D-Es-C-H

 
image
 
Dmitri Sjostakovitsj
Strijkkwartet n° 8
1960

 
 
 

Wat heb ik ter hoogte van nummer 28 en de zeer succesvolle Leningradsymfonie uit 1941 geleerd? Dat Dmitri Shostakovich een kop heeft die aan vijf bladzijden straf doet denken en dat je zijn familienaam ook als Sjostakovitsj mag schrijven, bijvoorbeeld.

Wat moet ik hiér eerst vertellen? Dat wereldoorlog II voor de Russische componist heeft geduurd van 1936 tot 1953. 1936 omdat vanaf dan elk nachtelijk moment dat van de klop op de deur kan zijn – voor een paar miljoen Sovjets de weg naar de Goelageindhalte. 1953 omdat in dat jaar de paranoïde dictator Jozef Stalin, aanrichter van al die ellende, sterft.

Maar terug naar het begin van de jaren 40. Sjostakovitsj is populair. Hitlers Blitzkrieg stoot op serieus Russisch weerwerk. Er wordt van de componist een 8e symfonie verwacht. In 1943 komt die er.

De fenomenale motorritmes van het Allegro non troppo uit die 8e, da’s wat mij 10 jaar geleden naar Sjostakovitsj heeft getrokken.
 

 
Er zit nóg veel wrangs in de zeer knappe 8e – droge trommelslagen bijvoorbeeld die je doen denken: zo klinken kogels echt, of een fenomenale hoornsolo na oorlogsgedreun – maar ik tel nul heroïsche momenten, de grondtoon is somber en contemplatief. Het Sovjetbewind kon er in 1943, jaar waarin de kansen voor de Ruskis begonnen te keren, en de wanhoop eindelijk omsloeg in koppige vastberadenheid, vanuit propaganda-oogpunt volstrekt niks mee, en voerde ze af. Als het regime op dat moment van haar superster zegt: ‘Zijn 8e is een overpeinzing, geen inspirerende aanmoediging’, heeft het regime gelijk. Het is tenslotte 1943, en de oorlog is nog lang niet gedaan.

En dan plots wel. Stalin is overwinnaar geworden. Hij denkt: mijn bloedeigen Beethoven zit aan pompeuze overwinningssymfonie nummer 9 te werken: heroïek, tanks, hamer, sikkel, ‘tot nut van ’t algemeen’ dat rijmt op ‘één voor allen en allen voor één’.

The great dictator ziet zichzelf al in de loge zitten op de grote internationale première. Uiteraard zal hij boven het gewoel staan. Links vliegen al vanaf minuut één de strijkstokken de lucht in, rechts wiegen blazers als de Georgische graanvelden uit zijn jeugd.

Stalin oefent wat hij tegen zijn buurman zal zeggen: ‘Zó’n groot koor had nu ook niet gehoeven’. Hij droomt weg en ziet aan het eind van de rit de paukenist zweten, en voelt de finale in slow motion als papiersnippers over zich heen komen, waarna de staande ovatie natuurlijk voor hem en voor hem alleen is.

Maar vooralsnog is dit de avant-première in meer besloten kring. Vreemd dat er geen opdracht in het programmaboekje staat. Er is ook geen koor. De muziek klinkt strijkkwartetklein. Als er al een solo-instrument tussen zit, is het een klein blazertje. De symfonie klokt af op 27 minuten, en is vooral gezellig. ’t Is eigenlijk een wuft tafereeltje. Een rococobriesje. Jan Klaassen is piccolospeler geworden in het leger van de gekke prins Stalin, en marcheert gezwind door speelgoedland.

De muziek van Sjostakovitsj’ 9e zal ik wellicht nooit goed vinden. Het is wel de grootste mij bekende uppercut die een kunstenaar ooit aan een dictator heeft verkocht.

Natuurlijk is Sjostakovitsj er zwaar voor gestraft, tot aan Stalins dood in 1953. Het is vooral een mirakel dat hij de dictator heeft overleefd. Om het in de stijl van de artiest droog, nuchter, cynisch en gelaten te zeggen, misschien omdat Stalin een heel klein beetje respect begon te krijgen voor zijn tegenstander.

Hoé de componist werd gestraft? Via de beproefde methode van naambekladding. Eerst mag Sjostakovitsj nog lesgeven, daarna niet meer. Hij moet, om te overleven, een loflied schrijven op Stalins herbebossingspolitiek. Als op een congres in de States een artikel in de Pravda ter sprake komt waarin Stravinsky en Schönberg ‘lakeien van het imperialistische kapitalisme’ worden genoemd, zegt Sjostakovitsj (van wie geweten is dat hij Stravinsky op handen draagt): ‘Ik ben het met de in de Pravda weergegeven mening volkomen eens’. Eerst zijn alleen zijn populaire 5e en 7e symfonie nog toegelaten werk, maar ook daarop storten zich beoordelingscommissies: een waar schervengericht zijn ze, compleet met collega’s die bereid gevonden worden om de man zelfs in die vrij patriottisch klinkende werken af te doen als formalist, ideologisch ondermijner, bourgeois en decadent kunstenaar die niet in de volksaard past.

