De glazen stolp

 
image
 
Soundgarden
Superunknown
1994

 

Tijd voor een overzicht van de vijf grootste steden van de Verenigde Staten anno 2012. New York, Los Angeles, Chicago, Houston, Philadelphia. Soundgardenstad Seattle stond in 1990 op de 21e plaats, vandaag op de 22e.

Je had er toen Boeing en je had er Queensrÿche. Het regende er elk jaar meer dan vroeger. Grote groepen sloegen de stad over, waardoor de locals zelf hun concerten moesten organiseren. Harde betongroepen als Scratch Acid en Big Black landden er wel, en kregen met een publiek te maken dat wilder was dan elders. Toen kwamen de Nirvanahype en het monstersucces, en de grote platenfirma’s die als varkens neerploften, iedereen uit eten vroegen, hier en daar een groep verpletterden en verder trokken naar een volgende stad.

Amateursociologen en andere nerds high five-den theorieën over en weer: ‘Het noordwesten is de streek waar de UFO-verhalen ontstonden’, ‘Er leven meer seriemoordenaar dan in eender welke andere stad in de States’ en ‘Door het slechte weer en de heroïne doe je minder aan sport, dus zoek je een andere hobby’. Ik gok op die laatste theorie.

Gelukkig kaatsten plaatselijke stammen een en ander ook Tijl Uilenspiegelgewijs terug. De mensen van het Sub Pop-platenlabel staan in de goeie documentaire ‘Hype’ bijvoorbeeld op een terras en zeggen: ‘Laten we wel wezen. Vijf jaar geleden was Seattle een vissersdorpje, en kijk nu eens naar de skyline: ‘Allemaal óns werk!’
 
image
 

Ook compleet verzonnen door inboorlingen die gewoon zaten te wachten om de vólgende antropoloog wat op de mouw te spelden: een hilarisch lexicon van zogenaamd hippe grungewoorden die allemaal keurig in de New York Times werden afgedrukt.

Fuck trouwens grunge! Ooit was er een radioprogramma dat Betonuur heette. Op een andere zender luidde een wervende slogan: ‘Sleur je buren door de muren’. Genre? Metal, natuurlijk. Als we ‘Let me drown’, de onmiddellijk de kamer vullende opener van Soundgardens ‘Superunknown’, geen metal mogen noemen, welke door Wodan zelve gelaten knalscheet dan wel?

In de Afdeling Boenk Erop is ‘Let me drown’ zeer tastbare harde rock van de zéér potige ritmesectie Matt Cameron-Ben Shepherd, van een bij de pinken zijnde gitarist Kim Thayil (met een onder heet water gehouden mes snijdt hij deze taart moeiteloos in stukken), en van een waanzinnig krachtig uithalende zanger Chris Cornell (die in de studio met ijswater vol steengruis gorgelde).

Cornells stem was van bij Temple Of The Dog in vele hoofden en harten blijven hangen, was in 1992 over Pinkpop heen geraasd en de man had de derde wolkenkrabber aan de linkerkant in de muzikale skyline van Seattle eigenhandig opgetrokken. Dat de groep er een lap op kon geven en dat er doorheen Soundgarden iets meer Zeppelin en Sabbath galmde dan Mudhoney en Nirvana wisten we al via de beestig goeie voorganger ‘Badmotorfinger’, een cd die ze ter hoogte van Pinkpop 1992 meebrachten. Dit stuk concert is werkelijk magistraal. En dan moet Pearl Jam die dag nog komen:
 

 

Waarna ‘Superunknown’ in 1994 nog veel, veel meer wordt dan wat voorafging. ‘My wave’ zit vol indrukwekkende gaten (ik herinner me de live-kennismaking met die song tot vandaag). De tablas- en sitar-Beatles zijn soms een beetje (‘Black hole sun’), maar even vaak heel nadrukkelijk aanwezig (‘Head down’, ‘Half’). In ‘Spoonman’ zitten echte lepels. Songs als ‘Black hole sun’, ‘Spoonman’, ‘Fell on black days’, ‘My wave’ en ‘The day I tríed to live’ zijn zonder meer uit-ste-kend – wie die parels alleen binnen de beperking van het harde genre goed vindt, is volgens mij altijd en overal aan het wachten tot er eindelijk ‘unplugged’ en ‘authentiek’ gespeeld wordt. Al de rest is nérgens vulsel.
 

