Terwijl de hele wereld verbrokkelt

 
image
 
 
image
 
Bob Dylan
Time out of mind
1997

 
 

Vandaag komt ‘Time out of mind’ binnenwandelen als een deel waarin we het geheel kunnen zien. Bij het mixen van de plaat begint Bob Dylan tegen al wie het wil horen lang en in detail te vertellen over vroeger, en dat zal ‘em bij zijn boek ‘Kronieken’ brengen, een autobiografie in stukken.

In de dodehoekspiegel zien we vandaag zelfs dat de man onmiddellijk na het finetunen van de plaat ernstig ziek wordt, voor de hemelpoort staat, erop klopt en geweigerd wordt. Wakker worden doet hij in een decor van Grammys, Plaat-Van-Het-Jaarrecensies en een come backinterview in Newsweek (met de grootlettercover ‘Dylan lives’).
 
image
 
In de jaren na ‘Time out of mind’, weten we ondertussen ook, heeft de man geen enkele stinker meer gemaakt; daar bestaat zelfs een zekere consensus over. Er volgde ook geen enkel meesterwerk meer; dat zullen sommigen betwisten. De 21e-eeuwer Dylan is naar mijn aanvoelen gewoon heel goed, en constant heel goed.

‘Time out of mind’ is net dat beetje meer. Er is vanaf seconde 3 iets aan de hand. Het gerommel komt in twijfelend mineur, wordt op de voet gevolgd door een vol gruis zittend repetitief orgel en door de schuurpapieren zin ‘I’m walking / through streets that are dead’.

De cd komt als een soort contrathema uit het binnenste van een artiest die de duistere diamant heeft gekregen, die ervoor kiest om veel harde waarheid te verdragen, die de handleiding heeft verruild voor de intuïtie, die schijt heeft aan tijdsgeest, vrolijkheid, hipheid, etiquette, optimisme (en omdat het 1997 is, aan Hanson, Puff Daddy en ‘Candle in the wind’), en die in de opener ‘Love sick’ niet een specifieke geliefde lijkt te vervloeken, maar gewoon de liefde zelf. Eén probleem in verband met die liefde: Dylan zit in the thick of it.

Ik herinner me de eerste luisterbeurt – eigenlijk: het eerste pak slaag – maar al te goed. Daar stond ik met mijn Soul Coughing- en Chemical Brothersplaatjes en met mijn paspoort vol stempels. Ik kon hooguit een paar schuttingwoorden prevelen – ‘damn’ en ‘fuck’ als ik het me goed herinner – alvorens eventjes te verstenen. Vandaag klinkt de Dylan van 1997 minder hard – ik zal ouder geworden zijn.
 

 
Mocht Bob Dylan in interviews zo benaderbaar zijn geweest als een gemiddelde talkshowgast – en begrijp me goed: een geluk dat dat niét zo is – dan had iemand met een voornaam Jay of Oprah hem in 1997 kunnen vragen: ‘Sla je op deze plaat niet op de een of andere manier een heel nieuwe richting in?’ En dan had de man, met een voor talkshows verplichte ironie en zelfspot, kunnen zeggen: ‘Mijn vorige platen hadden geen richting, ze wisten gewoon niet waarheen’.

Want wat hadden we sinds het in deze lijst op 111 belande ‘Oh mercy’ uit 1989 gekregen? Anderhalve doenbare song op ‘Under the red sky’, en geen enkele op ‘Good as I been to you’, ‘World gone wrong’ en ‘MTV unplugged’. Dáárvoor? Acht platen waarop de kunstenaar bijna nergens uit zichzelf brak.

Dus nog eens herhalen wat hier en daar een Dylanliefhebber zal betwisten: er was de hele jaren 80 niks, er was plots die goeie, door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Oh mercy’ heet, er was opnieuw lange tijd niks, en toen was er een uit-ste-ken-de, opnieuw door Daniel Lanois geproducete plaat die ‘Time out of mind’ heet.

Is er een verschil tussen beide? Lanois’ U2-Neville Brothers-Peter Gabriel-Acadie-bedelvingswerken zijn op ‘Time out of mind’ iets minder aanwezig. De plaat is minder broeierig. Minder vochtig. Minder bombastisch. Minder New Orleans. Er zijn minder krekels. Minder momenten waarop het te warm is om te slapen. Dat laatste is wellicht onzin, want de studio stond in Miami, en dat is niet het hoge noorden.

Er soleert nergens een sax, er wordt geen lap steel naar voren gemixt. In ‘Trying to get to heaven’ komt zelfs Dylans enige mondharmonicamoment er niet schel bovenuit. Egaal producen is meestal geen goed idee. Hier wel. Hier is het allemaal machtig egaal geproducet.

image

Bij het maken van ‘Oh mercy’ was Dylan met lege handen naar Daniel Lanois gegaan. Bij het maken van deze plaat niet. Eerst zijn er de Teatrostudio’s in Californië, waar Dylan met Mark Howard een liveopname mixt en de mogelijkheden van distortion op de mondharmonica ontdekt. Daarna vraagt hij ook zijn stem te vervormen. Onderweg naar de studio hoort hij oude bluesman Little Walter op de radio, en vraagt of hij dát geluid kan krijgen. Dat kan geregeld worden.

Dylan wil ook weten hoe Beck aan zijn sound komt, en er wordt hem verteld dat Beck laat drummen boven een onderbouw van loops. Tony Mangurian, een hiphopdrummer, wordt ingevlogen. De Lanoisploeg begint te werken, Dylan kruipt aan de piano, speelt eerst songs zonder tekst, en zingt dan plots ‘Can’t wait’, bijgestaan door Mangurian die zonder loops drumt. Iedereen blij, ook omdat in het knusse, omgebouwde theatertje het geluid perfect is.

Waarna Dylan meldt dat hij ver van zijn familie wil werken, in de nogal kille Criteriastudio’s in Miami. En dat hij nóg een hoop muzikanten gaat laten overvliegen.

In de studio staat 14 man. De prijs van de kleinste ecologische voetafdruk heeft deze plaat nooit gekregen. Het procédé: Dylan speelt een song nooit twee keer op dezelfde manier: hij begint telkens in een andere toonaard. Opdracht 1: wie niet kan volgen, speelt beter niks dan fouten te maken, want veel takes zitten er niet in. Opdracht 2: geen gesoleer. Olé!

De muzikanten die Dylan meebrengt zijn Jim Keltner, Jim Dickinson, Candy Cashdollar, Augie Meyers en Duke Robillard. Meyers is mijn favoriet: naar zijn Sir Douglas Quintet kan ik drie songs lang luisteren. Van Jim Keltner begrijp ik wat hij bij Ry Cooder doet. Jim Dickinson heeft ooit een plaat van Alex Chilton geproducet die ik goed vind. Daar houdt het ongeveer op.

Maar meer hoeft ook niet. Kijk, het kan nog veel extremer. Als begin 2014 ‘Lost in the dream’ van The War On Drugs aanklopt, moet ik die cd in theorie verschrikkelijk vinden, want ‘I’m on fire’ van Bruce Springsteen is een invloed, de sfeer van Bruce Hornby’s ‘The way it is’ zit in de mix, ik hoor echo’s van Rod Stewart ter hoogte van ‘Young hearts / be free tonight’, van Chris Rea, Tom Petty en Jeff Lynn, ja zelfs van ‘Wishing’ van A Flock Of Seagulls, en iemand hoort er de Dylan van de eighties in, maar té zot moet het niet worden. Punt is: bij zowat al die muziek moet ik dekking zoeken. Tegelijk heeft het geweldige ‘Lost in the dream’ een paar weken opgestaan. Elke dure theorie erover liegt. Het gebeurt gewoon.

De songs van ‘Time out of mind’ dan. Doorheen ‘Standing in the doorway’ waart de geest van ‘Can’t help falling in love’ van Elvis Presley. ‘Million miles’ lijkt alleen een triestige plant, want groeit en groeit, en zelfs de metalige microfoon swingt. ‘Til I fell in love with you’ heeft een bluesgitaar zo sexy als de pieee van Cypress Hill, en er danst ook een geweldige piano mee.

In ‘Not dark yet’ is de licht pathetische Lanoishandtekening van ‘Oh mercy’ het meest aanwezig, maar het zich immer herhalend orgel van Augie Meyers – zowat overal dé tweede man – wint van al het vol effecten zittende gelapsteel, en de tekst doet de rest: ‘I was born here and I’ll die here against my will / I know it looks like I’m movin’ but I’m standin’ still / Every nerve in my body is so naked and numb / I can’t even remember what it was I came here to get away from’.
 

 
‘Can’t wait’ kijkt van aan de andere kant van de poort naar de (bijna opgegeven) liefde, murmelt een zin die het Leitmotiv van de hele plaat kon zijn (‘That’s how it is / When things disintegrate’), en raar maar waar, vindt ook terwijl die hele wereld verbrokkelt een wonderlijk ritme.

’t Is wel tijdens songs als deze dat ik heb gedacht: dit moet de oudste stem van heel Honderd zijn, maar in werkelijkheid zijn de nestors hier Michael Gira van Swans ter hoogte van ‘The seer’ en de Arvo Pärt van ‘Lamentate’.

De soulman in mij verliest een paar levens omdat ik ‘Make you feel my love’ eerst in de versie van Adele moest horen voor ik het een uitstekende popsong vond, maar wint een leven terug als het mij niet meer kan schelen dat ik stukken tekst van ‘Cold irons bound’ ben vergeten, sta te dansen op deze halfgeconstipeerde hipshake vol bas, orgeltje, reverb, goeie opbouw en fantastisch ritme.
 

 
En dan zijn er de sombere teksten die van de plaat een waarschuwingsbord maken, één met daarop: ‘Niet langs hier’. Een gestrand schip dat een gevaarlijke plaats in het vaarwater aangeeft mag dus ook. Slechts een paar voorbeelden: ‘I’ve been down on the bottom of the world full of lies / I ain’t lookin’ for nothin’ in anyone’s eyes’. ‘Some things last longer than you think they will / There are some kind of things you can never kill’. ‘When you think that you’ve lost everything / You find out you can always lose a little more’. Ik kan de voorbeelden naar goeddunken vermenigvuldigen.

Troost en comedy zijn ver weg, maar daar is gelukkig het 16 minuten durende ‘Highlands’. Augie Meyers zet een Show van Bosmans Jos-pruik op. Dylan is de enige klant in een restaurant in Boston en vraagt aan de serveerster wat hij wil. Waarschijnlijk hardgekookte eieren, zegt ze, en daar begint de absurde conversatie pas.

Als Dylan het restaurant verlaat, wordt het echt weemoedig. Na een zin als ‘Some things in life it just gets too late to learn / Well, I’m lost somewhere, I must have made a few bad turns’ wil je het waarom, het hoe en het door wie niet meer weten: het is gewoon ergens misgelopen, zoals bij iedereen. Het is gewoon herkenbaar.

Wie die sfeer vasthoudt wordt in de somberte beloond met een heel goeie grap: ‘I’m crossing the street to get away from a mangy dog / Talkin’ to myself in a monologue / I think what I need might be a full length leather coat / Somebody just asked me if I’ve registered to vote’.

In de slotzin over de Highlands zit een beetje hoop en veel berusting: ‘There’s a way to get there / and I’ll figure it out somehow / I’m already there in my mind / and that’s good enough for now’ sluit perfect af.

1997 is trouwens een woelig Dylanjaar. In ‘Fear and Loathing in Las Vegas’, een boek van het jaar 1971, fulmineerde Hunter S. Thompson ooit tegen goeroes: ‘One of the crucial moments of the Sixties came on that day when the Beatles cast their lot with the Maharishi. It was like Dylan going to the Vatican to kiss the Pope’s ring.’ Wel, op 27 september 1997 treedt Bob Dylan op voor paus Johannes Paulus II, en voor veel volk. De zanger opent met ‘Knockin’ on heaven’s door’. De paus zit erbij alsof hij over de zanger de avond zelf nog een beschouwende prozatekst moet maken.

Ik heb Dylan gezien in 2001, in Vorst Nationaal. Het was mijn vierde keer. Hij zong ‘If dogs run free / then why not we?’ Omdat het zeer goed was, durfde ik daarna niet meer te gaan. Of wilde ik niet meer gaan. Of was er te veel ándere muziek. Bovendien: of Bob Dylan al dan niet de ring van de paus heeft gekust, who cares!

Beste moderne pelgrimslied van na ‘Time out of mind’: dat met ‘Ain’t talkin’ / just walkin’ / hand me down my walkin’ cane’. Gaat ondermeer over last hebben van tandpijn in de hiel.
 

 

Zuigen aan de oortip van je bril

 
image
 
Bob Dylan
John Wesley Harding
1967

 

De Jack White van nummer 45 beweert drie vaders te hebben: zijn natuurlijke vader (hij was tiende kind en – nog belangrijker – zevende zoon), god (oké dan) en Bob Dylan.

Jack White is nog niet geboren als zijn derde vader midden jaren 60 elektrisch gaat en sommige folkliefhebbers hem hecklen met ‘Boeh!’ Eén man roept vanuit het donker ‘Judas’. Waarom eigenlijk? Welke Messias heeft Dylan verraden? Aan wie? En voor hoeveel zilverlingen?

Vanuit een bizar soort oog van de storm werkt Bob Dylan het ene schandaaloptreden na de andere persconferentie af, en via de films ‘Don’t look back’ en ‘No direction home’ kunnen wij meekijken.

Het is ’s mans bedoeling om voor en na de show uit te leggen dat hij zich geen embleem, symbool, spreekbuis of patroonheilige van een generatie voelt, maar wel een song and dance man.

Ook al wie in de decennia die volgen de man heeft voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur heeft toen niet goed opgelet. Terwijl het toén simpel was en vandaag simpel blijft: Dylan schrijft geen proza en geen poëzie, hij schrijft songs. Die kunnen ons hooguit bij de vraag brengen: op welke Dylansongs kán je eigenlijk dansen, hoé moet dat en kunnen we daarvoor niet beter de ughs van James Brown gebruiken?

Terug naar de persconferenties. Een journalist merkt op dat de song and dance man geen protestsongs meer schrijft. Dylan zegt dat al zijn songs protestsongs zijn. Iemand vraagt hoeveel protestzangers er zijn. ‘Ongeveer 136’, antwoordt Dylan. Een grap van het niveau van Lenny Bruce. Een enkeling die lacht. ‘Ongeveer 136 of exact 136?’, vraagt de reporter, ogenschijnlijk zonder ironie. ‘Ofwel 136, ofwel 142’, zegt Dylan.

‘Is het waar dat je songs een subtiele boodschap hebben?’, vraagt een vrouw. Dylan vraagt waar ze dat vandaan heeft. Antwoord: ‘Uit een filmtijdschrift’.

Andere vraag: ‘Vind je jezelf de ultieme beatnik?’ Tegenvraag: ‘Wat vind jij?’ Antwoord: ‘Daar kan ik niks over zeggen, want ik heb je muziek nooit gehoord.’

Vraag van een fotograaf: ‘Wil je eens zuigen aan een oortip van je bril?’

Aan het einde van de film ‘No direction home’ zien we een door drugs en fratsen van sixtiespaparazzi oververmoeide muzikant die z’n manager wanhopig om vakantie vraagt. Een paar maanden dáárna, zegt een slotmededeling op het scherm, heeft Dylan een motorongeval. Hij zal zeven jaar lang niet toeren.

Wat hij wel doet? Herstellen met Dafalgan forte. Daarna: met zijn begeleidingsgroep The Hawks, die plots The Band heet, in de kelder van een roze bungalow aan ‘The basement tapes’ werken. Die tapes nog niet uitbrengen. Zonder dat The Band van iets weet naar Nashville vliegen. Daar in minder dan 12 uur, enkel begeleid door een bassist en een drummer, 10 songs van ‘John Wesley Harding’ opnemen. Later teruggaan om er nóg twee – duidelijk vrolijker klinkende – op plaat te zetten, dit keer met een pedal steelgitarist erbij. Aan de platenfirma vragen amper publiciteit te maken en de plaat snel uit te brengen.

