Menig drupje bloed

 
GetAttachment-6.aspx
 
Oswald von Wolkenstein
(1377-1445)
Songs of myself

 

Uit de bibliotheekrekken gris ik een cd van Andreas Scholl mee. De beroemde contratenor doet op de cd ‘Songs of myself’ helemaal niks van zichzelf. Hij brengt werk van Oswald von Wolkenstein.
 

 

Eerste reactie: Huh?

Tweede respons na beluistering van opener ‘Es fügt sich’: zoals ik ooit het gevoel had sommige karakters die plat-Duits spreken in de serie ‘Heimat’ beter te begrijpen dan de inboorling die ik in Jabbeke een keer de weg vroeg, zo dacht ik toen ik in 15e-eeuws Duits trouw hoorde beloven in ‘Und welt min hert kein andern mier’: dat versta ik beter dan Normaal, ’t Hof van Commerce en de Jansse Bagge Bend.

Derde ronde: dat verstaan van laatmiddeleeuws Duits in een kennelijk Zuid-Tiroolse variant valt dik tegen. ’t Is ook allemaal te veel en te lang, te oud, te moeilijk, en aan de andere kant komt al eens de gedachte op dat elk moment ‘Blackadder’ of ‘Kulderzipken’ gaat beginnen.

Deel 4, het besluit dat komt na veel opzoekwerk, heel veel opnieuw luisteren, en een drie uur lang radio-interview van de Avro-omroep bij Scholl thuis (in hedendaags Nederlands!) is een verrassend besluit: fan-tas-tisch. Alsook: ik pleur ‘em op 66. Nu de uitleg.

Vooreerst: als Andreas Scholl zegt dat hij deze cd absoluut wilde maken, kan ik niet anders dan hem geloven. Het opnamedecor is de Sint-Valentinuskerk van zijn geboortedorp Kiedrich, nog geen 4000 zielen groot en een idyllische plek.

In hoger vermelde Avroreportage zie ik Scholl iedereen groeten als hij na een wereldtournee naar de bakker gaat. Lieve, eerlijke, slimme man, zit liever in de zaal dan in de loge; dat type. Vraag die ik me lang heb gesteld over een opname in de dorpskerk van wat we een soort Bringing it all back home mogen noemen: Waarom in hemelsnaam, na een lang verblijf in Bazel, als hij opnieuw in Kiedrich naast de kerk gaat wonen waarin hij als kind samen met zijn hele familie in het Bachkoor zong, daar niet gewoon een paar barokcantates opnemen? Succes verzekerd, camera’s erbij, daarna kan je ook gewoon tegen iedereen ‘Grüss Gott’ zeggen als je je zondagsbrunch gaat halen.

Nee, Scholl moet per se de late, Zuid-Tiroolse middeleeuwen in duiken. Denk rivierdalen en bergpassen. Denk overal Dolomietenburchten, vaak roversnesten boven op een rots. Er wordt ruig overleefd door boeren. Er wordt ‘menig drupje bloed vergoten’ door ridders. Von Wolkenstein is zo’n ridder. Als hij ‘de liefde’ beschrijft in een van zijn liederen (dat niet op deze plaat staat), ziet Wolkenstein zichzelf in een vogelvangersmetafoor te werk gaan: ‘De vrouw moet hard lachen, en overtreft mij in alles wat ik over het vogelen heb geleerd’. Dat staat net iets dichter bij LateMedievalSluts.de (fictief bedoelde website) dan bij hoofse lyriek.

Enter Scholl, die dus een contratenor heeft. Voor wie aan zelfcensuur wil doen: een hoog stemgeluid dat partijen aankan die tot voor kort alleen door vrouwen werden gezongen. Maar we weten ook: in de tijd van Händel en Bach, en zelfs tot veel later, werden hoge partijen voor castraten geschreven. Dat maakt Scholl te janetterig voor Wolkensteincapriolen. Als hij in ‘Durch Barbarei, Arabia’ (‘Door Berberland, Arabië’) op bariton overschakelt zit er meer punch in zijn ridderlied. Op al de rest is het een beetje alsof Sting of Antony And The Johnsons het over de negen kogelgaten in het lijf van 50 Cent hebben.

‘Die Gräserin’ is bijvoorbeeld een Wolkensteinsong die ik op Youtube in de versie van een folkzanger hoor. Een vrouw op blote voeten vraagt in strofe 1 de haak die het hek aan de omheining vastmaakt er diep in te slaan, opdat de ganzen niet meer zouden ontsnappen. In strofe 2 krijgt ze hulp bij het gras maaien; gelukkig had de ridder-troubadour zijn zeis nat en scherp gemaakt. De dame vraagt ook het lager gelegen veld van klaver te ontdoen; waarschijnlijk slang uit een tijd van ridders die na menig drupje rood te doen vloeien, hun zwaard in de verkeerde schede stopten. Begrijpelijke Youtubereactie: ‘Yo, shout out to all my niggas in Wolkenstein. Keep it real.’
 

 

Verderop in mijn is-dit-nu-goed-of-niet?-luisterproces wemelt het in de lange titelsong ‘Es fügt sich’ van de bewijzen voor de stelling die J.M.H. Berckmans ooit op een bierviltje schreef: ‘In den beginne was het Woord, en het Woord was bij AnaKwaBoe’: ‘Drei pfennig in dem peutel und ein stücklein prot / Hab ich gepauet bei cristen, kriechen, haiden’.

