De romantische punthelm

 
image
 
Robert Schumann
Dichterliebe
1840

 

 
Robert Schumanns ‘Dichterliebe’ is gemaakt op tekst van Heinrich Heine. Na wat Wikipedia-en-uiteindelijk-veel-meer-dan-Wikipedia moet dat worden: op tekst van de nog jonge Heinrich Heine.

De Heine in de ‘Dichterliebe’-cyclus is in 1827 nog even rechttoe-rechtaan romantisch als Wilhelm Müller die Franz Schubert teksten schenkt over een mooie molenaarsdochter.

De oudere Heine (een Duitse Jood die naar Parijs vluchtte voor de restauratiecensuur en voor het antisemitisme van een eeuw voor Hitler) is een andere artiest. Als hij in ‘Een wintersprookje’ opnieuw een reis door Duitsland maakt handelt hij in harde spot: aan de grens wordt Heines koffer door de ‘dwaze’ Pruisische douane besnuffeld. Heine denkt: ‘De smokkelwaar die met me meereist zit in mijn hoofd weggestoken’.

De dichter is keihard als het gaat over de stijfheid van de Duitsers: ‘Als hadden ze de stok ingeslikt waarmee men hen slaag heeft gegeven’. ‘De punthelm op hun romantische hoofd’ rijmt op ‘wordt misschien door de hemelse bliksem verdoofd’.

Het is satire vol verzuchtingen van een man die zijn land van herkomst een beetje moderner en toleranter wil zien worden. Heeft eigenlijk weinig of niks met de voorwaarts-in-de-mogelijk-verpletterende-liefde-gedichten van de jongere Heine te maken, een bundel waaruit Schumann 16 stuks koos voor zijn ‘Dichterliebe’.

‘Im wunderschönen Monat Mai’ opent die cyclus gracieus: het is mei, alle bloemknoppen springen open, de dichter heeft zijn liefde verklaard – we zitten in het basiskamp.

Daarna is de geliefde twee songs lang alles, bijvoorbeeld roos, lelie, duif en zon samen. De songs zijn kort en gebald.

En dan gebeurt er iets raars: de kus die ooit zal komen zal zelfs gezond maken, maar bij de eerste woorden van de geliefde (nochtans een ordinair ‘Ik hou van jou’) wordt er 1. In de tekst meteen ‘bitter geweend’ 2. even bitter geweend in de schitterende piano-outro. Er wordt wel niet uitgelegd waarom.

De sfeer wordt daarna alweer – en niet voor het laatst – compleet omgegooid in ‘Im Rhein, im heiligen Strome’, waarin een Mariabeeld in goudleer uit de Dom in Keulen opduikt dat aan de geliefde doet denken, maar vooral: waarin uit de piano iets Bachachtigs loskomt met daarboven aan het eind… ja, wat eigenlijk? De noodklokken van de passie?
 

 

‘Ich grolle nicht’ is gebald, kwaad, kort, to the point: ‘Ik treur niet want ik zag het serpent dat vreet aan je hart, jij valse tik.’ In het lied dat volgt zit nog meer haat: ‘Sie hat ja selbst zerrissen / zerrissen mir das Herz’: zij en zij alleen heeft mijn hart aan stukken gereten.

Alsof violente gemoedsschommelingen toen de gewoonste zaak ter wereld waren, wordt plots een halve liter gedronken, en is er gefluit, violengezang en getrompetter waarop zelfs gedanst wordt. De piano weent en klaagt soms. Dat komt: het mannelijke hoofdpersonage staat naar de bruiloft van zijn verloren geliefde te kijken.

Volgt: meer afstand en controle over de gevoelens, via een ‘x gaat met y’-verhaal in ‘Ein Jüngling liebt ein Mädchen’, waarin y natuurlijk liever met z gaat, die weer met iemand anders wil. Een oud, compleet afgezaagd verhaal, zegt de tekst, tot het jou of mij of jouw dan wel mijn geliefde overkomt: dan is het weer actueel en uniek. Is hier al de ironische Heine van ‘Een wintersprookje’ aan het woord? Misschien. Volgt er een mooie, dit keer luchtige Schumannoutro die even ironisch zou kunnen zijn? Ook mogelijk.
 

 

Onze romantische held wandelt ondertussen door een tuin in ‘Am leuchtenden Sommermorgen’. Er staan bloemen in bloei. Ze vragen de bleke, treurige man niet kwaad te zijn op hun zuster, want zo is ze nu eenmaal. ‘Ich hab’ im Traum geweinet’ is het moment met de minst beroerde piano, maar tegelijk het meest intens spokende lied.
 

 

‘Aus alten Märchen winkt es’ wil er nog eens invliegen: in de sprookjes, in de bloemen, in de bronnen, de beken, de twijgjes, de blaadjes en de mistige vergezichten, maar de droom vervliegt met de ochtendzon.

De cyclus sluit af met een grote kist, groter dan het vat van Heidelberg, dan de brug van Mainz en dan de heilige Christoffel in de Dom van Keulen.

Heinrich Heine legt in 1827 al zijn liefde in die kist, én al zijn pijn, en verhuist naar het progressievere Parijs. Robert Schumann laat in 1840 zijn laatste outro klinken als een al bij al vrij luchtige uitvaart, en laat de piano nog eens met glans véél, véél meer doen dan commentaar geven op de tekst. Wat zei Bob Marley ook weer? ‘One good thing about music, when it hits, you feel no pain.’ Deze piano levert die afwezige pijn met acupunctuurprecisie.

Daaronder en -boven de moderne wereld – versie 1840. Een complexe aangelegenheid.
 