Muzikaal is het snerpende van de rockende Dylan eruit. De teksten zijn een dikke helft beknopter dan die van ‘Highway 61 revisited’ en ‘Blonde on blonde’. Dylans verteltrant is minder gehaast. Zinnen volgen logisch uit vorige zinnen. Zijn stem is anders.

Het enige dat in die jaren niet verandert is het gewauwel van Dylanologen. John Wesley Harding is afgekort JWH, en dat zijn ook de initialen van Jahweh. Op de hoesfoto zitten The Beatles achter een boom verstopt. Dat gaat maar door.

image

Mijn favorieten van ‘Harding’ zijn ook gecovered door andere favorieten: ‘All along the watchtower’ door Jimi Hendrix, ‘I am a lonesome hobo’ door The Triffids, ‘I pity the poor immigrant’ hoorde ik live brengen door Angels Of Light (de noiseloze groep van Michael Gira van Swans) en aan de ingetogen versie van ‘I dreamed I saw Saint Augustine’ van Dirty Projectors ben ik op Youtube blijven plakken. Soms lijkt trouwens 3/4 van het oeuvre van Jan De Wilde een variatie op deze plaat.

‘JWH’ begint met het verhaal van een desperado die nooit een eerlijk man kwaad heeft gedaan en blijft ook in de negen songs die volgen een nachtelijke meditatie waarin Tom Paine en Sint-Augustinus en Priester Judas en de zwerver en de immigrant en de huisbaas en de grapjas en de dief (en zelfs schuld en boete) langskomen.

Als ik er niets van begrijp, begrijp ik er niets van en stoort het niet, en wat ik wel denk te begrijpen lijkt eerst gewoon over een huisjesmelker te gaan, of over een zwerver die aan gevangenschap ontsnapt door een blikseminslag, en doet zich niet in de eerste plaats voor als een subtiele metafoor voor iets anders. Maar daarna wordt al het niet-letterlijke plots wel de essentie. Bijzondere plaat, die alles behalve in de sixties van de vorige eeuw lijkt te leven.

Er moet ook enorm veel zijn weggegomd. En het moest snel gaan. Wie via deze plaat aan Dylan wil beginnen gaat een weg op die ik niet ken, want ik ben bij zowat al de rest begonnen.

‘Down along the cove’ en ‘I’ll be your baby tonight’ zijn de twee lichtvoetige pedal steelsongs die ‘JWH’ afsluiten. Op de eerste zou je kunnen dansen, de tweede hangt in de zetel, voeten op het salontafeltje. Dylan: ‘Ik had graag overal wat pedal steel gehad, maar ja, hoe gaat dat!’

Na ‘John Wesley Harding’ schreef de man een paar fantastische pop- en countrydingen (‘Lay lady lay’, ‘I threw it all away’, ‘If not for you’, …) en terwijl iedereen de mond vol had van revolutie werd hij een familieman op de vlucht voor opdringerige fans.

Als we de autobiografie ‘Kronieken’ mogen geloven, ging het niet goed: ‘Alles wat ik bedenken kon, kwakte ik tegen de muur en wat bleef plakken, bracht ik uit en toen keek ik nog een keer en alles wat niet was blijven plakken, schepte ik op en dat bracht ik ook uit. Woodstock liep ik mis – ik was er gewoon niet. Altamont – sympathy for the devil – miste ik ook. Tenslotte zou ik een hele lp uitbrengen die gebaseerd was op korte verhalen van Tsjechov – de critici dachten dat het autobiografisch was – goed zo.’

Ooit vroeg ik aan de kern van Mercury Rev wie hun favoriete stand up comedian was. Alle twee tegelijk: ‘Bob Dylan’. Genoteerd, pal naast de vaststelling dat Dylan in ‘Kronieken’ met zekerheid over één ding liegt: lang niet alles wat wel of niet was blijven plakken bracht hij in die jaren uit. Ten bewijze het pas in 2013 opgedoken ‘Another Self Portait’, vol met demo’s van het jaar 1970 en omstreken. In theorie allemaal mogelijke Tsjechovbewerkingen.