Tussen 1945 en 1953 componeert Sjostakovitsj weinig treffends. Vooral in de verplichte categorie filmmuziek is hij productief: suikerzoete, alles-gaat-prima-in-de-beste-der-wereldenpropaganda. Akkoord, er zijn een paar goeie strijkkwartetten. Er is ook ’24 preludes en fuga’s’, wonderlijke klanken die in de ruimte oplossen, een Das Wohltemperierte Klavier voor een wereld die gewend is geraakt aan muziek bij stomme films en tramgeluiden. Glenn Gould zonder geneurie mag ook. Sjostakovitsj’ verzet zit in die jaren in kleine dingen.

In 1948 wordt de componist samen met onder andere Prokofjev en Chatsjatoerjan officieel verketterd omdat ze ‘om de vorm’ schrijven en niet ten dienste van het communistische ideaal. De Sovjet-Unie wordt in dat jaar ook geteisterd door zéér, zéér ernstige antisemitische directieven van de partijtop. Sjostakovitsj bewerkt uitgerekend in dat jaar joodse volksliederen, een werk dat hij moet wegstoppen in de lade en dat pas in 1955 voor het eerst zal worden opgevoerd.

Dus: de man is eerder een overgevoelige ziel dan de Sophie Scholl van het anti-Stalinisme. Tja. Als hij dát soort verzet had uitgeprobeerd, was zijn laatste uur al in 1936 geslagen. Sjostakovitsj overleeft. Hij zetelt zelf in die akelige beoordelingscommissies. Hij weet dat hij soms een beetje de toeter van de dictator moet zijn, en daarna weer kans maakt in ongenade te vallen.

Hij moet zich, al kettingrokend en zijn neus optrekkend om zijn bril op te houden, hebben afgevraagd wat er ging komen in 1953, toen Stalin stierf, maar niet te lang, want symfonie nummer 10, die in dat kanteljaar zelf zó snel wordt gecomponeerd dat ze op z’n minst al in z’n hoofd moet hebben gezeten, is opnieuw een kopstoot. Hoe hij laat horen dat zijn ruggengraat niet is gebroken: door de dictatuur in z’n hardheid en ellende te toonzetten, en aan het eind van deel 3 eerst schuchter, maar in het afsluitende vierde deel zeer nadrukkelijk zijn handtekening te zetten. Letterlijk, dan. Het in de eindsprint triomfantelijk doorklinkende DSCH-motief bestaat uit de noten D-Es-C-B die in het Duits als D-Es-C-H geschreven worden (D. Sch. is ook de Duitse spelling van zijn initialen).

Deze man zegt in zijn 10e symfonie twee dingen: 1. De tiran is dood 2. ‘I am somebody’. In de finale van de 10e zit de eerste D-Es-C-H verstopt op 2’20”, net voor de pauken. De blazers spelen er één op 2’56”, op 3’15” en op 3’41”. Daarna volgen er nog een paar, en aan het eind zit een half leger van die rakkers.
 

 
Een paar jaar later volgt het voor Mstislav Rostropovitsj geschreven, fenomenale eerste celloconcert uit 1959. Opnieuw dat DSCH-monogram, dit keer meteen van bij de start:
 

 
Ook het 7e strijkkwartet uit 1960 is knap: twee nerveuze buitendelen en een diep nadenkend middenstuk dat bij momenten klinkt als minimal music avant la lettre.
 

 
’t Zijn meesterwerken die doen vermoeden dat het met Sjostakovitsj goed gaat en dat ook de dooi onder partijleider Nikita Chroesjtsjov hem artistieke vrijheid schenkt. Dat lijkt alleen zo. Ook Chroesjtsjov verplicht Sovjetkunstenaars het Sociaal Realisme te omarmen. Ai!

Een andere zware klap: in 1960 wordt hij verplicht lid te worden van de communistische partij, volgens een van zijn kinderen een van de zwartste momenten in zijn leven. Een wereld van congressen lonkt daardoor, dat wel, maar in de Pravda verschijnen bijvoorbeeld plots door hem gesigneerde stukken die hij nooit heeft geschreven.

Zijn tweede huwelijk loopt ook op de klippen, en hij mist zijn zes jaar eerder overleden eerste vrouw, een belangrijker muze. Zijn hand schiet al eens in een kramp, het heeft met een ziekte te maken die later erger zal worden, maar dat weet hij nog niet.

Hij bezoekt Dresden, waar een film gedraaid wordt die hij van muziek moet voorzien. Als u over het door de geallieerden gebombardeerde Dresden ooit kernwoorden moet verzamelen om zoveel mogelijk seconden over te houden, zeg dan snel na mekaar ‘luguber afschrikkingsexperiment’, ‘brisantbommen’ ‘tapijtbombardementen’, ‘vuurstorm’, Bomber Harris en Kurt Vonneguts meesterlijke roman ‘Slachthuis vijf’. In dat Dresden komt Sjostakovitsj het 8e strijkkwartet aanwaaien, dat hij in drie dagen schrijft.

Een canon van D-Es-C-H-handtekeningen klimt vanuit de cello naar boven en fragmenteert. Dit is niet meer de van zelfvertrouwen glimmende componist van de 10e symfonie. Deze man vraagt zich af: wie is die D-Es-C-H of D.Sch. eigenlijk? Hij doet het voor de spiegel, met een open scheermes in de hand.

Wat hoor ik als die somberte in het opgejaagd tempo van de allegretti overgaat? Ook prachtig bijna-samenspel met af en toe echte solomomenten voor cello en eerste viool, en één keer de spots op de altviool. Meedogenloze accenten. In deel 2: dat ik een metalplaat op 2 heb gezet. In deel 3: Joodse folk met een grote J. Overal: muzikale citaten die snel en strak in de mix gegooid worden. ’t Is vooral eigen werk dat Sjostakovitsj inlast. En hij citeert werken die hem veel applaus opleverden, zoals de 1e en 5e symfonie en de Lady Macbeth-opera.

’t Zou kunnen zijn dat hij denkt: waarom mocht ik niet gewoon topcomponist zijn? ’t Zou, in het citeren van eigen werk, om een pastiche kunnen gaan. ’t Zou verdriet over zijn dode ex-vrouw kunnen zijn, zelfhaat vanwege die partijlidkaart, melancholie na het zien van de vernielingen van het bombardement van Dresden, terugdenkend aan Stalin- én Hitlerellende.

In een brief aan een vriend schrijft hij: ‘Niemand gaat een eerbetoon aan mij maken, daarom doe ik het zelf.’ Mensen hebben daar een zelfmoordbrief in gelezen. Misschien! Al van droge humor gehoord? Van één ding ben ik zeker: het 8e is een autobiografisch kwartet.

Deel 3 loopt in een drone van de eerste viool over naar deel 4, waarin de andere instrumenten brutaal een hakbijl planten. Je kan er een KGB-klop op de deur in horen, de Hitleraanval op Leningrad, een brisantbom op Dresden, …

Hét terugkerende conflict tussen componist en regime is altijd geweest dat muziek die open was voor interpretatie verdacht was. Het regime vroeg steevast een ideeënschets, een tekst, een opdracht voor in het programmaboekje.

Neem nu het overbekende bolero-achtige begin van de 7e (oorlogs)symfonie. Zelfs daar zijn beoordelingscommissies zich jaren later kritisch over gaan buigen. Sjostakovitsj heeft zelf nooit de bezwerende beginmars aan de fascistische belegering van Leningrad toebedeeld. Het regime wel. Net daarom vonden ze de tragische vertwijfeling van de rest van het werk maar niks: ze hadden liever Russische heroïek gehoord. Hun kritiek: ‘Krachten die tegenover die fascistische apenmars worden gesteld, zijn er niet. Sjostakovitsj had melodieën van de USSR-volkeren moeten samensmelten om weerwerk te bieden. Nu blinkt het werk vooral uit door de onheilspellende gestalte van het fascisme te verbeelden.’ Terwijl de vraag is: Waarom had Sjostakovitsj gemoeten? En wat?

Ik hoor in de 7e symfonie van 1941 een volk dat al kapot is van Stalins waanzin en Hitler die het alleen nog veel erger komt maken. En ik hoor in het 8e strijkkwartet persoonlijker verdriet, een man die uitgeput is door de harde gevangenschap, tired of the same old blues. Waarom dan een energiek, soms vrolijk tussenstuk? Ik moet iets zeggen dat ik al eens gezegd heb: zijn grote talent is: de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen.

Aan het eind belandt het 8e kwartet trouwens opnieuw op de bodem, en gaat het diminuendo over in een soort ‘Gloomy Sunday’. U mag van mij natuurlijk aan het eind ook gewoon zachter gespeelde strijkers horen. En er nu een biertje bij nemen. Want hier is hij dan, in zijn geheel, mijn nummer 2:
 

 
Hoe het komt dat dit persoonlijke en alles behalve sociaal-realistische strijkkwartet in die jaren kon verschijnen en succesvol worden? Omdat het regime er ‘Voor de slachtoffers van fascisme en oorlog’ boven zette. In volle koude oorlog – de muur rond Berlijn komt eraan, de oude vijand Duitsland is lid van de NATO en hun minister voor defensie Franz-Josef Strauss niet meteen een vredesduif – wordt de componist opnieuw voor de kar van de Sovjetpropaganda gespannen, als om te zeggen: ‘Wij zijn de goeien’. Dat Sjostakovitsj als componist embedded was, is een verhaaltje dat in het westen jarenlang door iedereen is geloofd, en dat is niemands fout.

Sjostakovitsj komt in de jaren die volgen ietwat tegemoet aan het regime, maar op de maten van zijn 13e (joodse) symfonie slaan die fuckin’ apparatsjikpoppen opnieuw wild aan het dansen. Ik heb er geen foto’s van gevonden, maar als er vandaag nog circuleren hoop ik dat ze er volstrekt belachelijk op staan.

Dmtri Sjostakovitsj verdient een paar minuten applaus, waarbij uiteraard mag worden rechtgestaan. Ik geef de man ondertussen zijn welverdiende zilveren medaille. En hij heeft nog een kort bisnummer zitten.
 

 

 

Zéér, zéér donkergrijs

 
image
 
Dmtri Sjostakovitsj
7e symfonie
1941

 

Ik zou kunnen zeggen: ‘Ik vind de 7e symfonie van Dmtri Sjostakovitsj geweldig tot uitstekend, maar weten waar ze over gaat, dat zal nooit lukken’. Punt. Opstel af. Nog iets aanklikken op de redactie.be. De vuilniszak buiten zetten. Slaapwel.

Maar ik ben klaarwakker. Ik maak eerst een résumé van nummer 109, plek waar we Sjostakovitsj’ 5e symfonie tegenkwamen:

Sjostakovitsj’ springerige 4e orkestwerk werd een paar dagen voor de première door de componist wijselijk in de lade opgeborgen, want in de Pravda was op voorspraak van de dictator Jozef Stalin over een populaire opera van hem geschreven: ‘Dit is spelen met duistere dingen, dat kan heel slecht aflopen.’

Zijn 5e grote klepper uit 1937 krijgt de ondertitel ‘Het Creatieve Antwoord van een Sovjetartiest op Terechte Kritiek’ en wordt een groot succes.

De 6e symfonie uit 1939 wordt door Stalins stromannen dan weer gekraakt: ‘De massa zal niet worden meegesleurd door deze kleinburgerlijke verkramping om volgens de methodes van de geforceerde vernieuwing originaliteit voor te wenden’.

In de jaren voor Hitler de Sovjet-Unie binnenvalt leven alle Ruskis onder het juk van de grote dictator. Iedereen is bang. Niemand durft nog te zeggen wat hij of zij denkt. Zelfs aan vrouw of broer vertel je beter niks. Aan man en zus evenmin.

We zullen nooit weten hoeveel miljoen politieke gevangenen door Stalin vermoord zijn. We zullen nooit helemaal zeker weten of het de waarheid en niets dan de waarheid is dat een 9-jarig meisje voor 10 jaar de Goelag in moest omdat ze een westers liedje had gezongen. Je moet altijd nuanceren: het zou kunnen dat het meisje net 10 was geworden, of voor 15 jaar werd weggestuurd, of na een half jaar al stierf van ontbering.

We weten dat de componist Dmtri Sjostakovitsj een tijdlang ’s avonds buiten rookte en zich in de gang bij de voordeur te slapen legde om z’n kinderen het moment te besparen waarop de Geheime Politie hem zou komen halen. Can I dig it? No, I can’t!

Getuigen spreken over een periode waarin je je verdriet met niemand kon delen. Al wie niet positief stond tegenover de Stalinwaanzin kon worden weggevoerd. Tiens, klonk Sjostakovitsj’ 5e (gemaakt in dé terreurjaren ’36-’37) niet zeer optimistisch en zeer opgewekt? ‘Onder dwang opgewekt’, zou de componist er later over zeggen. Zóu zeggen, werd gefluisterd, want het staat in het in 1979 – 4 jaar ná Sjostakovitsj’ dood – verschenen ‘Getuigenis’ van de musicoloog Solomon Volkov. ‘Getuigenis’ is een samenraapsel van ‘controversiële’, ‘op z’n minst aangedikte’ vraaggesprekken met de componist. Die controverse is vandaag enigszins voorbij: volgens de meeste mensen die het toen meemaakten zit in het boek veel meer dan louter een kern van waarheid.

Plus: we hebben nog steeds oren. Het korte beginthema van de vijfde is catchy, maar donker. Ja, er zit een walsje in de symfonie, er wórdt gemarcheerd, maar het largo is louter pijn en ontreddering en het hoogtepunt van een bij momenten zéér creatief, vol parodieën zittend fuck you van een Sovjetartiest richting alles behalve gerechtvaardigde kritiek. Naar het schijnt wist de componist bij de première pas tijdens de lange staande ovatie dat hij in leven zou blijven. Hij wist zich dus gered door een applausmeter.