Soms pocht von Wolkenstein erop los: hij spreekt 10 talen (‘Franzozisch, mörisch, katlonisch und kastilian, teutsch, latein, windisch, lampertisch, reuschisch und roman’) en hij kan ook fidlen, trummen, pauken, pfeifen. En maar verder verzinnen op z’n von Münchhausens, dacht ik: al sinds zijn 10e reist Oswald de hele wereld af, ooit redde hij zich van de verdrinkingsdood door zich aan een vat peperdure wijn vast te klampen, et cetera, et cetera.

Blijkt het allemaal waar te zijn. Hij trok als schildknaap de toen bekende wereld rond, leerde de stielen van stalknecht, roeier, boodschapper en kok, jatte overal songs, overleefde die schipbreuk voor de kust van wat nu Turkije is echt (en de wijn was echt van een goed merk), én: hij werkte later als gezant van keizer Sigusmund, die in een versplinterend rijk veel moest onderhandelen met plaatselijke koningen en hertogen: dat was von Wolkensteins diplomatenjob. Kortom: gezeten op een paard was hij overal behalve in de arendsburcht in de Dolomieten waar hij werd geboren; de man is gewoon afkomstig van een burcht die Wolkenstein heet. Dat laatste klopt niet helemaal, maar neem het voor het gemak aan.
 

 

Toen von Wolkenstein in 1445 stierf, twijfelde de westerse wereld tussen gewoon de middeleeuwen verderzetten of alsnog aan de renaissance beginnen. Ook in Zuid-Tirol komen er barsten in de hiërarchie van de clerus-adel-boerenwereld. Hertogen en graven verliezen macht, de keizer ook. Von Wolkenstein bezingt die barsten wel, maar eigenlijk wil hij vooral dat alles bij het oude blijft. Hij is een conservatief die in naam van het gezag progressieve denkers het leven zuur zal maken en die meedoet aan rooftochten die toen kruistochten heetten: Good music doesn’t necessarily make good people.

Tegelijk vecht hij voor zijn eigendom: hij was niet de oudste zoon, maar eist wel het erfgoed op, met gevechten op leven en dood als gevolg. Hij lijdt ook onder een grote, onmogelijke liefde: uitgerekend die vrouw zal hem niet alleen verraden door met een ander te slapen, maar ook door hem in de val te lokken, kreupel te laten slaan (!) en in de kelder op te sluiten. Hij is bovendien constant bezorgd om zijn maatschappelijke positie; een avondvullende vraag van toen luidde: bij welke adelbond aansluiten tegen welke hertog?

Von Wolkenstein is een beetje een raadsel, vulgair en vroom tegelijk, en hij spaart zichzelf niet overal in zijn teksten. Er is zelfs een ‘arme ik’ die zingt over het gezinsleven dat hij uiteindelijk beleeft met een vrouw op wie hij niet verliefd is en die kijft en kinderen heeft die af en toe tegen zijn hand aanlopen. Wolkenstein beseft: hier zit ik hoog op een rots, met kindergejank, vrouwengedoe, ezelgebalk en pauwengeschreeuw. Hij denkt na en komt uit bij: naïef geweest in de liefde, het avontuur missend, aan het eind hopend dat god alsnog persoonlijk tussenkomt.

Nu ik het hele prentje begin te zien kan het mij niet meer schelen dat Andreas Scholl geen Jan Decleirstem heeft. Hij is ook niet verplicht om die konijnenseksliederen te selecteren, die gewoon een facet van Wolkensteins oeuvre zijn. Het stuk over overspel met de koningin van Aragon, die een ring in Wolkensteins ZZ Topbaard vlecht – wat zijn daad verraadt bij de keizer, die er uiteindelijk een grap over maakt – zit er trouwens wél in, en is prachtig.

Wolkenstein is een troubadour die overal stijlen jat en een edelman die zingt om zijn eigen positie te verbeteren. Hij geeft een fortuin uit om monniken zijn twee liedboeken te laten maken, maar daarin staat niet hoe je de zangpartijen precies moet begeleiden. Dat geeft Andreas Scholl en Shields of Harmony de vrijheid om te doen wat ze willen: er is geen stijlpolitie omdat er geen regels zijn. ‘De enige betrachting’, zegt Scholl, ‘was 60 minuten gevarieerde muziek maken die het verhaal vertellen’.

En kijk, het is alsof ik, door die 60 minuten zang, harp, luit, viool en hammered dulcimer opnieuw en opnieuw te beluisteren, al naar twee jaargangen van de dvd-serie ‘Ich, Wolkenstein’ heb zitten kijken, en binnenkort, door ‘Songs of myself’ nog eens op te zetten, in mijn hoofd aan het derde seizoen kan beginnen. Op het voorplan altijd die wat rare held die overloopt van de contradicties, in de achtergrond een tijdsgewricht dat ook barst van de breuklijnen.

‘Tot zover andere tijden, terug naar de onze’ wil ik van het VPRO-programma ‘Andere tijden’ jatten, maar of de man in onderstaande video – die Eberhart Kummer heet – in andere tijden leeft dan wel in de onze is niet geheel duidelijk: