De gunstigste positie ten opzichte van het licht

 
image
 
Gavin Bryars
Jesus’ blood never failed me yet
1971/1993

 

De moeilijkheidsgraad van dit klassieke werk zal niemand overdonderen: ‘Jesus’ blood never failed me yet’ van Gavin Bryars is een doodeenvoudige compositie. Op de partituur staat wellicht: ‘Al roerend opwarmen op een zacht vuurtje, maar niet laten koken’. O ja, het werk wordt bijeengehouden door een gesamplede stem.

In 1971 wordt componist Gavin Bryars betrokken bij een film over moeilijke buurten in Londen, dus trekt hij er met de cameraploeg en de bandopnemer op uit. De filmmakers komen een paar zingende clochards tegen. Bryars mag de opnamen die de film niet halen mee naar huis nemen, en selecteert een man die met een rare, wat melancholieke, maar verder toonvaste stem zingt: ‘Jesus’ blood never failed me yet / Never failed me yet / Jesus’ blood never failed me yet / This one thing I know / That He loves me so’. Hij gooit de sample in de studio in een loop, voegt piano toe en gaat koffie halen. Als hij terugkomt, merkt hij dat de mensen opvallend rustig zijn. Sommigen zijn gaan zitten. Een enkeling is emotioneel diep getroffen. Gavin Bryars weet: strijkorkest en blazers bestellen.

De lp-opname van 1975 duurt 25 minuten, en is uitstekend. De veel te volle cd van 1993, waarop Tom Waits in zijn geheel eigen stijl mee bromt, doet er 74 minuten over.

74 minuten is 170 (!) keer het Jesus’ blood never failed me yet-lied! Deze muziek komt ook bijzonder traag op gang. Strijkers en blazers vallen bijna onmerkbaar in. Er gebeurt nóg veel minder dan in Bryars’ ‘Sinking of the titanic’, dat ten minste af en toe dreigt. Dit gekabbel met de overzichtelijkheid van licht administratief werk is nergens dreigend, onbehaaglijk, hartverscheurend, adembenemend of verontrustend. En toch kruipt ‘Jesus’ blood’ onder de huid.

Wat dit uitstekend maakt? Het blijft een goeie vraag. Ooit zei Simeon Ten Holt over zijn zeer succesvolle minimale compositie voor vier piano’s ‘Canto ostinato’: ‘De herhalingsprocedure doet de muziek naar haar gunstigste positie ten opzichte van het licht zoeken en doorzichtig worden’. Bij ‘Jesus’ blood’ is die herhalingsprocedure in handen van de schildpad die zijn valiumvoorschrift gaat halen, maar ze roept dezelfde transparantie op. En ze is niet gekunsteld of plechtig. We drijven gewoon zachtjes stroomafwaarts. Zo zachtjes dat je de muziek bijna niet hoort veranderen, maar skip ze naar 10 minuten verder en ze is wél anders geworden.

Er zit in de lange versie één kleine oneffenheid in dit voor het overige vlakke landschap: Tom Waits komt na 50 minuten met een six pack Carapils op de bank zitten en luist ook voor de clochard een sigaret af. ’t Is alsof Waits 20 minuten lang ‘In the neighborhood’ bromt; alleen het stuk met de woorden in the neighborhood eindeloos herhaalt, bedoel ik. Achter Waits valt in de laatste rechte lijn een koor in, dat evenmin de volledige aandacht opeist.

Alles wordt hier bijeengehouden door de gestolen vocalen, de rest van de muziek cirkelt rond die kern. Zonder de clochard zou alles onherroepelijk uiteenvallen. Van de man die zonder van iets te weten dit meesterwerkje heeft gemaakt, werd niets meer vernomen. Verbaast me niks: ik heb ook niks meer vernomen van de dakloze die mij een keer heel vroeg ’s ochtends in een wachtruimte van het Brusselse Centraal Station zijn nacht samenvatte: ‘J’ai eu un concert en stereo. Un qui ronflait et un qui ronflait’.