Maar! Kijk, ik ben me enigszins gaan verdiepen in deze geschiedenis. Stalin een klootzak? Buiten categorie. Maar als Sjostakovitsj in 1936 buiten bang staat te roken blijkt dat achteraf gezien onnodig. De negatieve Pravda-recensie was voor de componist niet meer dan een waarschuwing. Stalin vond Sjostakovitsj’ filmmuziek (zeemzoeterige propaganda, ik kan er geen twee minuten naar luisteren) fantastisch. Al wie in 1936 alsnog moeilijk werk maakte in de trant van Sjostakovitsj’ 4e of in dat jaar kritiek had op het regime heeft het jaar 1938 niet overleefd, dat is waar. Maar met Sjostakovitsj had het regime duidelijk plannen.

Een hoop 20e eeuwse componisten schreven werk dat veel moeilijker is te vatten dan het werk van Sjostakovitsj – Béla Bartók is een uitstekend voorbeeld – maar ik ken geen componist over wiens leven en werk afhankelijk van de bron zo verschillend werd geschreven: ‘toegewijde functionaris’, ‘dissident’ – ‘lafbek’, ‘held’ – ‘overtuigd communist’, ‘liberaal’ – ‘toeter van de dictator’, ‘stem van het verzet’ – ‘opportunist’, ‘aan de kant van de verdrukten’ – ‘formalist’, ‘kopie van Mahler’ – ‘te moeilijk’, ‘te makkelijk’, …

Tegenstrijdigheid na tegenstrijdigheid bleef in getuigenissen opduiken; de strijd ging lang door. De 7e symfonie is het grootste, bekendste, belangrijkste Sjostakovitsjwerk geworden. Het is een prachtige berg in het klassieke muzieklandschap, maar ook het beste vertrekpunt om een portret te schetsen van de verkeerd begrepen kunstenaar en van zijn af- en aangevecht met een zeer machtige dictator.

Geen betere ‘Terug Naar Start’ dan de plek waar we gebleven waren: bij de zwijgende, in zichzelf gekeerde, voor iedereen die op straat rondliep doodsbange Sovjetburgers. In 1941 vallen de klotenazi’s hun land binnen. Alle ogen zijn vanaf 8 september 1941 gericht op Leningrad. We weten met zekerheid dat in Leningrad tijdens het 871(!) dagen durende beleg omzeggens 1 miljoen mensen zijn gestorven. Mensen aten hun huisdieren op, dat zal ook wel waar zijn. Er was sprake van kannibalisme. Tja. De ellende was alvast immens.
 
image

image

En let nu op! Sjostakovitsj, die al schetsen van het eerste, zeer lange deel van de 7e symfonie af heeft – en dus niet, zoals de mythe wil, héél zijn symfonie in het belegerde Leningrad heeft geschreven – zit in de periode voor de nazi-aanval even hard vast in werk en leven als de mensen rondom hem. Maar het beleg verandert alles. De vijand komt nu van buiten af, en vreet niemands binnenste meer aan. Mensen praten opnieuw tegen elkaar, al is het maar om te vragen waar de lijken mogen worden achtergelaten.

De componist, die letterlijk(!) zijn vrij goed verdiende brood deelt met de mensen, biedt zich aan bij het leger, maar wordt tijdens een E-P-X-B-T-M-oogtest (men heeft ginds een ander alfabet) al vanaf de tweede regel geweigerd. Hij zal met een conservatoriumbrigade loopgraven aanleggen, en wordt door de propagandamachine ook als brandweerman uitgestald. Het kan hem niet meer schelen dat dat gebeurt, het patriottisme is opnieuw in hem gevaren, en hij begrijpt dat hij van nut kan zijn als topcomponist.

Een groot deel van de 7e symfonie ís in Leningrad geschreven, in de eerste maand van het beleg. In een mum van tijd heeft Sjostakovitsj deel 1 geüpgraded; hij heeft de ontreddering onder Stalin gemorpht met de bommen van Hitler. Over het 2e en 3e deel doet de man nog een paar weken, periode waarin hij overdag zijn burgerdienst doet en plichtbewust poseert voor de propagandacamera’s.

De meeste Sovjetkunstenaars worden door het regime bewust aan het front gehouden, maar het gezin Sjostakovitsj wordt uiteindelijk eind september 1941 in Koejbysjev in de Oeral in veiligheid gebracht. De partijkaders moeten gehoord hebben dat er een klepper aankwam. Sjostakovitsj is nu een Sovjet-VIP. In de Oeral wordt de 7e voltooid en een eerste keer opgevoerd in maart 1942.

Ook in het nog steeds belegerde, compleet uitgehongerde Leningrad wordt een concert georganiseerd. De leden van het Leningrad Philharmonisch Orkest zijn naar Novosibirsk geëvacueerd en kunnen onmogelijk terug. De 14 overlevende leden van het plaatselijke radio-orkest worden aangevuld met soldaten en officieren die een instrument kunnen bespelen. Ze komen met hun wapens rechtstreeks uit de vuurlinies, gelokt door de belofte van dubbel rantsoen tijdens de repetities van dit meer dan een uur durende stuk.

De dag van het concert, dat ook op de radio wordt uitgezonden, banen geïnteresseerden zich, op gevaar voor eigen leven, te voet van de andere kant van de stad een weg naar de zaal. De dag zelf is er nog hevig gebombardeerd, maar er wordt met de nazi’s een staakt-het-vuren bedisseld zolang het concert duurt. Het is een verbijsterende ervaring voor publiek (en muzikanten), die een kroniek van hun eigen leven horen (of van de partituur aflezen). Het lange eerste deel is voor een groot stuk een soort Bolero verkneed met een militaire mars, maar ik kan elke heteroseksuele man garanderen: aan de tieten en de vlechtjes van Bo Derek in de film ‘Ten’ zal u niet veel moeten denken. Dit is de symfonie als oorlogsverslaggeving, van een ooggetuige en een medeslachtoffer. De 7e wordt in een Russische krant ‘het eerste werkelijk monumentale werk van de Sovjetkunst’ genoemd.

Een Duitse generaal die via de radio had meegeluisterd zou achteraf gezegd hebben: ‘Ik wist die avond dat we de stad nooit zouden innemen.’ Die anekdote kan evengoed uit de weekendfilmversie van de feiten komen.

Wacht, het is nog niet gedaan. Een door de ring van Duitse bezetters heen gesmokkelde microfilm van de partituur komt via Teheran en Caïro in het geallieerde westen terecht en wordt tot in Brazilië als oorlogssymfonie uitgevoerd. In haar bezwerende onweerstaanbaarheid wordt het eerste half uur symbool van strijd en overwinning. Na de bevrijding wordt het verjazzt door de remixers van toen, en zelfs als ballet gedanst. In Amerika worden vanaf 1942 al 62 optredens georganiseerd, het concert in New York wordt op de radio uitgezonden en bereikt 20 miljoen mensen. Sjostakovitsj is, mede door een bizarre brandweermantekening op de cover van Time Magazine, heel het grootse, tragische Russische volk gaan vertegenwoordigen. De cover ziet er zo uit:

image

Bij onderstaande zwartwitfoto staat: ‘Fireman Shostakovich: Amid bombs burning in Leningrad, he heard the chords of victory’.

image

En toch was het voor een groot deel slechts medianieuwsgierigheid naar die onbekende geallieerde die meevocht tegen Hitler. Over de ellende van Stalinland was in het westen weinig geweten, en wie er wel iets van wist speelde gewoon mee stratego op de geopolitieke kaart. En dat is allemaal hard en verschrikkelijk, maar ook normaal, want de vijand heette tenslotte Hitler, en niemand kon toen weten dat die ging verliezen.

Wikipedia: ‘De interpretatie en de ontstaansgeschiedenis van het werk worden nog steeds bestudeerd, bekritiseerd en gemanipuleerd.’

Omdat de 7e symfonie tijdens Wereldoorlog II moed gaf aan alle geallieerden en na de bevrijding overal werd opgevoerd (en inclusief foto’s van huilende mensen en staande ovaties aan de bevolking werd opgediend), dacht men lang: Sjostakovitsj was embedded in het propagandaleger van Stalin.

Omdat met het verschijnen van ‘Getuigenis’ van Solomon Volkov in 1979 een ander licht scheen op de componist, gingen sommigen in hem een verzetsheld zien, en overal sporen van anti-Stalinisme in zijn werk zoeken. Alweer niet correct!

Als ik naar het oeuvre van Sjostakovitsj luister, een berg waarmee ik jaar na jaar meer en meer vertrouwd ben geraakt, denk ik: de zoon van de componist zei iets heel zinnigs: ‘Mijn vader antwoordde altijd iets om ervan af te zijn. Hij wilde gewoon verder met componeren.’

De Schönbergs en de Hindemiths dezer wereld vonden de symfonie trouwens te belachelijk voor woorden. Rachmaninovs reactie zou zijn geweest: ‘Iemand nog een kopje thee?’. Béla Bartók, die voor de nazi’s is moeten vluchten vanuit Hongarije en zonder enige hoop op groot succes in New York overleeft, hoort 3 jaar voor zijn dood de 7e van Sjostakovitsj op de radio voorbijkomen, en wordt kwaad. Hij maakt het voor hem veel te simplistische marsthema belachelijk in zijn Concert Voor Orkest. Misschien stond Bartók veel verder in het gesprek dat hij muzikaal voerde met de avantgardisten. Het is waar dat Sjostakovitsj veel makkelijker muziek maakte. Maar misschien was Bartók ook jaloers op de superster Sjostakovitsj, die als een soort U2 over de radiogolven surfte terwijl hijzelf een pak minder populair was dan Joy Division.

Niet onbelangrijk: Bartók heeft de versie van het concert in New York gehoord, van een symfonieorkest onder leiding van Arturo Toscanini, een man die Sjostakovitsj een bandopname van de opvoering stuurde. Reactie van de componist: ‘Alles is er verkeerd aan. De geest, het karakter, het tempo. Het is slordig hap-snapwerk.’

Dit op zich vrij futiele muzikantenconflict doet mij aan de siamese gevechtsvissen denken uit de prachtige film ‘Rumble fish’. De vissen zijn zelfs in staat hun eigen spiegelbeeld aan te vallen. Ik herinner me ook dat een paar van die vissen aan het eind van de film in een rivier worden losgelaten en mekaar daar niet bekampen. Als je Bartók en Sjostakovitsj had vrij gelaten was dit nooit gebeurd. Maar ja, het was 1943, iedereen zat gevangen aan zijn kant van het glas. Ik ga ophouden met hier de halve zoolpsycholoog uit te hangen in verband met twee lang geleden gestorven reuzen van artiesten.

Eén ding nog: met de supersterstatus van Sjostakovitsj is het – tegen de tijd dat Bartóks Concerto wordt opgevoerd – alweer afgelopen, want de kat Stalin heeft de muis Sjostakovitsj in het vizier, en de muis geeft zich niet snel gewonnen. Maar daarover hoger in ‘Honderd’ meer.

Ik heb het amper over de muziek gehad, die ik nochtans tientallen keren heb beluisterd, in de metro, in de living, lezend en meedenkend, verbijsterd luisterend, hier en daar vergeefs een traantje onderdrukkend.

Ik zou u kunnen vertellen waar de fagot na een bombardement op zoek gaat naar een overlevende, waar ik spijt heb dat ik een samplestuk ken dat de Duitse rapper Peter Fox heeft gebruikt (omdat dat hiphopnummer dat ik dan hoor mij uit concentratie brengt), waar hoge torens van hoop en moed worden opgehapt door de oorlog, waar omgekeerd een treurmars naar hoop wordt gekatapulteerd, waar een gouden medaille wordt uitgereikt in de wedstrijd Ontredderd Volk, waar een stuk van een stuk terecht ‘Moderato risoluto’ heet (dat ik zeer vrij zou willen vertalen met vastberaden, maar in de lage registers), waarom goed 7 minuten ver in deel 3 een energiek, ja zelfs vrolijk tussenstuk zit (Sjostakovitsj’ grote talent is: op sublieme manier de kwellende onmogelijkheid verklanken om de tegenstrijdigheden van het leven op te lossen), waar ik in onderstaande youtubeverfilming van een concert in Catalonië heb kunnen nagaan welke instrumenten de oorlog en welke de hoop van de mensen verbeelden… Maar weet u, ik kan naar die verfilming van zo’n concert maar één keer kijken, en ik wil voorlopig nooit een opvoering van deze 7e zien in een zaal met allemaal weldoorvoede muzikanten die ik natuurlijk nog niet wil beginnen te bekritiseren omdat ze enthousiast zijn, op de speelse details letten, en alles tot in de puntjes hebben gerepeteerd. Alleen, op die manier hoor ik te weinig.

Ik zet het beeld liever uit, duffel mezelf virtueel in en reis af naar het gelukkig volstrékt virtuele, belegerde Leningrad van 1941. De halve eeuwigheid van bewondering voor deze rotgetalenteerde componist komt daarna vanzelf. Want waar dit stuk volgens mij vooral over gaat? Over een man die de overlevende lafbek én de eerlijke held in zichzelf kende en die bovendien besefte dat het toeval was dat hij nog leefde, en die – ondanks alles – bleef componeren in grijstinten die er van hem in deze oorlogsjaren zeer, zeer donkergrijs mochten uitzien, maar nergens zwart mochten worden.

Als ‘me nietig voelen naast een kunstwerk’ het criterium van ‘Honderd’ was geweest, dan zou deze 7e symfonie, aangevuld met het largo van de vijfde, met stip naar de top-5 stijgen.
 

 

 

Kleinburgerlijke verkramping

 
image
 
Dmtri Sjostakovitsj
5e symfonie
1937

 

Van de culturele Sovjetelite in de Leninjaren 1917-1924 kan je niet beweren dat ze een achterlijke, oubollige wereld creëerde: de Russische voorhoede kon zich meten met die uit Duitsland en Frankrijk. De muziek van de Sovjetheilstaat wil modern zijn. Wég verhaal en thematiek. Toonhoogtes en klankkleuren op zich worden belangrijk. Stravinsky, Schönberg en Bartók worden op de conservatoria en op café door de jeunesse dorée communiste bestudeerd, en de scene in Moskou en Leningrad bevat evenveel moderne gekken als die van Parijs en Berlijn.

