Een exhibitionistische overdrijving

 
image
 
Nico
The marble index en Desertshore
1969 en 1970

 

Maakte de artieste als 6- à 7-jarige in Berlijn de geallieerde bombardementen mee op Nibelungenland, dat na de fratsen van Otto von Bismarck en Adolf Hitler een verdoemde lap grond was geworden?

Was haar vader een gesneuvelde Wehrmachtsoldaat of een concentratiekampslachtoffer?

In welke mate was ze een ijskonijn?

Waarom wilde Nico na haar modellencarrière liever lelijk gevonden worden?

De biografie is boeiender dan de cliché-anekdotes die altijd opnieuw opduiken in de afdelingen ‘Haar niet te onderschatten invloed als androgyn stijlicoon’ en ‘Met wie had ze een affaire?’

Eigenlijk zei alleen John Cale iets écht zinnigs: ‘De platen ‘The Marble index’ en ‘Desertshore’ bevatten muziek die niemand voor haar gemaakt had, en zijn een serieuze bijdrage aan de moderne klassieke muziek’. Natuurlijk zegt hij dat ook omdat hij de platen zelf voor een groot stuk heeft ingespeeld. Ook John Cale staat op 31.

‘The marble index’ en ‘Desertshore’. Op aanraden van Leonard Cohen begint Nico zichzelf te begeleiden op een Indiaas harmonium, een blaasbalg die niet met een voetpomp maar als een draailier bespeeld wordt. Drones, dus. Kamervullende, surround aangehouden klanken die in die jaren al waren gebruikt om het feestje psychedelischer te maken (‘Tomorrow never knows’ van The Beatles), psychiatrische congressen te begeleiden (‘Venus in furs’ van de Velvets) of de bieromzet op te krikken in Ierse en Schotse pubs (alles met een doedelzak).

Niets van dat alles bij Nico, die geen chanteuse meer wil zijn, maar ook algemener haar eigen zin wil doen. Ze steekt in gedachten de Straat van Gibraltar over, trekt de woestijn en de bergen in, slacht zelf een schaap, en wil, als het enigszins kan, ook door de tijd reizen.

Soms moet ik in dit barre, sombere universum aan de middeleeuwen denken, soms wordt Agamemnon nog eens verplicht Ifigeneia te offeren bij gure wind.

John Cale dekt naast zijn piano ondertussen een copieuze instrumententafel met elektrische altviool, bas en gitaar, en met glockenspiel, klokken, mondorgel en bootmansfluit, en gaat naar mijn aanvoelen nergens beter fluweel ondergronds. Dit zijn voor een groot stuk ook zíjn twee meesterwerken.

Eerst ‘The marble index’ uit 1969. Opener ‘Lawns of dawns’ gaat over een ervaring in de woestijn met peyotecactussen die Nico naar verluidt met Jim Morrison deelde: de ochtendzon was groen, en toen de wereld in haar hoofd kantelde dacht ze dat die groene lucht de zee, en de woestijn de hemel was. De trip herinnerde haar er ook aan dat ze niet kon zwemmen. Het is eigenlijk een vrij rustige neerslag van de ervaring: wel veel pling, plong, gril en grom en een door Cale aangeleverd schurend scharniertje.

Er zit een zeer mooie altviool aan het begin van ‘No one is there’. Nico raadt haar zoon in ‘Ari’s song’ aan weg te zeilen, maar hij was er toen nog te jong voor. Dit is voor Cale een plaat van blokjes omgooien, avant-gardedemonen uitdrijven en al dan niet echo’s van The Velvet Underground inlassen: ‘Frozen warnings’ krioelt er bijvoorbeeld van.

Ter hoogte van ‘Facing the wind’ check ik voor alle zekerheid jaar van opname: anderhalf decennium voor Nick Cave een lied schreef over een achtergelaten, uitgemergeld circuspaard. De piano roept nog veel meer eightiesmuziek op.
 

 

‘Evening of light’ is de zin ‘A true story wants to be mine’ boven uit doemdozen bijeengegraaide chaos. De song eindigt waar de kkkkggggg van Cabaret Voltaire later zal beginnen.

Wie Nico wil herleiden tot een door drugswanen bezeten zottin, of tot de drammerige protopunkster die later ‘Deutschland über Alles’ zou zingen mét de strofe erbij die na de nederlaag van Hitler uit het volkslied was gehaald, die moet het a capella ‘Nibelungen’ eens opzetten: iets op de grens tussen Wahrheit en Dichtung en tussen visioenen en verhalen; een lied dat volgens mij ook worstelt met de gevolgen van zelfgekozen ballingschap.
 

 

‘Desertshore’ dan: de iets wisselvalliger sequel van een jaar later. In ‘The falconer’ komt Cale op tijd tussen om in de volle harmonicazee een kustlijn van piano te trekken.

‘My only child’ is bijna a capella en knap. Coil heeft een hele plaat gemaakt die klinkt als het begin van ‘Abschied’. ‘Afraid’ is gewoon een door Nico gezongen John Calelied.

Maar dan komt ‘Mutterlein’: een bel, schel gehamer, harmonium, trompet, een piano die als een onweer nadert, en daarboven Nico die de tekst ‘Liebes kleines Mütterlein / Darf ich endlich bei Dir Sein’ twee keer zingt omdat dat in echte bluessongs altijd verplicht is. Ik geef vier sterren, en voor afsluiter ‘All that is my own’ vijf! Laatste zin: ‘Meet me on the desertshore’. Ik reageer uiteraard niet op dat sirenenvoorstel, want ik ben vastgebonden aan de mast, met wasbolletjes in de oren.
 

 

 

‘Nico/Icon’ heet de beste documentaire die u over Nico kan zien. Ik heb vandaag weer eens geprobeerd naast het icoon te luisteren, en ben weer eens gefaald. Ben ik blij dat ik haar niet zó lang voor haar dood (R.I.P. 1988) nog gezien heb in het PSK in Brussel? Bah, ze was achter haar harmonium toen niet veel meer dan een grote zonnebril met iets van kanker op de stembanden. Het was trouwens opnieuw Cale die zich over haar ontfermde en haar meenam op tournee.

2014. In theorie zou ik een groot liefhebber van Soap & Skin moeten zijn: Anja Plasch probeert in de stijl van Nico verzonken kathedralen uit de zee te zingen. Maar zo werkt het niet, sorry.

Deze twee Nicoplaten bouwen kennelijk een soort acquiered gothic taste op die zelfs Diamanda Galas bij momenten herleidt tot een exhibitionistische overdrijving en die van Within Temptation een verre herinnering aan een boterreclame maakt, voor Zeeuws Gothic Meisje als ik het me goed herinner.

Er zijn ook échte grenzen. Neem nu Sopor Aeternus’ soundmix van Nico’s ‘Abschied’: Sopor, die op Youtube véél meer wordt aangeklikt dan Nico, schminkt, nee grimeert zich als Nosferatu, poseert onder een treurwilg of bij een afgelegen landhuis, en stopt de song vol met kleffe strijkers. Wat vooral stoort? Sopor heeft zichzelf gesculpteerd tot een nagemaakte gek.
 

 

 

These days

 
image
 
Nico
Chelsea girl
1967

 

Eind jaren 50: Christa Päffgen, een marmeren gigant van een vrouw in wording, wordt een model dat parfum en Martini doet verkopen vanuit een mannendecor van Frank Sinatra’s en Dean Martins, én actrice in een Fellinifilm waarin ze parfum opdoet en samen met Italiaanse replica’s van Frank Sinatra en Dean Martin aan de Martini’s zit.

1965: ‘I’m not saying that I love you’. In een zwart-witclip staat Nico met een voor die tijd heel lange rok in een kleine vissershaven. In de tekst belooft ze… niks. Ze kijkt in de camera met een zeker I don’t care in de ogen en heeft de mooiste jukbeenderen sinds… we komen er even niet op.

1967: Bij The Velvet Underground mag ze tamboerijn spelen en ‘Femme fatale’ zingen: ‘You’re number 37 in her book’. ‘All tomorrow’s parties’, uiteraard. ‘I’ll be your mirror’ ook. De backings van ‘Sunday morning’ zeker niet vergeten.

Eind 1967. De songs op haar solodebuut ‘Chelsea girl’ zijn evenmin van haar.

 
image
 

Vooral het door een zeer jonge Jackson Browne geschreven ‘These days’ is ‘niet-van-deze-wereld-mooi’. De hoofdpersoon lijkt voortdurend voorbije gebeurtenissen te betreuren: ‘Please don’t confront me with my failures / I have not forgotten them’.
 

 

Nico zelf vond de plaat in zijn geheel een vergissing: ‘Ik vroeg drums, ze zeiden nee. Ik vroeg meer gitaren, ze zeiden nee. Ik vroeg om eenvoud en ze bedolven alles onder fluiten. Ze voegden strijkers toe; niet mijn ding, maar ik kan ermee leven. Maar die fluit! De eerste keer dat ik de plaat oplegde… Ik ben in tranen uitgebarsten, en het kwam allemaal door die fluit.’

De tearjerkende fluiten zijn het ergerlijkst aanwezig in ‘Winter song’, ‘Chelsea girls’ en ‘Wrap your troubles in dreams’.