 

 

In living color

 

Iedereen distilleert zijn geheel eigen crossover door te wonen in ~, te luisteren naar ~, naar de ingang gebracht te worden van ~, discipline te ontwikkelen om ~ en bewust of onbewust heelder treinen te missen richting ~. Inderdaad, de grote motor blijft het strakke regime Toeval.

Mijn toevallige omstandigheden? Klassieke muziek was thuis en op de speelplaats geen hoofdrolspeler. Op kot was er soms de minimal music van Philip Glass, Steve Reich, Wim Mertens en Michael Nyman, die via film en via de Leuvense radio Scorpio binnenkwam. Wim Mertens’ werk is vooral bekend geworden via de begintune van het BRT-nachtprogramma en via reclame voor telefonie.

 

 

Omdat minimal music niet zó ver bij Erik Satie vandaan woonde, heb ik tegen Satie wel eens ‘Soyez le bienvenu’ gezegd.

 

 

Mijn eerste zéér ongemakkelijke zittende dissonantie kwam aankloppen via John Cales ‘Music for a new society’. Cale was op die demonenuitdrijving duidelijk alle ‘zo triest en zo mooi’-emoties kotsbeu. ‘New society’ bleek daarna een prima rode loper richting andere 20e eeuwse tegentonen.

Omdat ik nog later af en toe naar jazz luisterde, was ook Claude Debussy geen moeilijke noot om te kraken. Meer dan 23 miljoen keer bekeken, deze clip van ‘Clair de lune’!

 

 

En toen begon Radio Klara ook overdag op te staan. Op de klassieke zender heb ik het zo vaak gehoord in middagprogramma’s: eerst polyfonie, dan barok, dan klassiek op z’n Mozarts, en gelukkig maar: anders had ik nooit mijn weg gevonden. Omdat mij door 1001 kenners was verteld dat het bij Bach was begonnen, heb ik ‘Geboren in 1685 – Gestorven in 1750’ onthouden, ter oriëntatie.

 

 

Maar ik bleef vooral hangen in de romantiek van begin 19e eeuw.

 

 

De 2e helft van de 19e eeuw, die is voor mij heel lange tijd virtuoos maar onbestemd gebleven. Ik hoorde te vaak de esthetica van monocles, benefietgala’s, koekjesdozen en Koningin Elisabethwedstrijden. Ik kreeg te weinig momenten die me ondersteboven gooiden. Nuance was er natuurlijk ook: toen ik op de klassieke zender ’s middags na mekaar Johannes Brahms’ Variaties op een thema van Haydn, het eerste Pianotrio van Felix Mendelssohn en Peter Tsjaikovski’s vioolconcerto hoorde, dacht ik: die onbestemdheid is misschien ‘voorlopig’.

Vandaag komt er qua 2e helft van de 19e eeuw niet veel goeds bij, want ik zit een en ander op te zoeken over een liederencyclus van Robert Schumann uit 1840, een cyclus die in Honderd zal staan. De liederen zelf zijn natuurlijk prachtig. Laten we het werk late romantiek noemen. En laten we wel wezen: als Schumanns for piano only-werken ‘Kreisleriana’ en ‘Kinderszenen’ reeksen popsongs waren, er zouden er maar een paar op B-kantjes belanden. In zijn werk voor grotere bezetting meandert ergens een cello sierlijk tussen orkestklanken, elders weert een piano zich dapper tegen blaas- en strijkinstrumenten… natuurlijk hoor ik dat allemaal in Schumanns Verzameld Werk. Maar de romantiek blíjft krachtiger en duidelijker galmen in het Beethovenbegin en in het Schubertantwoord, en ik heb blijkbaar de heer Gustav Mahler als gids gekozen om me de 20e eeuw binnen te leiden – eeuw waarin de 19e eeuw door weer andere favorieten vakkundig in stukken wordt gekapt.

Waarom er trouwens qua 2e helft van de 19e eeuw vandaag niet veel goeds bijkomt? Ik heb net een draak van een film uit 1947 bekeken, één waarin Katharine Hepburn Schumanns echtgenote Clara speelt: een kleffe liefdesgeschiedenis die wordt verteld vanuit één Schumannstuk (‘Träumerei’), en waarin de kinderen van Robert en Clara Schumann even ergerlijk zijn als die van de familie Von Trapp. Die kinderen moeten tegen vriend-aan-huis Johannes Brahms ‘nonkel’ Brahms zeggen. Soit. Wat ik zal onthouden: Schumann en Brahms, er is een verband en een tijdsketting, maar veel muziek van beide meesters zindert opnieuw amper na, laat me integendeel wederom na elke luisterbeurt onmiddellijk met rust.

Nog een kleurplaat dan maar?

 

 

De man die verantwoordelijk is voor al dat moois op youtube is Stephen Malinovsky of Smalin. Als u in een mum van tijd wil weten hoe verdomd lang Smalin al met hart en ziel aan zijn Music Animation Machine werkt, klik dan hier. Als u een beetje langer in Smalins wereld duikt, zal u het vanzelf merken: de man is ondertussen de geestelijke vader van vele getalenteerde kinderen.

Smalins revolutionaire visualisering van klassieke muziek is voor mij overigens prima tweedekansonderwijs, want muziek lezen en schrijven ik niet kan, en het voordeel van deze muzieklessen is dat ze geen schriftelijke cursus zijn.

In de playlist hieronder een paar favorieten uit die ‘moeilijke’ 2e helft van de 19e eeuw: werk van César Franck, Pjotr Iljitsj Tsjaikovski en Antonín Dvořák.