Er zijn alleen the little differences: Alexander Mosolov maakt bijvoorbeeld in 1927 ‘De ijzergieterij’ tot een hooglied van de machine. De theorie luidt: het individu is niks meer waard in de raderen van het collectivisme.
 

 

De briljante componist Dmtri Sjostakovitsj leert als bioscooppianist wat montagetechniek is, hoe hij straatgeluiden en marsmuziek in een filmbegeleiding verwerkt, maar zijn improvisaties verwijderen zich ver van de norm, en hij blinkt niet uit door voor het publiek toegankelijke, verbindende muzikale motieven. De directie dreigt met ontslag.
 
image
 
Nog voor hij 20 is, wordt zijn 1e symfonie een succes. Veel van zijn werk heeft een sarcastische en stekelige tegenklank. Sjostakovitsj’ aanslag is ook nogal droog. Zijn opera ‘Lady Macbeth uit het district Mtsensk’ kent zoveel bijval dat men in fabrieken een piano aanrolt en stukken uit de grote, proletarische productie opvoert. Het Lady Mtsensk-verhaal is makkelijker te volgen dan de rare Duitse opera’s van die tijd, en bevat zeker evenveel explicit lyrics: Lady Macbeth doet alleen even alsof ze aan de frigide kant is, en moord en verraad spelen de hoofdrollen.
 

 

Stalin is ondertussen sinds midden jaren 20 aan de macht, maar als hij in de Trofee Gevaarlijkste Gek Van De 20e Eeuw op het erepodium belandt, ligt dat aan de dolle fratsen die pas in de jaren 30 beginnen, moment waarop Stalin zijn (potentiële) tegenstanders begint weg te zuiveren.

Net als een paar miljoen landgenoten mag Dmtri Sjostakovitsj een nachtelijke klop op de deur verwachten, en bij hem kunnen we de dag prikken waarop hij mag beginnen met beven: 28 januari 1936. Die ochtend bloklettert de Pravda, na een bezoek aan Sjostakovitsj’ Macbeth-opera van hun belangrijkste culturele freelancer Jozef Stalin, onder de titel ‘Chaos in plaats van muziek’: ‘Fragmenten van een melodie en kiemen van muzikale frases gaan op in het tumult, geknarsetand en gekrijs… Het is moeilijk deze ‘muziek’ te volgen, het is onmogelijk om ze te onthouden… We hebben hier te maken met ‘linkse’ warhoofdigheid, en niet met natuurlijke, menselijke muziek… Dit is spelen met duistere dingen, dat kan heel slecht aflopen.’

Gevolg: geen opvoeringen meer van Sjostakovitsj’ werk. Plus: de man blijft kettingroker, maar bijt nu ook zijn vingernagels eraf.

Sjostakovitsj redt het hachje door de springerige 4e symfonie (die volledig klaar is) in de lade op te bergen. ’s Mans vrienden en beschermers worden ondertussen naar strafkamp of executieterrein afgevoerd. In 1937 wordt hij verplicht een lijst van namen te geven van samenzweerders. Een hele dag wacht hij in de gang op zijn ondervrager. ’s Avonds zegt iemand dat die ondervrager zelf is gearresteerd, en wenst hem een mooie avond.

Sjostakovitsj leest in ‘Stalin voor beginners’ dat Sociaal Realisme een kunststroming is die drie bevelen geeft: 1. Al die experimenten die zo populair waren in het Rusland van kort vóór en kort ná de revolutie: weg ermee 2. Vanaf nu alleen begrijpelijke, realistische, vitale en monumentale kunst voor het proletariaat. 3. Zuiver de wereld in één klap via zware inspanning van de roest en schimmels van het pessimisme. De componist dekt zich in via zijn 5e symfonie. Ondertitel: ‘Het Creatieve Antwoord van een Sovjetartiest op Terechte Kritiek’. Het einde is weekendfilmhappy, de apotheose waarlijk optimistisch, de apparatsjikovatie staand en oorverdovend.
 

 

Wat jammer dat de hardleerse componist in 1939 opnieuw ontgoochelt met de 6e symfonie. Kan hij het niet, of wil hij het niet?, vraagt de Bond der Sovjetcomponisten zich af: ‘De massa zal niet worden meegesleurd door deze kleinburgerlijke verkramping om volgens de methodes van de geforceerde vernieuwing originaliteit voor te wenden’.

En dan moet het waanzinnige Sjostakovitsjverhaal nog beginnen.