 

Valt er ook iets op in de teksten? Absoluut. Weinig of geen karakters uit Dungeons and dragons, tenzij er een mij onbekende versie van dat rollenspel bestaat waarin trollen, halflingen en barbaren levens verliezen met Depressies, Drugsgeëxperimenteer en Zelfmoordneigingen. Chris Cornell, die in een oude song ‘Outshined’ zichzelf al eens op heldere wijze had beschreven met ‘Looking California / Feeling Minnesota’, liet zich voor ‘Superunknown’ naar eigen zeggen inspireren door Sylvia Plath. Ik moet maar aan ‘De glazen stolp’ denken of de horror begint weer – Plaths ‘The bell jar’ is een zéér heavy metalen boek.

Cornell verklaarde ‘Let Me Drown’ als een terugtocht in de baarmoeder, ‘Fell on Black Days’ als het besef extreem ongelukkig te zijn, ‘Black Hole Sun’ als een droom die lang bleef spoken, ‘The Day I Tried to Live’ als de ontgoocheling na het doorbreken van isolement en ‘4th of July’ als het relaas van lsd-gebruik. Aanleiding voor ‘Like Suicide’: een vogel die bij Cornell thuis tegen het raam vloog; de man verloste het zwaargewonde dier uit zijn lijden met een steen.
 

 

Wat in 1994 opvalt: Soundgarden staat in lichterlaaie en is moeilijk interviewbaar. In Keulen sleuren ze bij een collega een hoteltelefoon uit de muur. De avond ervoor heeft Cornell zich met de voet van zijn microfoonstatief een mansgroot gat(!) in het podium geslagen (waardoor hij aan het eind van het concert verdwijnt). ‘Wees er zeker van dat ze ons veel te veel zullen aanrekenen’, is het enige dat Cornell erover kwijt wil.

In 1996 interview ik Chris Cornell opnieuw. Vriendelijke man. Behoorlijk wat van zijn demonen zijn waarschijnlijk via ‘Superunknown’ keurig uitgedreven. Op al wat ik wil vragen over Koffiestad Seattle, Muzikale Invloeden, Ouders, School en Favoriete Dier, heeft hij een coherent en interessant antwoord. Maar… van de Soundgardenplaat die toen verscheen ken ik zelfs de titel niet meer. Op het concert in Vorst Nationaal, waar ik vol verwachtingen naartoe ga, hoor ik een groep zo routineus spelen dat ik twee dingen denk: ‘Komt nooit meer goed’ en ‘Stone Temple Pilots’.

Watskeburt? Ik kan altijd proberen te gokken. Briesje uit Californië doet in het regenachtige noorden geluk en vrede belovende popmuziek aanspoelen. Met de overschotten van een eerste liefde voor punk en metal wordt in veel songs een nieuw begin gemaakt. Omdat Seattle centraal is komen te liggen, staan er schijnwerpers op deze uittocht, die voor velen klinkt als een te neurotische, te nadrukkelijk blootliggende zielswereld. ’t Is een omzetting, een verschuiving, grensoverschrijding, hartstocht die vleugels krijgt. En dan duikt een andere grens op. Voor mijn part noem je het het Peterpricipe: ‘Stijgen tot het eigen niveau van incompetentie’. Natuurlijk zijn er artiesten die meer mannen uit één stuk zijn, met langere carrières, die niet zo ‘dom’ zijn al hun hebben en kunnen in twee steengoeie platen te stoppen, om daarna (zoals we het het liefst hebben) te sterven of (zoals Soundgarden) te verwelken. Die zoveel slimmere artiesten staan niet op 61, en Soundgardens magistrale, van de eerste tot de zeventigste minuut boeiend blijvende ‘Superunknown’ wél. Voilá. Met accent aigu. Nè!

Iemand heeft Soundgarden water gegeven, want ze bestaan sinds 2012 opnieuw. Ik wist dat niet. Omdat ik weer niet zat op te letten.

Ik knip nog iets uit de titeltrack: ‘If this doesn’t make you smile / You don’t have to cry / If this isn’t making sense / It doesn’t make it lies / Alive in the superunknown / First it steals your mind / And then it steals your soul’.

While we’re at it, waarom niet Sylvia Plaths ‘The Bell Jar’ opleggen, een boek dat mij hier geheel terecht de categorie ‘Zelfmoord’ doet aanklikken! De verteltoon, het accent, de manier waarop ze een paar keer na mekaar ‘patent leather’ zegt… de perfecte voorlezer heet Maggie Gyllenhaal:
 

 

De playlist bevat muziek uit ‘Superunknown’-jaar 1994, een lijst die ik al liet horen toen dEUS met ‘Worst case scenario’ op 107 belandde.