóg een extra tandje bij te steken, is ene Guy Stevens. De platenindustrie liet in die dagen twee lijvige dossiers tegen de man circuleren: op map 1 stond ‘Persona non grata’, op map 2 ‘Totáál Ontoerekeningsvatbaar’. Guy wie? Stevens is in de vroege jaren 60 een hautaine Mod, een belangrijk dj, een man die rauwe Amerikaanse soul en rhythm and blues aan de Britten probeert te slijten, iemand die The Who mee aan z’n geluid helpt, de groep Free producet en Mott The Hoople vanuit het niets uit de grond stampt. In de Clash-studio is hij zijn beloofde ontoerekeningsvatbare zelf.

Vooral bassist Paul Simonon, die technisch het meest moeite heeft met de overgang van ram- en beukpunk naar dit professionele geluid, heeft liever een zot als Stevens die hem op geen enkel moment z’n technische beperkingen kwalijk neemt, maar wel met ladders gooit en ongevraagd aan een worstelwedstrijd op leven en dood begint; ik verzin niks. Simonons grootste angst is een Amerikaan die hem beleefd vraagt of hij de partij nog eens kan inspelen. Direct gevolg: Simonon schrijft ‘Guns of Brixton’, hier een van de essentials. Ook de rest van de groep heeft het in verband met Guy Stevens over een ‘maximum aan emotie’ en een ‘directe psychische injectie’.
 

 
The Clash in 1979! En maar verder schrijven, repeteren en bijschaven, zo hard en constant dat ze zelfs geen tijd hebben om te gaan kijken naar die film over de bemanning van het transportvrachtschip Nostromo die wakker wordt in een zonnestelsel ver van huis, en die kennismaakt met buitenaards leven dat niet op een gezellige close encounter uit is, maar het lichaam van de mens wil gebruiken om er een weerzinwekkend H.R. Gigermonster mee te baren.

Nee, in plaats daarvan liever Guy Stevens ‘Il y a plus en vous’ horen roepen en hem gelijk geven. Ondertussen wurmt Mick Jones zich een paar keer naar voren: in ‘I’m not down’ wil hij vanuit een bodemdepressie naar wolkenkrabberhoogten, in ‘The card cheat’ klinkt de groep Spectoriaans (zoals Springsteen in die dagen) en lijkt Mick Jones’ stem op die van Jarvis Cocker. ‘Four horsemen’ en ‘Hateful’ zijn twee Joe Strummerhoogtepunten van hetzelfde wereldniveau.

De hoes is een vette knipoog naar de groene en roze letters van het Elvis Presleydebuut. Ambitie: de laatste rockplaat maken. De gitaar van Presley steekt omhoog, de bas van Paul Simonon staat op het punt in de prak geslagen te worden. De werktitel van ‘London calling’ was The last testament.

Ik ben vergeten Topper Headon te vermelden. Wat een drummer!
 
image
 
Beste momenten ná ‘London calling’: de papa-san en de mama-san van ‘Straight to hell’, de intro ‘This is another public service announcement (with guitars)’ van ‘Know your rights’ en de beste raps uit ‘The magnificent seven’: ‘Wave bub-bub-bub-bye’ en ‘Brr-bu-bu-bu-bu-bu / cheeseboiger’. Plus: de Spaanse les tussen de regels van ‘Should I stay or should I go’.

Ach, doe maar gewoon alles, maar doe vooral ‘London calling’!! Ik heb zin in nog een uitroepteken! En nog twee!!

Nog dit: Winston Churchill schreef in de maanden mei en juni 1940, periode waarin in deze regio de klotenazi’s binnenvielen, drie wereldberoemde speeches. De koppen ervan passen alle drie perfect bij ‘London calling’. Blood, toil, tears and sweat kenschetst de Clash-inspanningen in de studio. This was their finest hour is gewoon een objectief eindoordeel over ‘London calling’. Ook We shall fight on the beaches kan gepast betalen, want de grootspraak aan het eind van ‘Four horsemen’ luidt: ‘We reach the beaches other armies cannot reach!’ Kruispuzzel opgelost.

In verband met Operatie Overlord van een paar jaar later in Normandië wil ik alle betrokken geallieerden bedanken – u moet die slachtoffercijfers eens googlen – maar in het bijzonder de Britten omdat ze in de lange aanloop naar de bevrijding via die bakelieten bakken genaamd radio’s een ‘This is London calling’-boodschap hebben uitgestuurd naar de wereld, en dus ook naar bezette gebieden.

Bijna vier decennia later kwam uit mijn transistor ‘Radio Clash, on pirate satellite’. Londen zond opnieuw een boodschap to the faraway towns. Een boodschap om I read you en Loud and clear naar terug te roepen, dit keer gelukkig met minder gevaar voor eigen leven.