 

 

Een metaliger klank

 
image
 
Bob Dylan
Bringing it all back home
1965

 
 
 

Op ‘White riot / I wanna riot / riot of my own’ is het in 1965 nog een decennium en meer wachten. Op ‘It’s like a jungle sometimes it makes me wonder / How I keep from going under’ nóg een paar jaar. Beweren dat Bob Dylan op ‘Bringing it all back home’ in de sublieme opener ‘Subterranean homesick blues’ de originator is van punk en rap is volstrekt overdreven, compleet belachelijk, historisch onjuist (Dylan gaf zelf toe dat er gestolen is uit ‘Too much monkey business’ van punkrapper Chuck Berry) en met absolute zekerheid onvolledig (talkin’ blues, jazzscat, beat poetry en het gelal van onze voorouders bij het kampvuur, het ging allemáál aan Dylan vooraf). En toch! En toch denk ik telkens als ik ‘Bringing it all back home’ opleg: hier spreekt een uitvinder.

Natuurlijk liggen er in de periode voor 1965 ook mythische Dylanmomenten voor het oprapen: de songs ‘Girl from the North Country’ en ‘A hard rain’s a-gonna fall’ bijvoorbeeld. Veel van zijn talkin’ bluessongs zijn grappig. De speech die hij hield toen hij in 1963 van hét officiële Nationale Burgerrechtencomité een award kreeg is ook goed: Dylan maakte grapjes over de leeftijd en de kaalhoofdigheid van de jury, en tot grote consternatie van velen kroop hij in het hoofd van de moordenaar van president Kennedy. De brief die hij daarna ter verontschuldiging schreef bedaarde evenmin de gemoederen: ‘If there’s violence in the times, then there must be violence in me’. De man hangt niet graag de onschuldige goeierd uit.

Maar in maart ’65 ligt dus deze nieuwe lp voor het eerst in de winkel. Op de hoes Dylan zelf met een knap wijf binnen handbereik (het blijkt de vrouw van de manager te zijn) en een kat op schoot, in een herenhuis. Inspirerende platen en een paar signs of the times zijn uitgestald op de schoorsteenmantel en in de ligfauteuil. Sfeer: de bom gaat elk moment vallen, we’re all gonna die.
 
image
 

Fragment uit de hoestekst: ‘I know there’re some people terrified of the bomb, but there are other people terrified t be seen carrying a modern screen magazine’. Dylan schreef in die tijd inderdaad zijn to’s zonder o.

Nog een goeie:’I would rather model harmonica holders than discuss aztec anthropology, english literature or history of the united nations. I accept chaos. I am not sure whether it accepts me.’

De heer en mevrouw Chaos hebben nog geen recensie geschreven over opener ‘Subterranean homesick blues’, maar laat ik uit dit samenraapsel van fragmenten een fragment halen: ‘The man in the coon-skin cap in the pig-pen…’ zou iemand kunnen zijn die achter tralies zit in het politiekantoor met ‘een kap van negerhuid’ over zijn hoofd getrokken. Wat hij wil? ‘He wants 11 dollar bills – you only got 10′. Volstrekt onnodige doordenker: wil hij onbestaande biljetten van elf dollar, of kom je een dollar tekort? In de video staat op een van de cue cards die Dylan weggooit: ’20 dollar bills’. Dát is hier de gehanteerde humorvorm.

De remix is van DJ Google Instant:
 

 

Er valt weinig Dylan te rapen op youtube. Posts worden om de haverklap verwijderd. Tja. Copyrightkwesties zijn dikwijls een wereld van twee maten en twee gewichten. Als het een survival of the fittest is, wint niet de best aangepaste, maar wint gewoon de sterkste… Dat kan allemaal best zijn, maar ik kom op youtube in verband met de industrie rond Bob Dylan een keer te veel het woord ‘fascisme’ tegen. Mensen die zoiets schrijven raad ik – als ze in de buurt van mijn eerste hometown Mechelen wonen – een bezoek aan het museum naast de Dossinkazerne aan. Op drie minuten tijd kunnen ze daar leren wat fascisme écht is. Plus: als er geen Dylan is op youtube, beluister je ‘em elders. Of niet voor mijn part!

