Liedvoorbeelden

 

Toen ik een paar jaar geleden een huis stond te verven, kregen de ‘vijf grootste componisten aller tijden’ op de klassieke zender elk een themadag. Op Mozartmaandag en Händeldinsdag werd er gewoon gewerkt. Bach, die richt af en toe wat aan. Beethovens sonates en strijkkwartetten herschikken op nóg aangenamer manier de bovenkamer. Tijdens de themadag van Schubert heb ik alleen wat half werk verricht tijdens zijn symfonieën; daar heb ik niet veel mee. Bij al de rest – be it impromptu, kwartet, kwintet, sonate en toch vooral: lied – heb ik geen klop uitgevoerd. Het sneeuwde buiten; in mijn herinnering toch.

Luisteren naar Schubert is een kwestie van boeken bij Reisbureau De Tijdskromme. Van hevige turbulentie soms. Van een stewardess die me gerust stelt: ‘Het heden wordt gewoon heel eventjes door het verleden ingehaald, mijnheer, en de toekomst blijft onzeker, maar we vliegen rustig verder.’ ‘Precies’, hoor ik mezelf zeggen, en dat moet natuurlijk ‘Genau’ zijn.

Conclusie: mijn kennis van het Duits is in de passief-kolom redelijk, als actief spreker ben ik niet veel beter dan de stripfiguur Bert Bibber die, als hem in Duitsland gevraagd wordt of hij ein Anstecher op zak heeft, uit de losse pols antwoordt: ‘Nein, ich schmöre nicht’. Eigenlijk een heel slecht voorbeeld, want de man die Bibber om vuur vroeg kwam ook uit Groot-Antwerpen.

Er is een bekend en wondermooi romantisch gedicht over een lied dat slaapt in alle dingen (‘Schläft ein Lied in allen Dingen / Die da träumen fort und fort’), dat ik alleen ken via de omweg van de new romantics van Einstürzende Neubauten: ‘Das Lied schläft in der Maschine / Maschine träumt das Lied’. Conclusie nummer 2: ik ben niet iemand die ’s avonds in Duitse dichtbundels zit te bladeren. Ik ken van de Goethes en de von Eichendorffs alleen de greatest hits. En dan nog: von Eichendorff ken ik als one hit wonder.

Toondichter Franz Schubert is een man die kort heeft geleefd, om precies te zijn van 1797 tot 1828. Omdat hij van zéér bescheiden komaf is, stelt niemand ‘em met veel tierlantijntjes, gepommeerde pruik en roze wangetjes als wonderkind tentoon; Mozart is in de eerste helft van de 19e eeuw natuurlijk ook uit de mode.

Schuberts volwassen leven is er voor de muziek en voor zijn maten. Van de verkoop van zijn partituren kan hij net rondkomen.

Met z’n allerlaatste geld zit hij wel ‘es in de kroeg. De syfilis waar hij onder lijdt heeft hij niet meteen aan zijn werktafel opgelopen… Conclusie 3: ‘Zing een liedje voor me Franz / ook al is het in het Frans / Het leven gaat zo snel voorbij / dus zing en ik vergeet de tijd’.
 

 

Schubert is het Wenen van de jaren 20 van de 19e eeuw. We zitten in de restauratie: met de politieke revolutievlag moet je nu niet staan zwaaien.

Nergens werden zoveel piano’s bespeeld als toen en daar. De Wiener Flügel is de verbeterde fortepiano. Beethoven is de populaire Frans die al eens de ambitie heeft om piano’s letterlijk te doen bezwijken en ze achter te laten met afgeknapte snaren; absoluut geen metafoor. Hij laat uit Engeland zelfs een vleugel overkomen met een metalen frame en een grotere snaarspanning. Hij wil meer volume.

Hoewel Schubert een groot bewonderaar is van Beethoven, is dát soort vormrevolutie, zeker in de Lieder, niet aan hem besteed. Zijn ambitie ligt elders: de piano mag niet louter begeleiden, ze moet één worden met de stem. De toetsen moeten onder zijn handen zingende stemmen worden.

Een paar liedvoorbeelden die hij al op zijn cv heeft als hij nog aan zijn bekendste cycli moet beginnen:

1. ‘Gretchen am Spinrade’. Geschreven op z’n 17e. Gretchen zit aan het spinnewiel als ze een kusje van de duivel krijgt. Haar rust is weg. Haar hart wordt zwaar. De piano spint wol tot draad tot ze stokt.
 

 

2. ‘An die Musik’, een licht pathetisch loflied op de muziek zelf: ‘O ed’le kunst / die ons in grauwe stonden / naar een bet’re wereld meesleurt’.
 

 

3. In het fenomenale ‘Erlkönig’-lied rijdt een vader ’s nachts te paard naar de dokter met in zijn armen zijn koortsige zoon. ‘Vader, zie je de elfenkoning niet?’ ‘Dat is gewoon de nevel, zoon, en niet het echte schimmenland aan de andere kant’. Aan het eind krijgt het kind gelijk; het is een Kindertotenlied geworden.
 

 

Oogst Schubert met deze liederen stormachtig applaus? Bij zijn vrienden die samen met hem halve liters hijsen wel. Hij wordt in Wenen wel eens opgemerkt, maar lang niet door iedereen. Hij kan net overleven.

Deze drie Schubertliederen staan niet in ‘Honderd’, maar de artiest belandt wel in de categorie ‘3 maal genoteerd’. Dat is de hoogste categorie.