Terug naar ‘Bringing it all back home’. Het is op deze plaat dat Dylan voor het eerst elektrisch gaat. Hij probeert met producer Tom Wilson eerst een paar dingen uit met Fats Dominorock’n’roll, maar Dylan heeft een metaliger klank nodig om uit een beklemmende sfeer te breken. Hij zal het hebben over ‘dat dunne, wilde kwikzilvergeluid’ dat hij najaagt. Kwikzilver doet me aan ‘moeilijk te vatten’ en ‘altijd in beweging’ denken. Het snerpende ‘Maggie’s farm’ is harder metaal en een song die zegt: ‘They say sing while you slave and I just get bored / I am not going to work on Maggie’s farm no more’. Het zou kunnen dat de folkscene zelf een sneer krijgt.

‘Outlaw blues’ jakkert iets gezelliger door en vecht voor het recht op een onnozeler tekst: ‘Well, I wish I was on some Australian mountain range / I got no reason to be there, but I / Imagine it would be some kind of change’.

In ‘On the road again’ stipt Dylan aan wat hij bij een potentiële schoonfamilie opmerkt. Alleen al in strofe 1 vindt hij ’s ochtends kikkers in zijn sokken, verschuilt de moeder van zijn geliefde zich in de koelkast en draagt haar vader een masker van Napoleon: ‘Then you ask why I don’t live here / Honey, do you have to ask?’

In het fenomenale ‘Bob Dylan’s 115th dream’ wordt Amerika opnieuw ontdekt via kapitein Ahab die zijn obsessie voor de grote witte walvis laat varen en op de Mayflower koers zet naar de Nieuwe Wereld, die wat van een surrealistisch schilderij heeft. De Nina, de Pinta, de Santa-Maria en Columbus zelf komen slechts heel even ter sprake aan het eind van dit absurde neoscheppingsverhaal.

In de mooie, rustige songs ‘She belongs to me’ en ‘Love minus zero/No limit’ hoor ik vandaag meer realisme dan ik vroeger een ideële wereld wilde horen.
 

 

De B-kant is een folkplaat. Waarschijnlijk zéér verwarrend voor al wie naar iemand met een elektrische gitaar ‘boe’, ‘judas’ en ‘establishment’ wilde roepen. De folkplaat begint met ‘Hey! Mr. Tambourine Man, play a song for me / I’m not sleepy and there is no place I’m going to’.

Het langgerekte ‘Gates of Eden’ komt moeilijker binnen, zoals ik ook een lange rit als ‘Desolation row’ niet meer uitzit. De Dylan die op platen onmiddellijk na deze dingen zingt als ‘Mona Lisa must have had the highway blues / you can tell by the way she smiles’ en ‘Shakespeare is in the alley / with his pointed shoes and his bells’ heeft ook van zijn pluimen verloren.

Waarom ik het erg lange en even bedoelerige ‘It’s alright ma (I’m only bleeding)’ dan wel een van Dylans allerbeste songs blijf vinden? Ik zou er een tekstfragment kunnen bijsleuren, in eigen vertaling dan nog: ‘Zoiets te verstaan, je weet meteen / ’t Heeft zelfs geen zin het te proberen’. Maar ik weet het wel.

Het zijn de watervallen van medelijden die je ziet brullen, de drang tot jammeren die je voelt, maar anders dan vroeger ontdek je dat je gewoon één persoon meer zou zijn die huilt tussen al de huilers.

Het is de reclame die je bedriegt / je doet denken dat jíj degene bent / die kan doen wat nog niet is gedaan / die kan winnen wat nog niet is gewonnen / terwijl het leven ondertussen overal om je heen doorgaat.

Het is al de rest tot aan de laatste zin: ‘It’s alright, Ma / it’s life and life only’.
 

 

Afsluiter ‘It’s all over now, baby blue’ zou volgens kenners samen twéé afscheidsliedjes zijn: één aan een ex-vriendin en één aan die vermaledijde politieke folkscene. Straks ga ik nog geloven dat er een in het geheim opererende folkdictatuur bestond, met knokploegen en strafkampen.

Ik kan twee Dylanplaten bedenken die ik beter vind dan ‘Bringing it all back home’. Dat zijn er geen zeven.